Globaal bekeken
Op 22 februari Il. promoveerde drs. P. Buitelaar, werkzaam als bijstand in het pastoraat In diverse hervormde gemeenten, in Brussel op een proefschrift, getiteld 'Geloofsbevinding in de prediking'. We feliciteren de promovendus, nu doctor, van heler harte met dit resultaat van zijn studie. Hier volgen alle Stellingen bij het proefschrift.
Geloofsbevinding is de op de Schriften gefundeerde ervaring of beleving van de gemeenschap met en de kennis van God in Christus door de Heilige Geest, waardoor Hij een levende werkelijkheid wordt in ons hart èn in ons leven. In deze beleving spelen liefde, vrede en blijdschap een belangrijke rol.
Ervaringen op 'de toeleidende weg' kunnen leiden tot geloofsbevinding, maar behoren er zelf niet toe Men dient dit in prediking en pastoraat goed te onderscheiden.
Omdat geloofsbevinding wortelt in de Schriften, heeft zij ook een plaats in de prediking.
Prediking met een geloofsbevindelijk element kent een duidelijke cesuur tussen gelovigen en ongelovigen, heeft een appellerend en getuigend karakter en geschiedt in verstaanbare taal. De hoorders vormen niet alleen het adres van de prediking, maar worden ook met hun weerstanden, vragen en verwachtingen erbij betrokken. Het doel is dat zij hun weg leren gaan in het concrete leven waarin hun geloof getoetst wordt.
In het godvruchtige leven gaat het vooral om de liefde, de geboden van God en de christelijke vrijheid. Dit sluit zowel een ongebonden als een wettisch leven uit.
De prediker kan niet volstaan met de verkondiging van - naar het oordeel van de hoorders - relevant zaken. Dat zou de prediking te veel versmallen. De prediking dient juist de 'ik-gerichtheid' (wat ik als hoorder belangrijk vind) te overstijgen.
De positie van de hervormd-gereformeerden binnen de gereformeerde gezindte is moeilijk te bepalen, omdat de diversiteit zo groot is.
Men kan niet spreken van twee stromingen binnen de hervormd-gereformeerden. Er is veel meer variëteit. Slechts een deel van de hervormd-gereformeerde prediking kan worden omschreven als prediking met een geloofsbevindelijk element.
Het is nodig dat de prediker niet alleen rekening houdt met de belemmeringen in de harten van de hoorders, maar ook alles in het werk stelt om belemmeringen in zijn eigen prediking te ontdekken en weg te nemen.
De belemmerend werkende breedsprakigheid kom niet alleen in preken voor, maar ook in artikelen in theologische en kerkelijke periodieken.
Wat God zegt over de hoorders moet in de prediking in gesprek gebracht worden met wat de hoorders denken, voelen, geloven en niet geloven. God blijft in dat gesprek het eerste en laatste woord houden, omdat Hij God is.
Verbondsmatige prediking, waarin wordt voorbijg gaan aan het feit dat er tweeërlei kinderen van het verbond zijn, is in strijd met Johannes 1:11-13.
De vroegere strijd tegen de veronderstelde wedergeboorte dient te worden voortgezet als een strijd tegen het veronderstelde geloof.
Prediking die begint bij de zoekende mens staat op gespannen voet met de bediening van de verzoening die bij de biddende en roepende God begint ( Corinthe 5:11-21).
Een (gelovig) mens is soms zo moe van allerlei kerkelijke en organisatorische bedrijvigheden, dat hij opademt bij de woorden die H. Lütge eenmaal sprak tot A. Kuyper: 'Wat je doen moet, Kuyper? jij moet ophouden het zelf te doen en je moet het aan God overlaten, dat Hij het doe'. (K. Groot, Kohlbrugge en Kuyper in hun wederzijds contact, Baarn 1956, 221).
Bij discussies over de vrouw en het ambt of de bediening dient men zich te baseren op de Schriften. Het gaat daarbij niet alleen om de zogenaamde 'zwijg' teksten, maar om het geheel van de Schriften. De keuze van Christus voor (mannelijke) apostelen, terwijl Hij toch de vrouw hoog had staan, is veelzeggend.
Er dient in artikelen in theologische en kerkelijke periodieken meer aandacht te worden besteed aan wat de Schriften zeggen over 'geloof' en 'bevindin en kritischer te worden omgegaan met wat mense beweren. (Conform Artikel 7 van de N.G.B.)
Het gebrek aan geloofszekerheid is niet alleen te wijten aan een gebrekkige zelfkennis, maar ook aan onvoldoend onderwijs in wat de Schriften verstaan onder 'geloof' en 'geloven'.
De bestrating en het openbaar groen in Nederland - vooral in Rotterdam - bevinden zich in zo'n deplorabele toestand, dat vooral ouderen niet meer kunnen wandelen om van de 'jungle' te genieten.
In Opbouw (Nederlands Gereformeerd) troffen we in de rubriek 'Gedichten leren' van T. Hoekstra, het volgende over het gedicht Libero Nos, Domine van Geerten Gossaert:
De wind woei om het eenzaam huis
In 't laatste avonduur.
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij 't open vuur
Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan 't avondmaal.
Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laaide hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.
En 'k sprak en zei: "Ik ken u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij? "
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand.
En brak het brood met mij.
