De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Menno Simons:500 jaar geleden geboren

Dit jaar vinden herdenkingen plaats rond twee personen die in de geschiedenis van Christus' Kerk een bijzondere plaats hebben gehad en gehouden. Eind januari was het 500 jaar geleden dat de bekende doopsgezinde prediker en leider in het Friese Witmarsum werd geboren in het jaar 1496. Hij werd 26 maart 1524 in Utrecht tot priester gewijd. Als vicaris kreeg hij daarna een aanstelling in Pingjum. Al spoedig kwam hij kritisch te staan tegenover de Roomse kerk, vooral door het lezen van het Nieuwe Testament. Op 30 januari 1536 volgde zijn uittrede uit de Roomse kerk. Spoedig erna werd hij door de bekende wederdoper Obbe Philips 'overgedoopt' of liever spreekt men in deze kring over 'doopvemieuwing'.

Als Menno Simons hiertoe overgaat, is de doperse beweging in Europa al door verschillende gebeurtenissen heen. Om te beginnen zijn ze fel vervolgd. Er is het 'Munsterse avontuur' geweest met de heerszuchtige Jan van Leiden aan het hoofd. Menno was een vredeminnend mens, geweld wijst hij af. Ik ontleen deze gegevens voor het grootste deel aan een tweetal interessante overzichtelijke artikelen van drs. H. Veldman in De Reformatie van 27 januari en 3 februari 1996. Ook in het Gereformeerd Kerkblad voor de drie noordelijke provincies verzorgde drs. Veldman drie bijdragen onder het opschrift 'Menno Simons herdacht'. Als een nawee op het Munsterse geweld volgt de gewelddadige overmeestering van het Oldeklooster bij Bolsward door een groep fanatieke Wederdopers. Daarop volgt een gruwelijk bloedbad van de kant van de Friese stadhouder: 86 mannen en vrouwen worden geëxecuteerd.

'Zit Menno Simons nu in de crisis? Hij ziet nu wel in dat de oude kerk als "onwaarachtig" en dus absoluut "onheilig" kan worden afgeschreven! Daar merk je zo'n grote discrepantie tussen bijbels geloof en het dagelijks leven! Simons wil nu een absoluut zuiver leven leiden, ook als voorbeeld voor zijn omgeving. En hij kiest voor de herdoop! Hij laat zich opnieuw dopen (zijn doop "vernieuwen"); de man die deze doop voltrekt is de doperse voorganger Obbe Philips uit Leeuwarden.

Welke waarde kent hij toe aan dit grootse moment? Wel, hier wordt "de nieuwe mens" geboren, uit de Geest. Hij is de nieuwe mens die zelf voor God heeft gekozen, die Gods Bondgenoot gaat worden, heel zijn leven. Deze mens is het ook, die het heil naar zich toetrekt, en een grote mate van heiligheid gaat uitstralen. In Christus geheiligd, vernieuwd. Hij breekt met "de wereld" en haar instellingen. Hij zal geen eed meer afleggen, geen wapens dragen, de overheid op afstand houden en voortaan als "stille in den lande" voortleven. De nieuwe mens sluit geen compromis. Hij leeft zo perfect mogelijk, ja hij kan, met enige inspanning een heel hoge graad van perfectie bereiken (= perfectionisme). Er zijn er zelfs in de omgeving van Menno Simons die geloven dat de mens de echte perfectie kan bereiken (= perfectisme).

Dit kan allemaal door te "werken aan jezelf'. Daarbij is Gods genade onmisbaar, maar die schakel je in naar gelang je er de noodzaak van voelt. Zo vernieuwt de mens zichzelf met goddelijke kracht...

Daeirmee legt men dus de macht over en de zekerheid van het heil in de mens zelf (= subjectivisme). In het realiseren daarvan bereikt de één meer dan de ander. Dan kan het gebeuren dat de één de ander niet meer in zijn gemeenschap zal dulden. Het kringetje kan heel klein worden. En als er niemand meer over is, dan is er nog altijd de mystieke band met de Heer.'

