Terug naar de kern
I Inleiding
Vorig jaar verscheen een boeiend boek van de hand van J. Hendriks, hoofddocent gemeenteopbouw aan de theologische faculteit van de VU. te Amsterdam, onder bovenstaande titel. De auteur, die al veel werk verricht heeft op het terrein van het onderzoek naar het functioneren van de gemeente, laat in de ondertitel zien, waar het hem in dit boek om begonnen is: de vernieuwing van de gemeente en daarin de rol van de kerkeraad. Het geheel is een pleidooi voor een 'gezamenlijke trektocht' als leerproces in de gemeente.
Vernieuwing is nodig
Vernieuwing is nodig Het boek bestaat uit een Woord vooraf en daarna drie delen met enkele bijlagen. In het Woord vooraf zet Hendriks uiteen wat de bedoeling van het boek is. De kerk verkeert in een geestelijke crisis, o.a. door de secularisatie. Het enige afdoende antwoord hierop is een echte vernieuwing van de gemeente. Niet dingen nieuw gaan doen, maar nieuwe dingen doen. Het geheel van deze nieuwe aanpak duidt hij aan met de titel: terug naar de kern. Daarmee bedoelt hij dat de kerkeraad en de gemeente terug moeten naar de kern van het gemeente-zijn.
Die kern bestaat uit drie dingen. Er moet plaats zijn voor de verborgen omgang. Er moet aandacht zijn voor de gemeenschap en er moet plaats zijn voor de dienst van de gemeente (in de wereld).
Waarom is het zo nodig om tot die kern teruggeroepen te worden? Omdat het niet goed gaat met de gemeente, met de kerkeraad, met de ambtsdragers. Het gaat daarbij vooral om drie dingen: Er is in de kerkeraad maar een geringe aandacht voor de opbouw van de gemeente en het ontbreekt nagenoeg aan een echt verband tussen de feitelijke 'agenda' van de kerkeraad en zijn eigenlijke opdracht. Maar ook ontbreekt het vaak aan gesprekken van hart tot hart over de eigen zorgen en dromen van de kerk. En ten derde is er een onbevredigende relatie tussen de kerkeraad en de werk-of ambtsgroepen in de gemeente.
Positiebepaling
Als de kerkeraad aan het werk is in de gemeente zijn er enkele dingen voor hun werkwijze heel belangrijk.
In de eerste plaats de identiteit. De kerkeraad heeft een opdracht (missie) en moet zichzelf zien als een dienstgroep in de gemeente. Daarna is het nodig dat de kerkeraad taken verricht die inspirerend zijn omdat ze in verband staan met de kern. Ook dient de leiding van dien aard te zijn dat er sprake is van een pastorale dienst in de gemeente. Dat wil zeggen dat er niet alleen zorg is voor de mens, en niet alleen voor 'de zaak', maar voor beide. Dan speelt het klimaat waarin gewerkt wordt een belangrijke rol. Dat klimaat moet open zijn. Niemand is object, maar iedereen is subject. Tenslotte is de structuur van de gemeente essentieel. Er moet een zo plat mogelijk structuur zijn, d.w.z. dat de afstand tussen de kerkeraad en de groepen in de gemeente zo klein mogelijk moet zijn. Als het werken van de kerkeraad aan deze factoren beantwoordt, dan is het aantrekkelijk om het ambtswerk te doen. Het tegendeel is ook waar. En daar zitten we nu mee.
Een onderzoek
Om te kijken hoe het nu gesteld is in de gemeente van vandaag heeft de auteur een onderzoek ingesteld naar de stand van zaken in 25 (wijk)kerkeraden in 14 plaatsen in het land. Het gaat om hoofdzakelijk gereformeerde kerken. Men moest daarbij 75 vragen beantwoorden die te maken hebben met de hierboven genoemde factoren. De antwoordrapporten zijn bestudeerd en laten zien dat bij elk van de genoemde factoren wel goede dingen te zeggen zijn, maar er toch ook heel veel onvrede is. Wat betreft het klimaat ontbreekt het vaak aan openheid. De relatie tussen de kerkeraad en de groepen in de gemeente is vaak niet goed. De kerkeraad heeft vaak met doelen en taken te maken die niet behoren tot zijn eigenlijke taak. De kerkeraadsvergadering zitten boordevol met alle mogelijke agendapunten die de kern niet raken. En dan de identiteit van de gemeente. Daarover bestaat de meeste onvrede. Vraag 71 van het onderzoek luidde: 'In hoeverre slaagt u er als kerkeraad in tijd te besteden aan de vraag of uw gemeente in de diepere zin van het woord werkelijk gemeente van de Heer is? ' Van bezinning hierop komt helaas heel weinig terecht. Firet zei: 'Zijn wij gemeente van de Heer? Zijn wij bezig met de zaken van de Heer? Zijn wij kerk? ' Daarmee is het niet goed gesteld. Het ambt is vacant. Gegeven deze onvrede onder de kerkeraadsleden is het begrijpelijk dat ze hun ambtswerk onaantrekkelijk vinden.
