De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Bijbel is Woord van God — een noodzakelijke positiebepaling (3)

Bekijk het origineel

De Bijbel is Woord van God — een noodzakelijke positiebepaling (3)

12 minuten leestijd

Onvermijdelijke ontwikkeling?

H. M. Vroom ziet de ontwildkeling naar zo'n meer bijbelkritische houding als onvermijdelijk.

Door allerlei nieuwe vragen waarmee de kerken werden geconfronteerd — de vrouw in het ambt, de positie van vrouwen in huwelijk en samenleving, de geboorteregeling, het oorlogsvraagstuk, de homoseksualiteit enzovoorts —, werd het klassiek gereformeerde interpretatieschema waarvan Kuyper en Bavinck nog uitgingen, doorbroken. Allerlei dogmatische vragen kwamen op nieuwe wijze in geding en vrijwel de gehele dogmatiek verschoof: over Gods almacht, Gods betrokkenheid bij de ellende in de wereld, de voorzienigheid Gods, verkiezing en verwerping werd fundamenteel anders gesproken. Bezinning op de aard van het Schriftgezag bleek opnieuw urgent.

'Relationeel gezag'

Zo móést een geschrift als God met ons (1980) wel verschijnen, zo stelt Vroom. Dat geschrift trekt de lijnen door in het verlengde van Berkouwer: het gezag van de Bijbel is geen a priori, star gezag; betrouwbaarheid en gezag vallen niet samen met onfeilbaarheid; vanuit het geloof in Jezus Christus krijgt men een band met het Woord dat van Hem getuigt. Er zouden in de Bijbel historische onnauwkeurigheden en tijdgebonden voorstellingen van zaken zijn. 'De betrouwbaarheid wil zeggen dat deze Schrift een getrouwe en betrouwbare openbaring van God is, in wie duidelijk is wie Hij in Christus is, en hoe Hij verlangt dat mensen zijn' (Vroom, 154). De Bijbel is niet bedoeld om objectieve informatie te geven of enkel subjectieve interpretaties op te roepen. Het gaat om een relationele waarheid, een boodschap die alleen in de geloofsrelatie wordt verstaan. Later is in plaats van 'relationele waarheid' van relationeel gezag' gesproken. Het gaat in de bijbelse verhalen om het stichten, onderhouden en verdiepen van een band tussen de lezer en de God van de Bijbel of Jezus Christus. Zo zou de voornaamste wijziging in de Schriftopvatting de overgang zijn van een autoritair en a priori gefundeerd gezag naar wat genoemd wordt 'een correlaat en relationeel gezag'. God wordt niet langer met Kuyper als de grote Generaal, maar met Berkouwer als de betrouwbare Verbondspartner gezien.

Nieuwe oriëntatie gevraagd

Het gezag van de Schrift staat als zodanig voor iemand als Vroom niet ter discussie: de Schrift is de unieke bron van de kennis van Gods openbaring in de geschiedenis van Israël en in de persoon, het leven, lijden, sterven en de opstanding van Jezus Christus. De notie van centraliteit is in Schriftgezag en - uitleg sterk op de voorgrond gekomen 'omdat ze de mogelijkheid biedt om trouw te zijn aan de Schrift en de hele Schrift eerbiedig te lezen, zonder alle schriftwoorden hetzelfde gezag toe te kennen' (H. M. Vroom in Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, 93-2, 92). Het historisch-kritisch onderzoek heeft laten zien dat de menselijke factor bij het tot stand komen van de Schrift een grotere rol heeft gespeeld dan tot nu toe werd verondersteld. De natuurwetenschappelijke inzichten in de ouderdom van de aarde en van de mensheid zouden het oude interpretatieschema openbreken. In deze nieuwe situatie wordt nieuwe oriëntatie gevraagd. Zo zou de Bijbel voor velen juist weer nieuwe zeggingskracht krijgen.

