De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bij het 450-ste sterfjaar van Luther (10nov. 1483-18 febr. 1546)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bij het 450-ste sterfjaar van Luther (10nov. 1483-18 febr. 1546)

9 minuten leestijd

(10nov. 1483-18 febr. 1546)

'Ik kan niet meer'

Eind 1545 sloot Luther zijn commentaar op Genesis af. Hij had er tien jaar lang college over gegeven, zij het met allerlei onderbrekingen vanwege ziekte en legio besognes. Aan het eind van zijn monumentale werk gekomen, voegde hij zijn studenten toe: 'Dit is nu de lieve Genesis. Onze Heere God geve, dat anderen na mij het beter zullen doen, ik kan niet meer. Ik ben zwak; bid God voor mij dat Hij mij een goed en zalig "Stündlein" (stervensstonde) zal verlenen'. Tien jaar eerder was hij al met zijn levenseinde in gedachten aan deze Genesisuitleg begonnen: 'Dit zal mijn laatste arbeid zijn. Hiermee zal ik, zo God wil, mijn leven afsluiten'. Het besef van de gebrokenheid en breekbaarheid van het aardse bestaan had hem levenslang begeleid. Maar tijdens zijn laatste levensjaren werd dit besef sterker. Typerend voor de stemming waarin hij vaak verkeerde, is een brief aan Jacob Probst (maart 1542): 'Ik heb niet veel tijd om te schrijven. Ik ben moe van ouderdom en arbeid, "oud, koud en benauwd", zoals het spreekwoord zegt. Maar dit betekent niet dat men mij met rust laat. Integendeel, iedere dag opnieuw plaagt men mij met allerlei kwesties en correspondentie. Ik weet meer dan u van de dreiging der tijden. De wereld gaat haar ondergang tegemoet. Dat blijkt duidelijk uit het woeden van de satan en het doen en laten van de mensen, die zich als beesten gedragen. Slechts één troost blijft ons, dat de grote dag nabij is. (...) Mijn Leentje, uw dochtertje (petekind) door de heilige doop, heeft de goudgulden die ge haar gezonden hebt, ontvangen en dankt u daarvoor. Ook moet ik u en uw echtgenote de eerbiedige groeten doen van mijn "heer en Mozes", vrouwe Kathe. Bid voor me, dat ik ter rechter tijd mag heengaan. Ik heb genoeg van dit leven, juister gezegd: van deze ellendige dood. De Heere zij met u. Amen.' Toch zou zijn pelgrimstocht toen nog vier jaar duren. Op 18 februari 1546 was het zover.

'Dat lapt me die duivel altijd'

De plaag van 'allerlei kwesties' bleef hem achtervolgen. Als raadsman stond hij nu eenmaal in hoog aanzien. Daarom kon hij zich in 1546 ondanks zijn slechte gezondheidstoestand, rnoeilijk onttrekken aan het verzoek om bemiddelend op te treden in een conflict dat zich al jaren voortsleepte tussen de twee graven van Mansfeld, het gebied waaruit hij staamde. Midden in de koude winter - januari 1546 - ondernam hij, vergezelschapt door zijn drie zoons en zijn bediende, de reis van Wittenberg, waar hij sedert 1511 woonachtig was, naar Eisleben. Daar zouden de onderhandelingen plaatshebben. Het was het stadje waar hij geboren en gedoopt was. Hij zou er ook overlijden.