Problemen oplossen
Hoe kunnen nu de problemen die er in de gemeente zijn opgelost worden? Nadat Hendriks enkele vuistregels heeft gegeven (we noemen die nu niet, men vindt ze op blz. 81 t/m 105 in zijn boek) gaat hij verder met de vraag hoe de problemen aangepakt dienen te worden. Nu ligt het er aan, met wat voor soort problemen men te maken heeft. Eenvoudige problemen moeten gewoon aan de orde gesteld worden. Meer complexe problemen kunnen alleen opgelost worden door heroriëntatie op uitgangspunten, waarden enz. En dan zijn er de diep en breed verankerde problemen. Daar gaat het nu verder om. Om deze problemen op te lossen is een radicale vernieuwing van de werkwijze in de gemeente en dus van het gemeente-zijn nodig. In de diepliggende problemen gaat het om de drie dingen die we reeds noemden: geringe aandacht voor de eigenlijke opdracht, ontbreken van gesprekken van hart tot hart en geen goede relatie tussen kerkeraad en groepen.
Beleren en leren
Hendriks loopt tegen de klassieke verhouding van de kerkeraad en de gemeente op. In wezen is dat een hiërarchisch model, waarbij de kerkeraad alles beslist en de gemeente de beslissingen uitvoert. Dat kan niet langer. Het is het model van een zogenaamde 'belerende' gemeente. De kerkeraad beleert de gemeente als een onmondige gemeente. Dat belemmert de processen die nodig zijn voor de gemeente om een echte mondige gemeente te zijn. Daardoor ontstaan allerlei irritaties. In plaats van beleren moet de gemeente zelf gaan leren. Leren is wijzer worden met als doel dat we anders gaan handelen. Dat raakt je hele mens zijn: je denken en doen, je beslissen en handelen enz.
Leerprocessen
Vanuit het bedrijfsleven (Kolb) is bekend dat echte leerprocessen in een cirkel verlopen. Wil een bedrijf vernieuwen dan is het nodig dat dit leren wordt toegepast. Hendriks past dat ook toe op het leren in de christelijke gemeente. De gemeente is toch ook een organisatie, hoewel van eigen aard.
Leren begint met doen. Daardoor ervaart men de zaken waarom het gaat. Dan komt het bezinnen op de opgedane ervaringen. Dan het denken: het via analyse en met behulp van kennis de ervaringen trachten te begrijpen. Dan komt het tot beslissingen, want op grond van de opgedane ervaringen en doordenking komt men tot een ander gedrag. Maar als het zover is, is men niet uitgeleerd. Dan begint het weer opnieuw. Zo blijft men leren.
Zo zou het ook moeten zijn in de gemeente. Maar daar is het nu niet zo. De leercyclus is gebroken. De één doet ervaringen op, de ander denkt, weer een ander beslist. Er is geen integratie tussen die onderdelen van leren. En dat moet veranderen. Dan krijg je een lerende gemeente.
Een gezamenlijke trektocht
De gemeente moet niet met een reeds van te voren 'georganiseerde reis' mee gaan doen, maar de gemeente moet een 'gezamenlijke trektocht' maken. De gemeente is toch een charismatische gemeente! Het gewone gemeentelid heeft charismata ontvangen, de een deze, de ander die. Die gaven moet je samenbrengen in werkgroepen, beter gezegd in ambtsgroepen, omdat ieder gemeentelid het ambt aller gelovigen draagt. Die groepen krijgen een complete taak op een bepaald terrein; wat anders de kerkeraad deed, doen zij. Zo beraadslaagt een ambtsgroep bijvoorbeeld over de kerkdienst. Hoe die moet worden ingevuld enz. enz. Dat doet zo'n groep in overleg met de gemeente. Op de gemeentevergadering. En de kerkeraad moet op pastorale wijze het geheel aan elkaar binden. Op pastorale wijze de werkgroepen bezoeken en tenslotte uitvoeren wat de groepen en de gemeente beslissen. Het gaat Hendriks dus om gemeente zijn van onderop. Het gaat van de gemeente, via de groepen naar de kerkeraad. En niet meer andersom. Zo leren de gemeente en de kerkeraad. Niemand is object, ieder is subject. En de kerkeraad is bevrijd van al die nodige en onnodige handelingen die anders zijn agenda vullen.
Van tijd tot tijd is evaluatie nodig. Hoe gaat het? Is bijstelling nodig? Hendriks heeft zijn plan ontwikkeld vanuit de houding: op hoop van zegen.
Enkele reacties
Ik las dit boek met veel belangstelling. Het heeft me geboeid. Het is doordacht en bemst op (weerbarstig) feitenmateriaal. Het is heel herkenbaar wat Hendriks over gevoelens van kerkeraadsleden schrijft. Het verlangen naar een gemeente, die aantrekkelijk en vitaal is neemt je mee. Het zoeken naar het echt gemeente van Christus zijn in deze tijd, geeft herkenning. Die drie kernen die hij noemt als wezenlijk voor het gemeente zijn deel ik: de verborgen omgang ('met God' moet er dan bij), de gemeenschap ('van de gemeente' moet er dan bij, en de dienst ('onderling en in de wereld' moet er dan bij), ze bieden een betrouwbaar patroon voor het gemeenteleven. Behalve deze positieve reacties heb ik ook vragen.