De winst en de prijs

Vroom stelt in zijn beschouwing over de verschuiving in opvattingen aangaande het schriftgezag dat de gegroeide grotere openheid in allerlei opzichten als winst te beschouwen is. Maar hij erkent dat deze grotere openheid ook een prijs heeft: 'De bijbel neemt een minder grote plaats in het geloofsleven van vele leden in dan voorheen' (100 jaar theologie, 156). Als gezag alleen maar kan bestaan als aanvaard gezag, komt er een zware wissel te liggen op het lezen van de Bijbel. De lezer weet zich lang niet altijd aangesproken door wat er staat, gelooft niet alles wat er staat en weet soms niet hoe het gelezene in het praktische leven te moeten toepassen. Maar Vroom houdt staande dat de kiemen van de latere ontwikkeling al in de wijze waarop Kuyper en Bavinck bepaalde problemen oplosten en in de spanningen die in hun schriften verborgen liggen. De latere ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande conflicten konden niet uitblijven. Dat is een uitdagende slotsom. Als Vroom gelijk heeft, is het standpunt van hen die in de lijn van Bavinck en Kuyper willen blijven denken wat het schriftgezag betreft en de wissel die Berkouwer genomen heeft, niet wensen te passeren, achterhaald en is het slechts een kwestie van tijd dat zij de meer bijbelkritische benadering zullen overnemen en derhalve zullen komen tot een nieuwe interpretatie van de aard van het schriftgezag.

Pleidooi voor de klassieke positie

Een hedendaags bijbelgetrouw theoloog die deze gedachte van een onvermijdelijke ontwikkeling die afvoert van de klassieke positie niet overneemt, is C. Graafland. Hij heeft dat duidelijk gemaakt in een rede, gehouden op uitnodiging van de Vrije Universiteit ('Gereformeerde theologie in een proces van ontwikkeling en aanpassing', opgenomen in de Waarheidsvriend, 1992, nrs. 36, 37 en 38). Graafland wijst erop dat de kerkhervormer Calvijn (1509-1564) en de gereformeerde orthodoxie in de Heilige Schrift de stem van de sprekende God zelf hebben vernomen. Men geloofde de Schrift als Gods eigen Woord in heel eigenlijke zin. Vanuit die overtuiging kon ook Calvijn over de Schrift spreken als over een dictaat van de Geest. Zo was de geestelijke lading en kracht van het oorspronkelijke gereformeerde Schriftgeloof. Wanneer Berkouwer het formele Schriftgezag afwijst, valt daarmee de cesuur en wordt afstand genomen van de oorspronkelijke Calvijnse Schriftleer. De spirituele inhoud en het kloppende hart van deze klassieke Schriftleer, die de Bijbel letterlijk als Woord Gods beschouwt, heeft de kerk bewaard bij een bevindelijke omgang met de Schrift.

Graafland erkent volmondig dat het waar is dat wij ten aanzien van veel vragen in verlegenheid verkeren en dat het in toenemende mate urgent is om met een bezinning op de Schriftleer bezig te zijn. Maar daarbij fungeren allerlei hedendaagse ontwikkelingen binnen de kerken als een baken in zee. Veelal is het namelijk gekomen tot een overheersing van de moderne theologische wetenschap over het Schriftgeloof van de christelijke kerk. De betrekkelijkheid en vooringenomenheid van die wetenschap wordt door velen te weinig onderkend. Bavinck zag de problemen onder ogen, maar hij kwam daardoor er niet toe om ook maar iets van het zelfgetuigenis van de Schrift te laten vallen. Het gaat niet alleen maar om telkens verschuivende en vernieuwende interpretatieschema's. Moderne theologen schrikken er niet voor terug bepaalde gedeelten van de Schrift te laten vallen, bijvoorbeeld waar over schepping en zondeval gesproken wordt. 'Mij dunkt is het iets anders om deze verhalen te interpreteren, hoe dan ook, dan te zeggen: het staat er wel, maar het is niet waar wat er staat. Waar ligt de grens tussen een verschil in exegese, interpretatie, hermeneuse èn een verschil in Schriftgeloof? ' (C. Graafland).

Een kwestie van geloofsvertrouwen

Graafland onderscheidt nadrukkelijk tussen de reformatorische (wat mij betreft: bijbel-getrouwe) en de fundamentalistische visie op de Schrift. De reformatorische benadering kan niet meegaan met de kritische bijbelbeschouwing, omdat deze tekort doet aan het goddelijk gezag van de Schrift. Maar zij vindt anderzijds.dat de fundamentalistische benadering tekort doet aan het concreet-historische karakter van het Schriftgetuigenis en zodoende ook aan de werkelijkheid van de Godsopenbaring (zo C. Graafland, 'De Heilige Schrift als Godsopenbaring', in De Heilige Schrift, Kampen 1984, 10).