Het was een veelbewogen, spannende tijd: de Schmalkaldische oorlog (1546-47) tussen protestantse vorsten en keizer Karel brak uit, en de eerste zitting van het Concilie van Trente was net begonnen. Maar ook door kleinschaliger zorgen werd hij omringd. Om Eisleben te kunnen bereiken moest men de rivier de Saale oversteken. Eerst werd het gezelschap door ijsgang opgehouden. En toen men eenmaal de oversteek kon wagen, brak er een storm los die het scheepje bedreigde. Luthers reactie was typerend: 'Zou de duivel dan niet zijn zin hebben, als ik met mijn drie zoons in het water was verdronken? ' In een brief die hij aan Kathe stuurt, noemt hij - met zijn onverwoestbare humor - de Saale 'een grote wederdoper'! Half bevroren en met zware hoofdpijn kwam Luther in Eisleben aan. 'Dat lapt mij de duivel altijd, als ik iets groots moet verrichten. Bij voorbaat valt hij me met zijn verzoekingen fel aan.' Met warme doeken ingewreven, maakte hij zich gereed voor zijn taak, zo goed en zo kwaad als het ging. Nog afgezien van de moeizame onderhandelingen, ontving hij veel gasten, ordineerde hij twee geestelijken en preekte hij viermaal. De laatste keer op 15 februari. Hij brak af met de woorden: 'Ik ben te zwak, we zullen het hierbij laten'. Hij vergat ook niet, met regelmaat zijn vrouw op de hoogte te houden, die hij grappend betitelde als 'diepgeleerde Frau Doktorin Katherin Lutherin'. Op haar bezorgde vragen reageerde hij met milde ironie: 'Laat me met rust met je bezorgdheid. Ik heb een betere Verzorger dan jou en alle engelen. Die ligt in de kribbe en hangt aan de borst van een maagd, maar zit nochtans aan de rechterhand van God de almachtige Vader'.

'In het Woord zalig'

Zijn gewoonte om dagelijks langdurig in gebed te zijn gaf Luther niet op. Zijn trouwe vriend Johann Mathesius legt er verslag van af: "s Avonds, alvorens naar bed te gaan, stond hij bijna een halfuur onder het venster, zag omhoog naar de hemel, en wentelde al zijn zorgen op de Heere, opdat de trouwe en waarachtige God zijn arme ziel als een bundeltje zou inwikkelen en getrouw mocht bewaken, en hoe eerder hoe liever uit deze boze wereld zou wegnemen'. Op 7 februari schreef hij in de huispostille van één van zijn vrienden: 'Wie mijn Woord bewaart, die zal de dood niet zien in eeuwigheid'. Zijn uitleg daarvan vermeldt: 'Hoe ongelooflijk is dat gesproken en tegen de zichtbare en dagelijkse ervaring. Nochtans is het de waarheid. Wanneer een mens met ernst Gods Woord in het hart overdenkt. Hem gelooft, en wanneer hij daarmee inslaapt en sterft, dan reist hij af eer hij de dood bemerkt en ziet, en is hij voorzeker zalig in het Woord, dat hij geloofd en overdacht heeft'.

'In Uw handen beveel ik mijn geest'

Ondertussen had hij al zijn gezag en wijsheid aan te wenden om, althans voor het uiterlijke, een verzoening tussen de graven van Mansfeld tot stand te brengen. Op 17 februari werd het verdrag ondertekend, mede door Luther zelf. Tegen de avond van die dag verergerde zijn ziekte. Artsen, graaf en gravin werden geroepen. Van negen tot tien legde hij zich op een bank om te rusten. Toen stond hij op om naar zijn slaapkamer te gaan. Op de drempel staande zei hij: God regere. Ik ga naar bed. In Uw handen beveel ik mijn geest, Gij hebt mij verlost, Gij trouwe God' (Ps. 31 : 6). Op zijn bed liggend gaf hij allen de hand, wenste hen een goede nacht en zei: Bidt voor onze Heere God en voor Zijn Evangelie, dat het daarmee goed zal gaan, want het Concilie van Trente en die afschuwelijke paus toornen hard tegen Hem'. Om één uur in de nacht vroeg Justus Jonas, een van Luthers boezemvrienden, hoe het met hem ging. 'Ach, Heere God', antwoordde Luther, 'wat een pijn heb ik. Lieve Doctor Jonas, ik geloof dat ik hier in Eisleben, waar ik geboren ben en gedoopt ben, zal blijven'. Doktershulp kon niet meer baten. Hij voelde het einde naderen. Zijn gebed was: O mijn hemelse Vader, en Vader van onze Heere Jezus Christus, Gij God van alle vertroosting, ik dank U dat Gij mij Uw lieve Zoon Jezus Christus hebt geopenbaard, in Wie ik geloof. Die ik gepredikt en beleden heb. Die ik geliefd en geprezen heb. Die die afschuwelijke paus en alle goddelozen onteren, vervolgen en lasteren. Ik bid U, mijn Heere Jezus, laat U mijn arme ziel bevolen zijn. O hemelse Vader, hoewel ik dit lichaam zal verlaten en uit dit leven weggerukt zal worden, weet ik toch gewis, dat ik bij U eeuwig leven zal en dat niemand mij uit Uw handen rukken zal'. Steeds weer bad hij de woorden van Psalm 31:6. Toen hij stiller en stiller werd, riep Justus Jonas: Reverende (geëerde) vader, wilt ge in het geloof in de Heere Jezus Christus sterven, en blijft ge bij de leer die ge in Zijn Naam verkondigd hebt? ' Met duidelijke stem antwoordde Luther: Ja!' Daarop sliep hij rustig in, in de armen van zijn Zaligmaker, als een kind in de armen van zijn moeder, zoals hij het zelf ooit had genoemd. Het was drie uur in de morgen, 18 februari 1546.