Een voornaam geschilpunt tussen doopsgezinden en gereformeerden betrof de visie op de menswording van Christus. Menno Simons betoogt dat Christus niet menselijk vlees en bloed van moeder Maria heeft aangenomen. Hij is alleen door haar schoot heengegaan als door een trechter. Ook is wel het beeld gebruikt van zonnestralen door een glas. Als achtergrond van deze visie is te noemen de sterke antithese die wordt aangenomen tussen natuur en genade, tussen Gods wereld en die der mensen, tussen geest en stof, tussen schepping en herschepping. De oude schepping is totaal bedorven. Ze dient als een stel oude schoenen te worden weggegooid. Daarom kan Jezus onmogelijk echt mens geweest zijn. Hij kan geen deel gehad hebben aan het zondig vlees van zijn moeder. Drs. Veldman laat dan verderop in zijn artikel zien welke consequenties deze opvatting heeft.

'De consequenties van deze christologie kunnen ver getrokken worden: niet alleen wordt de mensheid van Christus feitelijk ontkend, tegelijk is ook een groot vraagteken gezet achter de aard van de verlossing die Hij heeft tot stand gebracht. Waarvan verloste Christus ons? Van de zonde, ja maar waarin zit die zonde dan? Antwoord: In de geschapen werkelijkheid, in de creatie, de schepping. En daarmee ook in alle instellingen die in de schepping voorkomen: overheid, huwelijk, lichamelijkheid, uiterlijke dingen enz. Het bidden om "Verlos ons van de boze", betekent dus losmaking van het creatuurlijke. Dat is teveel van het goede!, hebben gereformeerden altijd volgehouden.

Dopers leren: Christus bevrijdt ons van het kwaad en maakt van de mens die voor Hem kiest een "nova creatio", een nieuwe mens, die geen deel meer heeft aan de boze wereld. Zo wordt hij de wedergeboren mens. En daarop volgt een belangrijke notitie: die nieuwe Adam mag zich werkelijk vrij noemen. Beschikkend over een vrije wil. Want hij draagt de wet van God in het hart. Daarmee is het ware menszijn terug, zeggen Hoffman en Simons.

De deur naar overschatting van menselijke mogelijkheden staat hiermee wijd open. Echter, niet alle dopers trekken dezelfde consequenties: de één zal voortaan de wereld mijden (en dat is het kenmerk van de "mennonieten"), maar de ander heeft op zijn program gezet om de slechte wereld grondig te zuiveren van al het kwaad — en hij gaat over tot radicale maatschappijhervorming (zoals o.a. in Munster, 1534-1536). Intussen is er van een krachtige normativiteit uit de Heilige Schrift bij veel dopers geen sprake. Ze weigeren de bijbel te erkennen als het gezaghebbend Woord van God. Maar als ze dat nog wel tot op een bepaalde hoogte willen erkennen, dan is er nog altijd eerst het "Inwendige Woord", de stem van de Geest in het hart van de gelovige Bondgenoot (= spiritualisme). En die weegt het zwaarst! Van deze gedachte zijn doperse voormannen als David Joris en Caspar van Schwenckfeld bekende voorstanders. En met hun leringen hebben zij velen in de Nederlanden beïnvloed.'

Ook de visie op de kerk is bij de weg die Menno kiest uiteraard een totaal andere dan onder ons zo hevig verdedigd. Drs. Veldman schrijft: 'Wat verstaan de dopers nu onder de Kerk? Ze is een broederschap van alle gelovigen. Dezen weten zich uitverkoren om met God te leven. Samen met alle heiligen. De christelijke gemeente dient zonder vlek of rimpel haar plaats in de wereld in te nemen. Absolute heiligheid past bij elke gedoopte.

Daarom wordt er ook tucht geoefend. Tucht om te behouden? Ja, maar in vele gevallen vooral om te zuiveren! De ban is er om de gemeente te beschermen en daarom moet ook de hele gemeente in de toepassing van de ban gekend worden. Nu is dat laatste al wel (te) veel gevraagd, maar het geheel van deze tuchtoefening moeten we plaatsen in het streven naar een heilige, perfecte gemeente. Want Menno Simons en de zijnen hadden grote bezwaren tegen de volkskerk: daar konden "Jan Rap en zijn maat" zomaar gedoopt worden. De tucht leek daar te ontbreken. Maar als "Jan Rap" dan toch nog eens voor God zou kiezen? ! Wat dan? Ja, dan zal "Jan Rap-junior" wel thuis moeten blijven en misschien wel opgroeien voor galg en rad. Want deze jonge knaap staat nog altijd alleen in het leven. God wil pas met hem te maken hebben als hij God een hand gaat geven. God kan ook pas naar hem toekomen als "Jan Rap-junior" heilig is geworden. Want die kloof, o die bijna onoverbrugbare kloof tussen natuur en genade, tussen schepping en herschepping...!'

