Crisis in de Hervormde Kerk ernstiger dan alle voorgaande crises
Brief hoofdbestuur Gereformeerde Bond aan gemeenten
Aan hervormd gereformeerde kerkenraden en gemeenten
Huizen, 1 maart 1996
Zeer geachte kerkenraad.
Nu de Nederlandse Hervormde Kerk, na de besluitvorming op de novembervergadering van de hervormde synode en de daarop gevolgde beraadslagingen in de triosynode, in een zeer ernstige crisis is gekomen, willen wij ons met het volgende tot u richten.
Overwegingen
Na alle uitingen van verzet tegen de voortgang van het Samen op Weg-proces, zoals die uit een brede flank van de Hervormde Kerk de laatste tijd tot uitdrukking zijn gebracht, heeft het geen zin meer nog eens de principiële argumenten tegen SOW te herhalen, die al in vele toonaarden zijn verwoord.
Wij moeten constateren, dat op synodaal niveau kennelijk is besloten het verzet het verzet te laten en onomkeerbaar af te stevenen op de beoogde Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, wat er ook van komen moge.
Dat daarbij de stem van de grondvergaderingen van de kerk, met name van vele classicale vergaderingen, is genegeerd en voorgenomen beleid in de richting van vereniging wordt doorgezet, ondanks de diepe verdeeldheid van de Hervormde Kerk en ondanks de roep om een andere weg, raakt de hele kerk diep.
Dat het verzet wordt gebagatelliseerd, omdat de werkelijke verhoudingen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk vanwege het massale karakter van een triosynode een groteske vertekening ondergaan, achten we hierbij tekenend voor het dwangmatige karakter van het proces.
Dat het hervormd moderamen intussen de indruk wekt het gesprek met de modaliteiten, met name met de hervormd gereformeerde modaliteit, zoals die in de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk tot uitdrukking komt, te gaan mijden, draagt niet bij tot betere verhoudingen binnen de kerk. Zo wordt zelfs de onjuiste beeldvorming versterkt. De afstandelijke antwoorden op brieven, die de laatste tijd aan het moderamen zijn gezonden, zijn hier ook typerend.
Dat men daarbij kennelijk van overtuiging is, dat het nu gevoerde beleid op de synode christocratisch mag worden geduid, achten wij, gezien de diepe verdeeldheid der kerk, een onwettige legitimatie van synodocratie. Kerkelijke macht is nog geen kerkelijk gezag.
Afweging
Met zorg constateren wij intussen, dat afzonderlijke gemeenten nu reeds uitspreken zich te zullen verzelfstandigen wanneer de fusie doorgaat. Wij verstaan hieruit zeer wel een signaal van diepe verontrusting in deze gemeenten. Wanneer echter thans gemeenten, los van de gemeenschap met andere gemeenten, besluiten niet met de fusie mee te gaan, kiest men dan in feite niet voor een vrije gemeente in de toekomst? Zal men zo echt de Hervormde Kerk (kunnen) voortzetten? Leidt dit niet tot congregationalisme? Scheiding zal in de meeste gevallen, gezien het (volkskerk)karakter van vele gemeenten, ook tot scheuring leiden. Omdat echter bovendien de daad nu niet bij het woord behoeft te worden gevoegd — het moment van fusie ligt immers nog jaren voor ons — belast men de komende generatie met de erfenis van dergelijke besluiten.
Een eventuele afscheiding is zo ten enenmale in strijd met de plaats en roeping, die de hervormd gereformeerden in de Nederlandse Hervormde Kerk sinds jaar en dag binnen deze kerk hebben gehad, dat de afscheidingsgedachte ook vandaag door ons moet worden verworpen. We staan in de Hervormde Kerk nog steeds op de schouders van het voorgeslacht, van 'hen die bleven'. Daar is tot heden niets in veranderd.
Het is ons dan ook onbegrijpelijk, dat men ter synode zich van dezelfde argumenten is gaan bedienen. Als Samen op Weg niet doorgaat, zo is gezegd, gaat het aan de andere kant scheuren. Dat kan en mag het antwoord toch niet zijn op de diepe interne crisis?
Als scheuring tegenover scheuring komt te staan, is er alle reden ons af te vragen of de weg, die de kerk nu gaat, wel ooit de goedkeuring des Heeren zal kunnen hebben. Zou hier, zo vragen wij ons af, niet eerder sprake kunnen zijn van een oordeel Gods over de kerk in haar ongestalte, vanwege ongehoorzaamheid aan de Schrift en de belijdenis? En brengt dat ons ook niet onzerzijds tot grote ingehoudenheid, juist om breuken te vermijden?
