De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rumoer rondom Luthers graf

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rumoer rondom Luthers graf

9 minuten leestijd

Eindelijk gerechtigheid!

Het jaar 1996 staat in het teken van de herdenking van het 450ste sterfjaar van Luther. Op 18 februari 1546 ging Maarten Luther, in de plaats van zijn geboorte, heen in de vreugde van zijn Heere en Heiland. Niet ver van de kerk waarin hij ruim 62 jaar eerder gedoopt was en het teken en zegel van Gods genadige trouw ontvangen had, en op een steenworp afstand van de kansel waar hij enige dagen tevoren het Evangelie nog had mogen verkondigen, stond zijn sterfbed. De dood was levenslang zijn metgezel geweest. Hoezeer was zijn leven bedreigd geweest door ziekten en vijanden. Het was een wonder dat hij in vrede, omringd door velen die hem lief waren zijn ziel in Gods handen mocht bevelen met de woorden van Psalm 31 : 6 die hij al stervende telkens weer bad. De stervensgenade was dezelfde als in het leven ontvangen: de redding van Gods gerechtigheid (Psalm 31:2)! Tot in zijn sterven was die gerechtigheid in het geding, bij vriend en vijand.

Een leugenachtig doodsbericht

Luthers dood was een moment waarop zijn vijanden met groot verlangen hadden gewacht. Men hoopte dat de omstandigheden van het sterven duidelijk zouden maken dat Luther in zijn leven een instrument was geweest van de duivel. Eindelijk gerechtigheid! Immers, in het sterven bewijst zich de waarachtigheid van wat in het leven het geloof was. Daar was men in Luthers dagen heilig van overtuigd. Het duurde echter zo lang voordat Luther werkelijk stierf, dat men haast niet langer kon wachten. Vandaar dat er een klein jaar voor Luthers dood reeds een opmerkelijk geschriftje verscheen, waarin vermeld werd dat Luther gestorven was, en vooral de wijze waarop hij was heengegaan en wat er na zijn sterven gebeurde. De inhoud van het smaad-en leugenschrift was te dwaas voor woorden. Het vertelt dat Luther toen hij stervende was het Heilig Sacrament nog had begeerd, en ook verlangd had, dat men hem als hij gestorven was op een altaar zou zetten, om hem voortaan te aanbidden. Echter, gaat het verder, na Luthers begrafenis was er een rumoer alsof de hel in elkaar stortte. Wat gebeurde er namelijk? De heilige hostie die door Luther zo onwaardig ontvangen was, ontsteeg aan Luthers lichaam en ging voor aller oog ten hemel. En de andere dag, toen er kennelijk weer zo'n hels rumoer was en de mensen bij Luthers graf gingen kijken en dat openden, vonden ze er niets meer in dan alleen een vreselijke en ziekmakende stank. Door al deze 'wondertekenen' overtuigd, hebben zijn vereerders zich gelukkig weer bekeerd tot het ware geloof. Tot zover dit boosaardig en voorbarig 'in memoriam'.

Een derdelijk lastergeschrift zou geen aandacht waard zijn geweest en zondermeer vergeten zijn als Luther het niet zelf uit had laten geven. Hij had, nadat hij het via Philips van Hessen ontvangen had, over de schrijver al spottend gezegd: Het is een arme barmhartige "Scheispfaff", die graag goed wil doen, maar toch niets in zijn buik heeft'. Maar waarom wilde Luther het dan toch gepubliceerd zien? Niet dat het een antwoord waard was, maar Luther wilde graag duidelijk maken dat hij het zelf gelezen had. Dat was de beste triomf over de laster, en tegelijk een machtig teken van de zegen en rust van zijn geloof in het zicht van de dood. In een kort naschrift laat hij weten dat hij het, afgezien van de godslastering tegen Gods heilige majesteit, het nog 'vrolijk' heeft zitten lezen ook. Het had iets vermakelijks, maar niet zonder de heilige ernst. Laat ze de gang maar gaan, zegt Luther, hij zal wel toezien hoe ze zalig moeten worden, of hoe ze al hun leugen en godslastering, waarmee ze de wereld vullen, moeten boeten en herroepen. Hoe machteloos waren kennelijk de pogingen van de vijanden om vat op Luther te krijgen tijdens zijn leven. Zijn geloof stond immers voor leven en sterven vast in het woord van de zo geliefde Psalm 118 : 17 'Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des Heeren vertellen'.

In zijn kostelijke uitleg van deze Psalm zegt Luther: 'De duivel of vervolger dringt, samen met de dood, op de heiligen aan. Maar wat doen zij? Zij keren de ogen, ja zichzelf geheel van hem af, ontledigen zich volkomen, houden zich vast aan de hand van God en zeggen: Ik hoef niet te sterven, zoals jij, duivel of tiran, beweert, je liegt, ik zal leven! Want ik wens niet over mijn werken of die der mensen te spreken; ik weet niets meer van mijzelf, noch van mijn heiligheid, maar de werken des HEEREN, die heb ik voor ogen en daar wil ik over spreken, die prijs ik, daarop verlaat ik mij'. Zo heeft Luther geleefd, en velen zijn er getuigen van geweest dat Luther zo ook is gestorven, alle verhalen van zijn vijanden voor en na zijn sterven ten spijt. Machteloze haat heeft nog enkele boosaardige fabelen over zijn 'jammerlijke einde' opgeleverd. Hij zou door zijn vrouw vermoord zijn, door de duivel geworgd, hij zou zichzelf in vertwijfeling het leven benomen hebben. Men wist van ergernis niet wat men aan onzin bedenken moest. Maar de trieste achtergrond van dit alles is, dat men vanuit de 'onmogelijkheid van de heilszekerheid' eenvoudig niet geloven kon dat een mens louter op kosten van Christus' genade zo rustig en in volle vrede sterven kon.

