Globaal bekeken
Uit een boek, getiteld 'Het derde testament', een bundel 'verhalen uit de joodse traditie' (uitgave Meulenhoff, Amsterdam) de volgende fragmenten"
• Toen Mozes de tien geboden op de berg Sinai ontving, dansten de kinderen van Israël rond het gouden kalf. Zij werden met ziekte geslagen en dertigduizend stierven. Mozes, de grootste van alle profeten, bad tot God en zei: "Heer, hoe kan u zoveel van uw kinderen zo laten sterven? " En de Heilige, gezegend zij hij, antwoordde: "Ik deed het om dat zij zondigen". "Maar hoeveel zondaren waren er? " vroeg Mozes. "Denk eens aan alle onschuldigen die ook vielen!" Na enige tijd viel Mozes in slaap en toen hij sliep kropen een paar mieren over zijn voet en beten hem en hij sloeg ze dood. "Mozes", zei God, "waarom heb je die mieren gedood "Omdat ze mij beten", zei Mozes. "Door hoeveel mieren ben je gebeten? " vroeg God. 'Twee? Drie? Desondanks heb je er een paar dozijn gedood! Net zoals jij de mieren die jou niet beten niet kon onderscheiden van de mieren die niets deden, zo kon Ik de zondaren niet van de onschuldigen onderscheiden."
Zoals het gezegde luidt: "Het vuur in het bos kent geen goede en slechte bomen".
• 'Een man was ter dood veroordeeld en zat op een wagen die door twee paarden werd getrokken, de beul naast hem. Hij wist dat hij niet aan zijn lot kon ontsnappen, hij wist dat de paarden niet zouden stoppen en dat de wagen met elke stap dichte bij de galg kwam. Het enige wat hij niet wist was hoe lang het zou duren voor hij daar was. Het kon een uur zijn, een dag, een jaar, maar verder lag alles vast.
Als zo'n man iets onbenulligs langs de weg zou zien, denk je dan dat hij er ook maar de minste acht op zou slaan?
Dat zijn de omstandigheden waarin wij allen verkeren, leder van ons weet dat hij moet sterven, en de twee paarden zijn de dag en de nacht die nooit ophouden voort te gaan. En ook al weet niemand of zijn dood nabij of veraf is, het lijdt geen twijfel dat dat is waar we allemaal heen reizen.
Deze parabel vertelde Rabbi Nachman van Bratslav aan zijn chassidiem.
• Tenslotte een fragment van de atoomgeleerde J. R. Oppenheimer 'Oorlog en de naties':
'Eind 1942 besloten we te gaan werken aan de bommen zelf. Op 16 juli 1945, vroeg in de ochten werd de eerste bom tot ontploffing gebracht. Het ging beter dan we hadden verwacht. Een van de bewakers zei: "De geleerde heren hebben de zaak mooi uit de hand laten lopen". Die dag ontmoetten de president van de Verenigde Staten, de premie van Engeland en Stalin elkaar in Potsdam. Omda dr. Bush mij dat had verteld, verkeerde ik in de veronderstelling dat de president de gelegenheid te baat zou nemen Stalin van deze onwikkeling op de hoogte te brengen, niet om hem te vertellen hoe je een bom kon maken, want dat wist de president niet, maar om iets te doen wat op dat moment belangrijk leek, namelijk de Russen in deze onderneming te behandelen als bondgenoten en met hen te bespreken hoe we met deze nieuwe situatie in de wereld om zouden gaan. Zo is het niet gelopen. De president heeft wel wat gezegd, maar het is volkomen onduidelijk of Stalin het begrepen heeft of niet. Niemand was erbij, behalve Stalins tolk van dat moment en de president, die geen Russisch sprak. Het was maar een terloopse opmerking, niet meer dan dat.
De bommen werden ingezet tegen Japan. Dat was door Roosevelt en Churchill voorzien en in principe goedgekeurd tijdens een ontmoeting in Canada en later in Hyde Park (N. Y.). Er werd heel vanzelfsprekend over gedaan; er werden wel wat vragen gesteld, maar ik geloof dat er nauwelijks beraadslagingen plaatsvonden en als die er al waren dan is daar weinig over bekend. (...)
Die plannen werden met ons besproken; ze impliceerden, schatte men, een half miljoen tot een mijoen slachtoffers aan geallieerde zijde en twee keer dat aantal aan de kant van de Japanners. Desondanks ben ik van mening dat als de bommen dan toch gebruikt moesten worden er beter voor gewaarschuwd had kunnen worden, zodat de slachtpartij die plaatsvond minder wreed was geweest dan in het heetst van de stijd en de verwarring die de actie met zich meebracht het geval was. Dat is zo'n beetje alles wat ik er terugblikkend van vind. Dat en nog iets anders: ik ben erg blij dat de bom niet geheim werd gehouden. Ik ben blij dat we allemaal wisten, zoals sommigen van ons al eerder wisten, wat er aan de hand was en welke aanpassingen er in het leven van de mensen en in de politiek nodig zouden zijn. Dat waren de dagen waarin we allemaal dronken op die ene toost: "Nooit meer oorlog".'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's