Een andere situatie
In het Samen op Weg-proces ervaren we de dingen anders dan in alle vorige crises, die er waren in de Hervormde Kerk.
Dat komt, omdat wij geschokt zijn door de koerswijziging in de ooit afgescheiden Gereformeerde Kerken.
Dat komt omdat mede daardoor we moeten spreken van een 'Ondeugdelijke basis' voor de nieuwe kerkformatie, zoals die in de concept-kerkorde tot uitdrukking komt. Dat komt, omdat wij nu gedwongen worden mee te gaan en we daarmee ons de kerk ontnomen voelen, waarbinnen wij geroepen waren te strijden voor kerkherstel. Nu zijn wij niet vrij meer. Tot heden kon worden gestreden om herstel van de historische kerk der Reformatie. De vraag is of in een nieuwe kerkformatie, die wordt beoogd, en die door ons wordt ervaren als een breuk met de historische kerk der Reformatie in dit land, nog op dezelfde wijze om herstel van die kerk kan worden gestreden.
Met onze protesten naar de synode hebben wij nooit bedoeld een vuur aan te steken, dat wij straks niet meer kunnen blussen. Op de landelijke ambtsdragersvergadering in Putten hebben wij gezegd: 'wij kunnen niet weg en wij kunnen niet mee'. Deze uitspraak is daarna verschillende malen herhaald. Nu nog een lange weg is te gaan alvorens de beslissing om de Hervormde Kerk op te heffen een feit zal zijn, heffen we de spanning, die in deze uitspraak is verwoord, naar geen enkele kant op.
Intussen roepen we elkaar juist nu op schouder aan schouder te staan, om samen een weg te zoeken, om samen (nochtans) te strijden voor het behoud en herstel van de Hervormde Kerk, hoezeer ook de beslissingen genomen schijnen te zijn. Zouden de zaken niet alsnog kunnen keren, op een wijze die wij nu nog niet zien? Hoe zal de kerk er over tien jaar, wanneer dan de beslissingen vallen, er uit zien?
De juiste toonlioogte
Laten wij echter wel, bij alle gewetensnood, de visie van de profeten, die bleven strijden, niet gaan missen en op de toonhoogte van de psalmisten, die bleven bidden in solidariteit in de schuld, blijven spreken. En laten we ook het welzijn van de hele gemeente in het oog blijven houden.
Paulus brak nooit met christelijke gemeenten-zonder-tucht, zoals bijvoorbeeld in Corinthe het geval was, waar van overspel, dronkenschap aan het Avondmaal en loochening van de opstanding sprake was, hoewel hij hen wel zeer ernstig vermaande.
Christus Zelf zegt, dat Hij wandelt tussen de zeven gouden kandelaren, en dat zijn de gemeenten. Het is niet aan ons om uit te maken hoever die belofte reikt. Maar ook Christus Zelf vermaant Zijn gemeente ernstig. De kandelaar kan zelfs ook worden weggenomen. Daarom moeten wij ons ernstig ^vragen of in de huidige ontwikkelingen de Heere niet een twist heeft met Zijn kerk. Zijn kerk zelfs onder het oordeel brengt, zodat Hij Zich verbergt of verborgen houdt. Zou het ook niet mogelijk zijn, dat Hij na Afscheiding en Doleantie de Hervormde Kerk nog zoveel tijd tot terugkeer heeft gegeven, die niet is benut, dat Hij Zich nu afwendt? Dan kan er alleen nog van wending van het oordeel sprake zijn in de weg van berouw en verootmoediging, wederkeer, bekering. Zo alleen kan erop worden gehoopt, dat Hij Zich wenden zal en Zich verbidden laat.
Wannéér er overigens van een oordeel sprake is, is niemand daarvan uitgezonderd. Moeten we als hervormde gereformeerden ook niet belijden, dat ons getuigenis in het geheel van de onvoldoende heeft geklonken en dat dit getuigenis niet altijd zuiver was? En was er wel altijd de onderlinge liefde en verbondenheid?
Weest getrouw
Zeker, ook wij verlangen naar eenheid van de kerk van Christus. Het moge blijken uit het zoeken van gemeenschap met christenen binnen en over de grenzen. Maar breuken mogen niet op het lichtst worden geheeld. De samenvoeging van kerken, zoals nu wordt beoogd, zal geen herstel van de kerk in dit land zijn. De terugkeer van de Afgescheidenen lijkt voorgoed onmogelijk te worden.