'Hoog bezoek' aan het graf

Eindelijk gerechtigheid? Naast de merkwaardige en mislukte poging om Luther te onderwerpen aan de 'gerechtigheid' van zijn vijanden een jaar voor zijn sterven is er ook een opmerkelijk verhaal over een gebeurtenis die ruim een jaar na zijn sterven heeft plaatsgevonden. Op 25 mei 1547 bezocht keizer Karel de Vijfde de stad Wittenberg. Hij had in de Schmallkaldische oorlog de zegen behaald op de protestanten en kwam als overwinnaar in de verslagen stad van Luther. Zijn bezoek werd gekenmerkt door een grote mildheid ten aanzien van de overwonnenen, waarschijnlijk ook uit politieke motieven. Er was echter geen sprake van een streng gericht over de 'ketters'.

Tijdens zijn bezoek zou Karel V, vergezeld van zijn edelen, ook een visite gebracht hebben aan het graf van Luther Vijfentwintig jaar eerder had hij als jonge keizer oog in oog gestaan met de vastberaden monnik, wiens geweten gebonden was in het Woord. Nu stond hij daar als overwinnaar aan het graf van de 'onruststoker' van zijn rijk. Twee van zijn metgezellen kennen wij maar al te goed. Ze hebben voor Nederlanders voor altijd een naam met ene boze klank. Het waren Alva en Granvelle, de twee latere hoofdpersonen van de wrede onderdrukking van de Reformatie in de Nederlanden.

Toen Alva er zeer sterk op aandrong het lichaam van de 'ketter' op te graven en alsnog te verbranden, moet Karel geantwoord hebben: 'Laat hem rusten tot hij zijn Rechter vindt'. Granvelle probeerde op zijn beurt vervolgens om Alva's verzoek kracht bij te zetten. De keizer antwoordde hem echter: 'Ik moet niet tegen doden, maar tegen levenden oorlog voeren'. Niet zozeer dus een erkenning van Luther, als wel de grootmoedigheid van de keizer is er de oorzaak van geweest dat Luther niet door een postuum kettergericht werd getroffen. Al zijn er misschien twijfels of de traditie van Karels persoonlijk bezoek aan Luthers graf wel helemaal betrouwbaar is, toch zijn er voldoende aanwijzingen dat de keizer bij zijn bezoek aan Wittenberg in ieder geval geen behoefte heeft gehad om Luthers graf te laten schenden. Vandaar dat men het eenvoudige grafteken tot de dag van vandaag nog vinden kan onder de kansel van de Slotkerk in Wittenberg. Ook een jaar na zijn sterven is Luther dus niet het slachtoffer geworden van de 'gerechtigheid' van zijn vijanden. Al zouden de twee metgezellen, die toen hun zin niet kregen, decennia later nog genoeg gelegenheid vinden om hun duivelse haat te botvieren op Luthers geestelijke erfgenamen in de Lage Landen bij de zee.

Bedelaarsgerechtigheid

Wij herdenken dit jaar het feit dat Luther vierenhalve eeuw geleden is gestorven. Zijn erfenis is tot de dag van vandaag een rijke schat. In zijn sterfkamer werd een laatste aantekening gevonden. Luther had tot het einde toe zijn leven gevonden in het Woord. Een leven lang had hij daaruit geleefd en daarin geademd. Het Woord van de Goddelijke gerechtigheid in leven en sterven. En nog steeds was het wonder hem te groot. Hoe meer hij erin vond, hoe minder hij nog verstond, omdat de wonderen van Gods Woord alle heiligen altijd weer te machtig zijn. 'Waag je niet aan deze goddelijke Aeneis, maar buig je aanbiddend over zijn sporen', zo schreef hij, en hij bedoelde: denk niet dat je het hebt, al heb je nog zoveel geleerd, je moet het altijd weer zoeken en vinden. En zo geeft de Heere Zijn heil in leven en sterven te ontvangen. En daarom sloot Luther het laatste wat hij schreef af met de zo beroemd geworden woorden: 'Wij zijn bedelaars, dat is waar'.

Verstaan wij na vierhonderdvijftig jaar deze woorden nog? Onlangs hoorde ik een radio-interview waarin een lutherse predikant door een verslaggeefster werd ondervraagd over een Luthertentoonstelling. Ze bleek het laatste woord van Luther, over de bedelaars, te kennen. Alleen liet ze merken dat ze er niet veel van begreep toen ze vroeg, waarom Luther aan het eind van zijn leven zo teleurgesteld was dat hij dit schreef... Hij had kennelijk niets bereikt? Wat mij toen zo teleurstelde was dat deze lutheraan de gelegenheid niet aangreep om haar eens uit te leggen, dat hier absoluut geen sprake was van mislukking, maar juist van de wondere kruisgestalte van het geloof. Geloof dat arm is en niets in handen heeft, en nochtans rijk is in Christus en Zijn gerechtigheid! Integendeel, hij ging positief in op de vraag en zei alleen iets over de tegenslagen die Luther aan het einde van zijn leven had moeten verwerken... Jammer, want wat was dat een prachtige gelegenheid om Luthers erfenis door te geven, ook voor vandaag: Dat er 'eindelijk gerechtigheid' is, die ver over dood en graf heenreikt, tot in het eeuwige leven waar 'bedelaars' die in Christus sterven voor altijd en eeuwig erven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Rumoer rondom Luthers graf

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's