Tenslotte, in een 19e-eeuws rijmpje komt scherp uit de relativering van de geschiedenis van de kerk en tegelijk van haar belijdenis. Hierachter gaat schuil de visie op het innerlijk licht. Deze is in wezen alles beslissend. Theologische wetenschap is betrekkelijk. Lekepredikers die een 'gewoon' beroep uitoefenen, kunnen het best de gemeente dienen. Het rijmpje dat drs. Veldman citeert in één van zijn drie bijdragen aan het Gereformeerd Kerkblad luidt: i

Die 't Onze Vader bidt
en leeft naar Gods geboden 
die heeft noch Luther noch Calvijn
noch mensen meer van node.

Maarten Luther 450 jaar geleden gestorven I

Op 18 februari is het 450 jaar geleden dat Luther in 1546 stierf. In De Wekker van 26 januari en 2 februari 1996 stonden twee bijdragen te lezen van prof. dr. W. van 't Spijker over Luthers levenseinde onder het opschrift Wij zijn bedelaars, dat is waar!

'De zin is bekend genoeg. Zij typeert in zekere zin het gehele leven van de reformator Maar ze hebben in een specifieke betekenis betrekking op zijn ervaring met de Schriften. Want daarop slaan deze woorden allereerst. Dit blijkt uit het verband. Men kan, zo schreef Luther eerst, men kan Virgilius in zijn geschriften niet begrijpen als men niet eerst vijf jaren een herder is geweest of een boer. Niemand kan ook Cicero, een bekende jurist en schrijver uit de oudheid, begrijpen als hij geen twintig jaar een ambt bekleed heeft in de staat. En dan volgt het woord over het verstaan van de Schriften: "Niemand moet denken dat hij de Schriften voldoende gesmaakt heeft, wanneer hij geen honderd jaar met de profeet Elia en Elisa, Johannes de Doper, Christus en de apostelen de kerken heeft geregeerd"... "Wij zijn bedelaars, hoc est verum".'

Prof. Van 't Spijker vraagt vervolgens aandacht voor deze gevleugeld geraakte woorden van Luther in de context waarbinnen ze moeten worden verstaan.

'Opmerkelijk is deze uitspraak om verschillende redenen. Luther heeft de woorden geschreven terwijl hij voelde dat zijn einde nabij was. Men kent de geschiedenis. Hij voelde zich verplicht om het zijne bij te dragen aan de verzoening van twee broers in Eisleben. Het waren hooggeplaatste edelen, die in een twist geraakt waren. Deze twist zou schade kunnen toebrengen aan de gemeente, zoals immers iedere twist onder broeders aan de kerk van Christus enkel nadeel brengt.

Luther heeft de reis ondernomen in het besef dat hij ging sterven waar hij gedoopt was: in Eisleben. In die zin liet hij zich uit tegenover zijn vrouw. Hij preekte in Eisleben verschillende malen. Zijn laatste tekst was die over de vermoeiden en beladenen, tot wie Christus spreekt: "Komt tot Mij...".

Tot deze categorie van vermoeiden mag men Luther ook wel rekenen. Zijn leven was getekend door moeite en zorg. Op dezelfde dag waarop hij het briefje schreef, zei hij tot zijn vrienden: Wanneer ik mijn goede landsheren, de graven hier in Eisleben tot elkaar gebracht heb, zal ik naar huis gaan en ik zal mezelf in de kist leggen en aan de wormen mijn lichaam te eten geven. Dat was zijn taal, ietwat ruw menen wij, een weinig onbehouwen. Maar Luther gaf te kennen, hoe hij zich voelde. En hij was bereid om heen te gaan.

In deze situatie sprak hij over het bedelaarschap, waarvan hij zich, met name in zijn omgang met de Schriften bewust was. Geen woord, los daarheen geworpen. Geen per ongeluk hem ontvallende gedachte was het. Het was de belijdenis van iemand die wellicht meer dan wie ook, het geheim van de Schriften had leren kennen in de ervaring die hij ermee had opgedaan. En Luther sprak dit woord op de grens van dood en leven. Dan worden er geen woorden meer heengeworpen zonder dat men weet wat er gezegd moet worden. Luther gaf hier een diep motief uit zijn eigen leven bloot. Omgang met de Schriften leidt tot een ervaring, die geheel uniek is en die men niet zomaar op de eerste dag zich toeëigenen kan.'