Laten wij echter van Afscheiding en Doleantie dit 'leren', dat zij tot drie soorten breuken hebben geleid: zij braken niet alleen de Nederlandse Hervormde Kerk op, ook de orthodoxie brak middendoor, en afscheidingen brachten nieuwe afscheidingen.
Ook een nieuwe breuk in de Nederlandse Hervormde Kerk, die God genadig moge verhoeden, zal niet langs de bestaande lijnen, maar dwars door onze hervormd-gereformeerde beweging heengaan. Het is een mechanisme, dat in de strijd naar buiten, broeders onderling van elkaar zal vervreemden.
Wij zullen ook nu binnen de Hervormde Kerk op onze post moeten blijven, daar waar God ons riep, ook als deze post moeilijker wordt. Wij zullen elkaar ook moeten toerusten om deze roeping aan te kunnen. Dat vraagt bekwaamheid en bescheidenheid, dat vraagt toerusting.
Daarom weten wij ons geroepen om een diepgaande bezinning op gang te brengen omtrent de weg die gemeenten, die het SOW-proces op deugdelijke gronden niet begeren, samen kunnen gaan. Er zal een accolade moeten worden geslagen om alle gemeenten, die, nu de nieuwe kerkformatie naderbij lijkt te komen, verweesd dreigen te geraken, omdat ze dan worden overgezet in een kerk, die ze zelf niet hebben gezocht. Voor bezinning inzake een begaanbare weg in deze, om het oud-hervormde erfgoed te bewaren, is weliswaar tijd, overleg en geduld nodig. Maar de accolade moet, gegeven de beslissingen ter synode, nu worden geslagen, nu de hervormde kerkorde nog bestaat. In grote gezamenlijkheid moet worden gezocht naar een weg, die elke individuele beslissing overstijgt. Daarbij hebben we naar elkaar te luisteren en geen overhaaste stappen te zetten.
Liefde en strijd
Wij hebben vaak gezegd, dat wij voor de V.P.K.N. als nieuwe kerk niet die liefde zullen hebben, die wij hadden en hebben voor de Nederlandse Hervormde Kerk. We hadden en hebben de kerk lief om haar wortels en om haar gemeenten. Men kan zo maar de liefde voor de ene kerk niet overbrengen op de andere, zeiden wij tegen de synode. Maar de liefde voor de Nederlandse Hervormde Kerk betrof bepaald ook niet allereerst haar synode, haar organisatie, haar raden enz., maar zij betrof de gemeenten, die in de lijn der geslachten onder het Woord Gods bijeen komen, vaak in eeuwenoude dorps-en stadskerken. Die liefde betrof zowel discipelen, de kinderen Gods in haar midden, alsook de schare.
Welnu, deze liefde voor de gemeente blijft, mag blijven, moet blijven. Herders zullen dezelfde schapen op dezelfde wijze blijven liefhebben. De Goede Herder stelde zijn leven voor de schapen. In dezelfde Godshuizen, in onze dorpen en steden zullen wij vandaag onder de hervormde kerkorde voor dezelfde gemeenten, die wij gediend hebben, hetzelfde Woord Gods verkondigen, dezelfde Doop en hetzelfde Avondmaal bedienen, ambtsdragers bevestigen en huwelijken inzegenen en van de jonge generatie belijdenis des geloofs afnemen. Niets en niemand zal ze ons afnemen. Zij hebben en houden de liefde van ons hart.
Laat het duidelijk zijn, dat wij, met dit te zeggen naar de eigen hervormd gereformeerde stroming, niets terugnemen van wat wij aan bezwaren tegen de synodale koers hebben ingebracht. De strijd blijft. Alle bezwaren tegen het S.o.W.-proces als zodanig, tegen de concept kerkorde in het bijzonder, blijven recht overeind: verzwakking van het confessionele karakter van de kerk. Daarom zal de gemeente, die onrechtvaardig wordt bejegend, om haar recht blijven aankloppen. Vandaar de noodzaak van een accolade om alle gemeenten, die herstel van de Hervormde Kerk in gereformeerde zin beogen.
Bovendien ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de classicale vergaderingen om langs de ambtelijke weg de synodocratie, die zich meer en meer aftekent, tegen te gaan. De eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van de classis worden momenteel zeer op de proef gesteld. Anderzijds zullen deze te meer tot uitdrukking moeten worden gebracht. Bij de classis zou wel eens het zwaartepunt kunnen komen te liggen inzake het voortbestaan van de Hervormde Kerk.
