De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkelijke tucht, kan dat nog? (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkelijke tucht, kan dat nog? (2)

8 minuten leestijd

De visie van Luther en Calvijn

Luther belijdt heel sterk Christus als het Hoofd der kerk. Geen canoniek kerkelijk recht mag in de kerk heersen, alleen het Woord Gods. Waar het Woord is (met de sacrementen), daar is de kerk. Luther ziet de tucht dan ook niet als een kenmerk van de ware kerk. Er is bij hem sprake van een reductie tot de prediking van het Woord. De eigenlijke sleutelmacht wordt geoefend door de prediking van wet en evangelie. Luther wil wel de biecht handhaven, maar als geschiedend in naam van de gemeente en naar de regel van Matth. 18. De ware gemeente, die zulk een tucht kan oefenen, is er echter volgens Luther nog niet. Er is nog niet genoeg gepredikt. De tijd is nog niet rijp. Zo blijft hij bij de gemeente 'van de grote hoop', hoewel de ontwikkeling tot landskerk hem niet geheel bevredigt. Na de boerenoorlog van 1523 komt het bestuur van de kerk onder de overheid, ook de handhaving van de leer en de tucht. Luther wil aan de gemeente een plaats geven, maar hij bereikt dit doel niet. De overheid ziet helaas niet de evangelische zijde van de tucht en vat haar eenzijdig op als straf.

Calvijn is een sterk voorstander van de kerkelijke tucht. Hij onderscheidt daarbij duidelijk de kerk en de staat met elk een eigen terrein. De overheid heeft op haar terrein een dwingende macht, de kerk heeft alleen geestelijke middelen. In de kerk moet geen wanorde zijn.

Hij verzet zich fel tegen de tuchtoefening in de Roomse Kerk en bij de Dopers.

Het boetestelsel, dat zich in de oude kerk ontwikkelde, wijst hij af. Het gaat wel om strengheid, maar gepaard met zachtmoedigheid. De sleutelmacht werpt op zichzelf niet in de verdoemenis, maar garandeert die wel in geval men zich niet bekeert van zijn verdoemelijke wandel. De ban bedoelt juist de mens tot de weg van de zaligheid terug te roepen.

Calvijn pleit ook voor geduld. Een slappe tuchtoefening in de kerk moet niet verleiden tot een handelwijze als die der Donatisten en Wederdopers, die zich van de kerk afscheiden. Zij richten scheuring aan. Als zeer velen door de smet der zonde zijn aangestoken, zegt Calvijn, moet de strengheid der tucht getemperd worden. Een hele menigte af te snijden is niet nuttig, maar schadelijk. Men geve liever onderwijs en vermaningen.

Calvijn heeft de pauselijke hiërarchieke tuchtoefening scherp afgewezen. Volgens de roomse regel mocht men de geëxcommuniceerde niet helpen met voedsel, brandstof enz. Calvijn wijst op Paulus, die schrijft, dat het afgesneden gemeentelid niet als een vijand maar als een broeder moet worden beschouwd. Niet alleen tegen de roomse visie verzette Calvijn zich. Ook tegen die van de Dopers.

Hij pleit wel evenals de Dopers voor de tucht, maar hij heeft niet, zoals zij, het ideaal van een zuivere kerk (niet in zedelijkethische zin). Het gaat om de eer van God en het heil van de zondaar. Er mag geen gemeenschap zijn met hen, die zich christen noemen en toch openlijke echtbrekers, gierigaards enz. zijn.

De. Dopers menen, dat waar de tucht ontbreek of slecht functioneert, geen kerk is, en het Heilig Avondmaal niet ontvangen mag worden. Calvijn betreurt wel zulk plichtverzaken t.a.v. de tucht, maar, zo zegt hij, daar blijft wel een kerk! Ook al is zij dan gedeformeerd. Waar het Woord wordt gepredikt en de sacramenten worden bediend, daar is de kerk. Deze beide zijn de kentekenen van de kerk. De tucht is wel belangrijk, maar behoort niet tot het wezen van de kerk. Dit lijkt wel op Luthers visie, doch het gaat bij Calvijn niet om een reductie, maar om een concentratie op het Woord.

Om nog wat scherper zicht op dit alles te krijgen wil ik hier nog iets zeggen over Calvijns visie op het perfectionisme. De kerk is niet vrij van gebreken. Denk aan de gelijkenis van het visnet en de gemeente te Corinthe. Toch moet men de kerk niet verlaten, wanneer de dienst van Woord en sacramenten zuiver wordt onderhouden.

Calvijn onderscheidt dan afwijkingen in leer en in leven. Wat de leer betreft, acht hij alleen scheiding geoorloofd als 'de hoofdpunten van de christelijke leer in het geding zijn'. Om kleine geschillen moet men niet met de kerk breken. Zo'n klein geschil is bijv. (!) de kwestie van de 'tussentoestand', waar de ziel van de mens na dit leven is.