We moeten en mogen er geen uiting van zwaarmoedigheid in horen, aldus prof. Van 't Spijker in zijn tweede artikeL Bekend is dat Luther niet al te vrolijk was in de laatste jaren van zijn leven. Maar dat had meer te maken met de situatie van kerk en wereld in zijn dagen, dan met zijn eigen geloofsleven. Wij zijn bedelaars, dat is waar. Luther bedoelde, aldus prof. Van 't Spijker, er blijft geen roem over voor een mens ook al heeft hij nog zoveel jaren mogen dienen in Christus' Kerk. Ja, pas dan weten we pas echt hoe zwak van moed en klein van kracht wij mensen zijn. Luther bedoelde met genoemde woorden echter de sleutel aan te geven waarmee we de Schriften kunnen verstaan: als een bedelaar die het verstaan van de Schrift als een genadig geschenk ervaart. Van 't Spijker ziet er een kleine hermeneutiek (= methode van Schriftverstaan) in opgesloten. Eerst: je moet ervaring met de Schrift opdoen om haar echt te verstaan. Twee: je hebt er de kerk bij nodig. Schriftverstaan is geen individuele bezigheid. Samen met alle heiligen ontstaat er verstaan. Drie: Schriftverstaan is gunst en niet zozeer menselijke kunst.

'Het laatste motief dat bij de verklaring van de Heilige Schriften een rol van betekenis blijft spelen, is die van de volstrekte genade. Juist dan wanneer het een mens te doen is om het verstaan, om het "ervaringsmatige" proeven en smaken van het Woord Gods, is die mens aangewezen op pure genade. En dan zijn wij allen bedelaars. Het is opvallend dat een man als Luther dit zegt. Weinigen hadden een zo diep inzicht in de Schriften als hij. Zeker, zijn verstaan van de Schriften deed wellicht niet in alle opzichten recht aan de volheid van de Schriften. Een gereformeerde belijder zal ook andere aspecten in de Schrift ontdekken, dan die van de rechtvaardigmg door het geloof alleen. Hij zal telkens zeggen dat het gaat om de Schriften alleen, maar ook de Schriften in hun geheel. Luther kon wat dit aangaat nog wel eens een eigenzinnige maatstaf aanleggen. Maar overigens kunnen we een diep respect hebben voor de wijze waarop hij de Schriften uitlegde en die uitleg ook onder woorden wist te brengen. Rijk is zijn verklaring van de Psalmen, van de profeten, van Genesis om slechts iets te noemen. Die rijkdom weerspiegelt voor een zeer aanzienlijk deel ook Luthers eigen levensverhaal: zijn eigen ervaring spreekt erin mee. De diepte van zijn verklaring kan menigeen vandaag nog tot verwondering brengen. Niettemin erkent Luther zelf zijn afhankelijkheid: wij zijn bedelaars. Zal men de zin van de Schrift verstaan, dan moet dit ons gegeven worden. Daaruit spreekt allerminst de bravoure die we anders bij Luther wel eens ontmoeten. Het is er ook vèr vandaan dat Luther zou zeggen: Wij hebben de Schrift voor ons en we hebben daarmee de oplossing van alle problemen. Neen, het moet ons gegeven worden om de Schriften te verstaan. Ze moeten ons geopend worden. En de sleutel daartoe (een kwestie van hermeneutiek dus) hebben we zelf niet in handen, zij komt uit de hand van God. Lege handen hebben we, die wij ophouden. Zo ontvangen we de smaak van het Woord. En dat uit vrije genade. Heel anders geredeneerd is dit dan wij soms doen. Dit betekent niet: wij weten het, en we hebben het, en het moet alleen nog toegepast worden. Maar dit betekent: wij weten het niet en wij hebben het niet. Maar de Heere wil het uit genade schenken, deze levende en levendmakende kennis van het heil, dit proeven en smaken dat de Heere goed is.

Ook dat is goed te bedenken, zo rond de sterfdag van Luther.'

Menno en Maarten, twee totaal verschillende werelden op het erf van de christelijke kerk. Wie met hart en ziel in de gereformeerde traditie wil'staan, zal zich met dit lutherse geluid eensgeestes weten. Wel kunnen we ons de grote geestelijke bescheidenheid van Luther aantrekken als we ons vandaag met zoveel vragen die te maken hebben met ons Schriftverstaan geconfronteerd zien. We zijn soms méér dopers dan luthers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's