En ik herkende...; 's morgens vroeg
Is hij weer heengegaan...
Maar 't laatste van dit bitter lied
Zal God alléén verstaan.
'Gossaert (schuilnaam van F. C. Gerretson) was - één van de dichters die omstreeks 1910 begonne te publiceren. Enkele andere beroemde namen uit die "generatie van 1910" zijn J. C. Bloem en A. Roland Holst. Bij Gossaert denken we direct aan "bezielde retoriek": hij wist traditionele en afgesleten uitdrukkingen zo te gebruiken dat de betekenis ervan weer ging leven (zie b.v. teken noch taal). Me opzet gebruikte hij ook vaak woorden die in zijn tijd al verouderd waren.
Daardoor doen zijn gedichten nu extra ouderwets aan maar er is voor zijn werk nog steeds waardering. Laten we nu even naar het afgedrukte gedicht kijken.
Wat gebeurt er? Een vreemdeling komt ongenood binnen en gedraagt zich alsof hij thuis is. De ik-figuur is bang voor hem, durft niet te vragen wie hij is, maar de vreemde kent blijkbaar geen enkele schroom, neemt zelfs brutaalweg plaats aan tafel en eet mee. Bij de ik maakt de aanvankelijke angst plaats voor woede, haat zelfs. En dan opeens... herkenning! Iedereen denkt natuurlijk aan de geschiedenis van de Emmaüsgangers. Is die vreemdeling hier ook Jezus? Het lijkt erop. Maar toch... Waarom zwijgt de vreemde? Vanwaar die woede en haat bij de ik? En dan dat bitterschoon gelaat. Er zit iets tegenstrijdigs in dat woord, iets wat afstoot én iets wat lokt. Zie ook het slot. Wat moeten we daar nou mee? Gossaert heeft zelf de verklaring van het gedicht aangereikt. De vreemdeling is niet Jezus, maar de satan. De titel komt uit het Onze Vader. Daar staat: libera nos a malo. In het Nederlands: verlos ons van de boze. Hoe moeilijk is het vaak de wolf in schaapskleren te herkennen, de satan als lokkende verleider. Vindt u dit ook niet een intrigerend gedicht? Toevallig is er ook over ge schreven in het laatste nummer van Woordwerk. Aanbevolen voor wie zich er verder in wil verdiepen.'
Op 15 april a.s. is het 750 jaar geleden, dat graaf Willem II aan Delft stadsrechten verleende. Uit Kampioen (ANWB) het volgende:
• 'Ooit was Delft een rampstad. We schrijven 1536 als de hele stad Delft in lichter laaie staat. Blikseminslagen hebben een enorme stadsbrand veroorzaakt. De schade is groot: tweederde van de voornamelijk uit houten huizen bestaande stad is verwoest. Tien kloosters zijn totaal afgebrand. Duizenden Delftenaren zijn gevlucht, en een groot deel van de stadsarchieven is verloren gegaan. Een jaar later wacht Delft alweer de volgende ramp. Een pestepidemie breekt uit, waarbij honderden inwoners de genadeloze grijns van de dood niet kunnen ontwijken. In 1566 - het jaar van de beeldenstorm -wordt er in de kerken en kloosters van Delft flink huisgehouden. In 1618 gaat het stadhuis in vlammen op en op 12 oktober 1654 vliegt de kruittoren de lucht in. Het geluid van deze desastreuze ontploffing zou tot op Texel hoorbaar zijn geweest.'
• 'Het oudste deel van de stad bevindt zich rond de Oude Kerk, waar omstreeks 1100 de natuurlijke waterwegen werden gedolven. Aan dit "delven" dankt Delft trouwens haar naam. Het was regentes Ricardis die het in 1246 de hoogste tijd vond dat Delft stadsrechten kreeg. De handel zou alleen dan kunnen floreren als de nederzetting werd losgemaakt van het algemene landrecht. Graaf Willem liet zich door de regentes overtuigen en verleende de 500 Delftenaren op 15 april 1246 stadsrechten. Daarmee werd Delft na Haarlem en Dordrecht de derde stad van Holland. "Een bedachte stad", volgens Van Walsum, de huidige burgemeester. "Delft is niet een gegroeide stad, die op een gegeven moment de stadsrechten waardig bevonden is. Nee, Delft is het Zoetermeer van de 13de eeuw", aldus Van Walsum, die er ironisch aan toevoegt dat er voor Zoetermeer dus nog hoop is. "Als je maar lang genoeg wacht.'"
• 'Het wonderkind Hugo de Groot is ook in Delft geboren. Deze beroemde rechtsgeleerde, op wie werk het internationaal recht is gebaseerd, schreef reeds op zevenjarige leeftijd verzen in het Latijn aan zijn moeder om haar te troosten met de dood van zijn broertje. Hugo ging op elfjarige leeftijd rechten studeren en diende op zijn zestiende de staat van juridisch advies. Sinds hij scheiding van staat en kerk predikte, is het tussen hem en Prins Maurits nooit meer goed gekomen. Hugo de Groot werd naar Loevestein verbannen, waaruit hij via de beroemde boekenkist wist te ontsnappen. Deze kist is vreemd genoeg zowel in het Prinsenhof, het Rijksmuseum als in kasteel Loevestein te bewonderen. Alle claimen de echte te bezitten.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's