Overgave aan de Heere zal intussen onze grondhouding moeten zijn. Zijn doen is heiliger dan ons handelen. Het gaat ons in dit alles om de geloofshouding, het ambtelijk besef, de boetvaardige toon, de overgave aan God, de spiritualiteit van mannen als David (2 Samuel 15). Voelen wij ons machteloos, laten we niet ongeestelijk reageren op ongeestelijke actie. Laten ook wij hopen en ons inzetten voor een genadige wending, maar ook zeggen: Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen.
Bidkomst
Wij staan als gezegd aan het begin van een diepgaande bezinning met betrekking tot de weg, die voor hervormd gereformeerde gemeenten in de meest brede zin van het woord, samen begaanbaar is naar de toekomst toe.
Wij weten ons in deze ook diep afhankelijk van de leiding van de Heilige Geest. Om die leiding zal ook, voorafgaande aan de komende hervormde synode, moeten worden gebeden. De jaarlijkse bidstond voor gewas en arbeid vindt plaats aan de vooravond van de hervormde synode. Wij roepen de gemeenten op in de bidstond indringend de nood der kerk aan de Heere voor te leggen. In de verkondiging zou 2 Samuel 15 aan de orde kunnen komen of Nehemia 1 of Daniël 9.
Ook wanneer het oordeel Gods in de huidige ontwikkelingen ligt, zullen we vanonder dit oordeel niet weg mogen lopen maar in gebed God aanroepen, dat Hij tot ons wederkere en ons de Hervormde Kerk late en als herstelde kerk wedergeve.
Wij schrijven u dit alles overigens in het besef, dat wij allen niets minder nodig hebben dan een opwekking, die de kerk verheft uit haar zieke gestalte.
Wij besluiten met het woord uit 2 Kronieken 32, de belegering van Jeruzalem door Sanherib: 'Weest sterk en hebt goede moed, vreest niet en ontzet u niet...'. Christus wandelt nog tussen de kandelaren.
Intussen verblijven wij met broederlijke groet.
Voor het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk
A. van Brummelen, voorzitter J. van der Graaf, algemeen secretaris
Bijlage
Historisch
Als hervormd-gereformeerden van deze eeuw staan wij historisch gezien, in de lijn van 'hen die bleven' in de vorige eeuw. 'Zij die bleven' leefden na de invoering van de Reglementenbundel in 1816, die Koning Willem I de kerk heeft opgelegd: er kwam een synode, die buiten de classes om door de staat werd opgelegd. Zeven classes protesteerden toen tegen de ontwijkende bepalingen over de leer, tegen de grote bevoegdheid van de synode, tegen de onkerkelijke invoering van de Reglementenbundel en tegen sommige onderdelen. Maar de koning wees al deze protesten van de hand: de nu zo genoemde Nederlandse Hervormde Kerk moest er komen. Hij had het beste voor met de kerk, zei hij. Zij protesteerden vooral tegen de dubbelzinnige proponentsformule, waarmee nieuwe predikanten moesten instemmen, maar tevergeefs. Maar zij hebben mèt het reveil toch de weg van afscheiding niet gekozen, al hadden zij dezelfde gereformeerde gezindheid. Zij hebben de opkomst gezien van een ongereformeerde richting. Zij werden bovendien geconfronteerd met het felle modernisme, dat zich in de vorige eeuw nog breder maakte dan nu. Zij hebben met Groen van Prinsterer onder deze verwarring geleden en te meer gebeden en gestreden voor herstel van de kerk.
Als waar zou zijn, wat van Groen wordt gezegd, namelijk dat hij een vuur ontstak, dat hij zelf niet meer blussen kon en dat zo onder Kuyper de Doleantie ontstond, blijft nochtans. staan, dat 'zij die bleven' ook toen niet met deze Doleantie zijn meegegaan. Hoezeer die opkwam voor een zuivere gereformeerde kerk. Toen Kuyper zei: 'Al Gods volk gaat met me mee. Jan Rap en zijn maat blijven achter' juichte het bij Hoedemaker in zijn ziel: 'Dat duldt Gods glorie niet'. 'Dan hoor ik voortaan bij Jan Rap en zijn maat'.