In het boek wordt een praktisch theologisch onderwerp behandeld. Maar betekent dat dat bijbels theologische uitgangspunten mogen ontbreken? Daar vallen voor mijn gevoel juist de wezenlijke beslissingen, bijv. als het gaat om het gemeente zijn en de verhouding ambt en charisma. Is er in het Nieuwe Testament ook sprake van een hiërarchisch model als ambtsdragers Christus vertegenwoordigen en zo de gemeente dienen?
De auteur zou dan graag een gezamenlijke trektocht in de gemeente willen. Maar dan moet iedereen wel mee gaan. Is het wel reëel om dat te veronderstellen terwijl er zulke diepgaande verschillen zijn in de gemeente, die juist als het gaat om dit model van gemeente zijn aan het licht komen? Wat te doen met (meelevende) gemeenteleden die niet mee gaan met de trektocht? Moeten die dan maar naar elders gaan? Een plurale gemeente is een fictie.
Verder geloof ik dat heel wat gemeenten c.q. kerken zich herkennen in de problemen die in dit onderzoek aan de dag treden. Maar ik denk dat er - ik spreek nu even over de hervormde kerk - honderden gemeenten zijn, die zich wel enigszins herkennen, maar die toch de spits van de problemen van de gemeente vandaag aan de dag elders, ik denk dieper zien liggen. Als daar je startpunt was begonnen, zou je ook andere vragen gaan stellen in het onderzoek en daarop zou je weer andere antwoorden krijgen en daaruit zouden weer andere routes ontworpen zijn om problemen te trachten op te lossen. Ik wil maar zeggen: er is zoveel ongelijktijdigheid in visie op gemeente zijn. In mijn laatste gemeente, een actieve gemeente, waarvan de kerkeraadsleden veel zullen herkennen in dit boek, zullen velen toch zeggen: bij wat Hendriks zegt ligt de oplossing van onze problemen niet. Ze zitten veel meer met vragen als: hoe stralen we als ambtsdragers iets uit van de relatie met God. En hoe kan dat doorstralen in de gemeente, naar jongeren en naar buiten uit.
Hendriks heeft naar het bedrijfsleven gekeken. Goeie zaak. In de kerk, zeker in de hervormde kerk, wordt vaak als het op organisatie aankomt veel gerommeld. Wat dat betreft zijn de gereformeerden veel deskundiger. Die kunnen het voor mijn gevoel echt veel beter. Maar toch... die vergelijking en transfer: bedrijf en gemeente. Als je dat er nu eens buiten liet, dan zou je toch ook een pleidooi kunnen houden voor een lerende gemeente? Zonder die akelige tegenstelling: beleren - leren. Van Dale zegt dat je paarden 'beleert'. Dat heeft toch wel een negatieve klank. We zijn toch geen paarden? Zitten er in het vele goede dat Hendriks biedt ook geen zwakke schakels? Overvraag je de gemeenteleden niet door ze te vragen mee te trekken en mee te leren? Daartoe moeten ze wel bereid zijn en ook een aanvankelijke motivatie bezitten. Zijn de verschillende ambtsgroepen wel beheersbaar? Trouwens, je kunt wel verlost zijn van hiërarchie in de kerkeraad, maar die keert soms weer terug in een groep, want daarin zit ineens iemand die domineert, of een verborgen programma heeft. Hoe moeilijk het is om elkaar echt als subject van leren te zien merk je aan Hendriks zelf. Op p. 163 zegt hij dat mensen die zich inzake de visie op kindercommunie op de Reformatie beroepen bij nader inzien bedoelen dat die Reformatie er net zo over dacht als zij dat nu zelf doen. Nu, ik ben zo iemand die graag luistert naar de Reformatie. Maar ik voel me object en geen subject als Hendriks zegt dat ik dat doe om te laten zien dat de visie van de Reformatie overeenkomt met wat ik wil. Nee, zo is het niet. Had Hendriks niet beter kunnen zeggen: 'Ik ervaar het zo dat mensen die zich op de Reformatie beroepen zouden willen zeggen: wat ik wil is daaraan gelijk.' Ik bedoel maar: het is zo moeilijk om echt helemaal te zijn zoals men behoort te zijn.
Tenslotte
Er verschijnen heel wat boeken over gemeente-opbouw en leren in de gemeente. Dit boek telt echt mee. Ik zou tegen de lezer willen zeggen: neem er kennis van. Hendriks vraagt niet om het met hem eens te zijn. Het gebodene kan een goede aanzet geven voor een fundamenteel gesprek over het gemeente-zijn in deze tijd. Ook over de werkwijze, waarover hij terzake doende dingen zegt. En welke gemeente is er, die over het gemeente zijn vandaag geen zorgen heeft?
J. Hendriks, Terug naar de kern, vernieuwing van de gemeente en de rol van de kerkeraad, 186 blz., prijs ƒ 34.50, uitgeverij Kok, Kampen, 1995.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's