'Wij zijn bedelaars'

Op zijn werktafel in de kamer waar hij logeerde trof men een papiertje aan, dat hij kort voor zijn heengaan had geschreven. De tekst vormt een soort geestelijk testament, waaruit blijkt wat de Schrift voor hem betekende en wat zijn eigen existentiële houding was ten opzichte van het Woord Gods. Hij schreef: 'Vergilius in zijn herdersgedichten en boerenliederen kan niemand verstaan, als hij geen vijf jaar herder of boer is geweest. Cicero in zijn brieven - dat durf ik beweren - verstaat niemand, wanneer hij niet twintig jaar doorkneed werd in de grote politiek. De Heilige Schrift mene niemand voldoende te hebben geproefd, wanneer hij niet honderd jaar met de profeten de gemeenten heeft geleid. (...) Buig u aanbiddend over Zijn sporen. Wij zijn bedelaars. Dat is waar'.

Het lichaam van de overledene werd in een lang wit linnen gewaad gekleed en opgebaard. Honderden trokken er langs. Justus Jonas hield in de St. Andreaskerk van Eisleben de lijkrede (over 1 Thess. 4 : 13-18). In Wittenberg werd Luther begraven. Bugenhagen hield de preek (eveneens over 1 Thess. 4). Na hem verzorgde Melanchthon, als vertegenwoordiger van de universiteit, een gedachtenisrede in het Latijn.

'Niet meer ik leef'

Wat was het geheim van Luthers heengaan in volle geloofsverzekerdheid? Niemand minder dan Christus, zijn Heiland, Die zich voor hem plaatsbekledend in het gericht had gesteld en de angel van de dood gebroken had, en Die in de belofte van het Evangelie Luther had verzekerd van het eeuwige leven. Zoals bekend behelsde Luthers reformatorische ontdekking een nieuw verstaan van de gerechtigheid Gods. Het licht nu dat hem daarover opging was niet zozeer dat deze gerechtigheid een geschonken i.p.v. een eisende gerechtigheid was - dit was in de traditie stellig geen onbekende gedachte - , maar veeleer dat deze door het geloof omhelsde gerechtigheid in Christus meteen ook het volle heil en de heilszekerheid insloot. Deze geschonken gerechtigheid betekende nu niet langer de mogelijkheid om zich alsnog via de heiliging van het leven acceptabel te maken voor God in het komende gericht, waar de definitieve beslissing pas zou vallen, maar dat de gelovige, zoals Luther bij Joh. 1:18 aantekent, 'in Christus reeds door het eindgericht is heengekomen'. De beslissing is gevallen! De heilszekerheid die door dit geloofsstandpunt wordt teweeggebracht, is wellicht niet beter te illustreren dan met een anekdote uit Luthers (aangevochten) leven. Daarmee sluit ik af.

Op een dag klopte de duivel op Luthers deur aan, met de dreigende vraag, of hier een zekere Martinus Luther woonde. 'Nee', zei Luther, 'die woont hier al geen 1500 jaar meer.' 'Maar', vroeg de duivel, 'wie woont hier dan? ' Waarop Luther antwoordde: 'Hier woont Jezus Christus! Ik ben met Christus gekruisigd en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.'

Wie in geloof dit leven kent, heeft dood en oordeel achter de rug, en leeft met de heerlijkheid in het verschiet, alle doodsmachten ten spijt. Met alle respect voor de herdenking van Luthers 450-ste sterfjaar - , Luther stierf in het jaar 33, het leven tegemoet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Bij het 450-ste sterfjaar van Luther (10nov. 1483-18 febr. 1546)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's