Hoedemaker bleef opkomen voor het recht der kerk: 'Wij zijn niet uit onkunde, niet uit slapheid en niet uit liefde tot het geld, maar uit beginsel in de Nederlandse Hervormde Kerk gebleven; gebleven om te strijden, gebleven om te reformeren; gebleven niet alleen omdat het Woord dit toeliet; maar omdat dit Woord het eiste. De Afscheiding is voor ons dwaling, is bij ons zonde voor God.' Of, om een ander woord van hem te citeren, 'De kerk van Rome had voor de Hervormers de kenmerken van een kerk van Christus verloren. De reformatie was een nieuwe reformatie. Dat is ook het standpunt, dat de Christelijk Gereformeerden, zeer consequent, ten opzichte van onze kerk innemen. Maar dat is juist het beginsel, waartegen wij ons als Hervormden hebben verzet en zullen blijven verzetten, zolang de belijdenis rechtens de grondslag van onze kerkgemeenschap vormt.'
Hier valt ook Groen van Prinsterer te citeren: 'De Nederlandse Hervormde Kerk is geen instelling der mensen; zij is een Kerk van Christus; de voortzetting en uitbreiding op Nederlandse bodem van de Algemene Christelijke Kerk; zij is het, niet omdat zij de Formulieren aanneemt, maar omdat zij, op grond der Heilige Schrift, de waarheden aanneemt, waarvan zij, overeenkomstig de Formulieren, met de ingenomenheid der overtuiging en de blijmoedigheid der hoop, in leer en leven getuigenis geeft... De Kerk heeft de waarheden in haar Symbolische Schriften vervat niet aangenomen, omdat zij in de Formulieren staan, maar zij staan in de Formulieren, omdat de Kerk ze aangenomen heeft; omdat zij die met Gods Woord overeenkomstig acht; omdat zij vrede en troost daarin vindt; omdat zij de tegenovergestelde leringen als gevaarlijke wanbegrippen, met haar geloof strijdig, veroordeelt en verbant.'
Spoedig daarna is de Gereformeerde Bond opgericht 'ter verbreiding en verdediging van de waarheid' in de Nederlandse Her vormde Kerk. Daarbij had de oprichter Hugo Visscher als leerling van Kuyper wel een latente doleantie-neiging, maar dat gevaar is direct bezworen. Hervormd Gereformeerden kregen steeds meer begrip voor Hoedemakers visie: samen zijn wij ziek geworden, samen moeten wij gezond worden.
Deze visie werkt ook door in de nieuwe kerkorde van 1951.
Deze kerkorde riep wel bezwaren op bij de Gereformeerde Bond (apostolaat gaat niet voor belijden), maar niemand sprak van afscheiding. De nieuwe kerkorde bracht juist het gewenste einde van de reglementenkerk.
Toen de kerkorde van 1951 werd ingevoerd was daarover evenwel bij hervormd gereformeerden tweeërlei gevoelen. Enerzijds was er dankbaarheid vanwege het feit, dat de Hervormde Kerk na bijna anderhalve eeuw werd bevrijd van de Reglementenbundel. Anderzijds gaf de grondslag van de Nieuwe Kerk geen garantie voor een voluit gereformeerde kerk. We herinneren aan de gevoerde discussies omtrent 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' of 'overeenstemming met de belijdenis der vaderen'. De discussie viel in de kerkorde uit ten gunste van 'gemeenschap'. De praktijk van het hervormde kerkelijke leven is intussen geweest, dat op de noemer van 'gemeenschap met de belijdenis der vaderen' de belijdenis zelve kon worden weersproken.
Gegeven de beoordeling van de kerkorde door de hervormd gereformeerden in de toenmalige discussies moet ervoor worden gewaakt, dat vandaag diezelfde kerkorde van 1951 als een ideaaltype zou worden aangemerkt.
Wij brachten verder bij de invoering van de vrouw in het ambt ernstige bezwaren in, maar niemand onzer sprak van afscheiding. Wij bleven desondanks spreken van 'planting Gods'. En wij achtten d^e planting niet te niet gedaan, noch door de reglementenbundel van 1816, noch door de nieuwe kerkorde van 1951.
Bij hervormd gereformeerden leefde altijd sterk de roep van de profeten in het vervallen verbondsvolk, het gebed uit de psalmen: gedenk uw verbond. Ons trof altijd in het N.T. de bewogenheid van de Heere Jezus met de schare in Israël, die was als schapen zonder herder. En wij moesten ook zelf bekennen: 'wij hebben God op 't hoogst misdaan, wij zijn van 't heilspoor afgegaan, ja wij, en onze vaderen tevens...'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's