Calvijn staat dus geen perfectionisme voor in de leer. Evenmin in de levenswandel. Daarin is hij nog verdraagzamer. Hij vergelijkt de Dopers met de vroegere Katharen en Donatisten. Wel erkent hij enig gelijk bij de Dopers, want wij kunnen onze vervloekte traagheid niet excuseren. Maar, zo oordeelt hij, zij gaan tot onmatige strengheid. Zij menen, dat daar geen kerk is, waar geen volkomen zuiverheid des levens is. De kerk blijft een 'corpus permixtum', een gemengde hoop. Hij verwijst naar de apostel Paulus, die zelfs onder de Galaten iets van een kerk erkent.

Hoe is het nu na Luther en Calvijn verder gegaan, en dan voornamelijk in Nederland?

De Gereformeerde Kerk in de Nederlanden

Reeds op het belangrijke convent van Wezel in 1568 werden de grondlijnen uiteengezet voor het kerk-zijn in ons land. In 1571 kreeg dit een vervolg op de synode van Emden. Men bepaalde daar, dat de kerkelijke tucht in iedere gemeente onderhouden behoort te worden. Zij is de taak van de dienaar des Woords met de ouderlingen. Ze omvat leer en leven der gemeenteleden. De verborgen zonden, die een ouderling ontdekt, zal hij geheim houden en persoonlijk met de zondaar bespreken, mits zijn zonde geen gevaar oplevert voor het algemeen welzijn of de kerk. Wil iemand, die heimelijk gezondigd heeft, naar de vermaning van de ouderling (of zo hij naar één niet luisteren wil, van twee of drie personen) niet horen, dan zal men de zaak in de kerkeraad brengen. Dat moet men ook terstond doen met een openbare zonde. Voor openbare zonden moet openlijk verzoening geschieden, hetzij voor de kerkeraad, hetzij op een andere manier, al naar men dienstig acht.

Wie hardnekkig de vermaningen van de kerkeraad in de wind slaat, wordt van het Heilig Avondmaal geweerd. Heeft dat enige tijd geduurd en toont hij nog steeds geen berouw, dan wordt hij van de gemeente afgesneden. Deze laatste fase wordt voorafgegaan door openlijke vermaning vanaf de kansel, waarbij de eerste keer nog niet de naam van de zondaar wordt genoemd. De tweede keer wel. De derde keer houdt de afkondiging tevens de mededeling in, dat hij zal worden geëxcommuniceerd, tenzij hij zich bekeert.

Deze grondlijnen zijn in latere kerkorden steeds overgenomen. Ook wordt dan gesproken over het opzicht over de ambtsdragers. Een paar jaar later werden in 1586 op de nationale synode te 's-Gravenhage de formulieren opgesteld voor de ban en voor de wederopneming. Deze formulieren kunt u achterin uw kerkboek vinden.

De Gereformeerden streefden in principe de algehele zelfstandigheid van de kerk na ten opzichte van de overheid. Dus geen staatsbemoeienis in kerkelijke zaken.

Maar zij waren daar toch wat tweeslachtig in. Enerzijds erkenden zij geen macht van de overheid in de kerk, maar anderzijds wel macht van de overheid omtrent de kerk. (Geen jus in sacra, wel jus circa sacra.) Zij pleitten dus wel voor de eigen zelfstandigheid van de kerk, maar wilden toch de goede band met de overheid bewaren en bevorderen. Vandaar dat verschillende synoden de overheid toch heel wat toestonden. Zo bepaalde de genoemde synode van 's-Gravenhage, dat de overheid moest toestemmen bij het vertrek van een predikant naar een andere gemeente. Ook zou er vooroverleg zijn bij het bijeenroepen van een synode. Men hoopte zo de steun van de overheid te krijgen bij de uitvoering van de synodebesluiten! Dit doel werd echter niet bereikt en het gevolg was eigenlijk de belemmering van de vrijheid van de kerk door de overheid. Ook hielp de overheid niet om de afwijkende leer der Arminiamen uit de weg te ruimen.

Op de nationale synode te Dordrecht werden ruim 200 remonstrantse predikanten afgezet. Zij werden wel met hulp van de regering verbannen, maar een nationale synode werd vervolgens door de overheid niet meer bijeengeroepen.

Nog één voorbeeld van de verwarring van die tijd: toe in 1688 de stadsregering van Rotterdam geen goedkeuring gaf op het beroep op ds. Combrugge, bestreed W. a Brakel dit vanaf de kansel. De overheid schorste hem toen en hield zijn traktement in. Dankzij stadhouder Willem III kon hij toch doorwerken.

We mogen wel bijzonder dankbaar zijn, dat de overheid vandaag de dag niet meer zulk een bemoeienis met het kerkelijk leven heeft. Ook al moeten we eerlijk onder ogen zien, dat dit mede te maken heeft met het liberale, ongereformeerde standpunt, dat de overheid neutraal is.

De volgende maal wil ik enkele voorbeelden van tuchtoefening geven uit die tijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Kerkelijke tucht, kan dat nog? (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's