Ook W J. Ouweneel heeft erop gewezen dat het dilemma modernisme versus fundamentalisme vals gesteld is. Hij waarschuwt tegen de gevaren van het sciëntisme (dat is de overschatting van het wetenschappelijke denken en spreken ten opzichte van het praktische denken en spreken) en inerrantisme (waarbij een rationalistisch begrip van foutloosheid wordt gehanteerd, zodat zelfs door het kleinste foutje de bovennatuurlijkheid en betrouwbaarheid van de Schrift teloor zouden gaan). Dit leidt tot grote krampachtigheid, waarbij de zwaar overschatte menselijke rede gaat heersen over het wonder van de inspiratie. 'Voor de christen is de betrouwbaarheid van de Schrift niet een logischtheoretische aangelegenheid, maar een kwestie van geloofsvertrouwen, waarmee hij zich door de kracht van de Heilige Geest toevertrouwt aan het Woord van God' ('Is de Bijbel foutloos? ', in Het gezag van de bijbel. Kampen 1987, 87).

Geen fundamentalisme

Fundamentalisme, om deze verwarrende term nog maar eens te gebruiken, kent de verlegenheid en de openheid niet die voor de bijbelgetrouwe of reformatorische Schriftvisie juist zo kenmerkend is. In het fundamentalisme blijft geen vraag meer over. De fundamentalist weet de antwoorden al voordat de vragen zijn gesteld. 'Voor de fundamentalist kan het heilige nooit het vreemde of het andere zijn. Daarom zullen het andere en het vreemde hem ook nooit heilig zijn, evenmin de ander en de vreemde' (zo Piet Reesink, 'Waar geen vraag meer overblijft', De Bazuin, 22.10.1993, 10-11). Fundamentalisme komt vaak voort uit angst. Nuancering van eigen gedachtengoed door communicatie met anderen wordt dan als gevaarlijk gezien. Fundamentalistisch geloven kent geen bevindelijke gloed, maar veeleer rationalistische verstarring en verkramping.

Verwondering en onbevangenheid

Voor wie gelovig en godvrezend in de lijn van de vroege kerk en van de Reformatie mag leven en denken, ligt dit fundamenteel anders. Dan heb je weet van het geheimenis van de Geest. Vanuit de eerbiediging van de wondere werking van de Heilige Geest bij de inspiratie blijven we ons verwonderen over de volledige inschakeling van de mens in het openbaringspro­ ces. De oud-testamenticus B. J. Oosterhoff heeft daar heel sterk de nadruk op gelegd: we mogen het werk van de Geest niet verschralen door tekort te doen aan Zijn gang in de geschiedenis ('Schriftgezag en modern Bijbelonderzoek', in Het hoge Woord, Amsterdam 1976, 97). Niet per concessie, maar per confessie erkennen we de menselijke inbreng in de Schriften. Daarbij doen we telkens nieuwe ontdekkingen. We staan er in onbevangenheid voor open. We leven liever vanuit onze grondovertuiging met vele vragen, dan ons in te graven in waterdichte theorieën.

Vroom heeft de plaats van de Bijbel in het klassieke calvinistische leven geïllustreerd aan de hand van twee schilderijen van Rembrandt. Het eerste is het bekende schilderij van zijn moeder, die aandachtig en eerbiedig in de Schrift leest. De Schrift is voor haar in directe zin het Woord van God. Het tweede schilderij toont een engel die een evangelist in het oor fluistert. Een heel ongecompliceerd beeld van de rechtstreekse inspiratie van de bijbelschrijvers {100 jaar theologie, 96-98). Vanuit het geloofsleven lezen we op de drempel van de 21e eeuw nog steeds zó de Bijbel als de moeder van Rembrandt het deed. Het is zoals B. Kamphuis zegt: 'Als je de Bijbel hoort, dan mag je zeggen: 'Zo spreekt de Heere'. Dat is het hart van ons schriftgeloof' ('Uit de hemel of uit de mensen? '. De reformatie, 69/9, 151). Met liefde en verwondering nemen we dit geschenk uit de hemel aan. En wanneer historisch onderzoek en literaire analyse aan het licht brengen dat het bij de totstandkoming van de Bijbel over het algemeen heel wat minder rechtstreeks is toegegaan dan het tweede schilderij suggereert en dat de Schriftwording van het Woord Gods over heel wat meer schijven heeft gelopen, dan behoeft dat vanuit die bevindelijke, gelovige, pneumatologische inzet toch niet tot verwarring aanleiding te geven, maar zal het eerder de verwondering verdiepen.

Uitdagingen en perspectieven

Hier liggen geweldige uitdagingen en perspectieven voor de bijbelgetrouwe of reformatorische visie op de Heilige Schrift. Wij mogen met het betrouwbare Woord van God voluit in de werkelijkheid van deze tijd staan. We zijn geroepen niet alleen vanuit het sola scriptura, maar ook met tota scriptura te leven en te werken. Dat wil zeggen: alleen de Schrift, maar ook heel de Schrift. Vanuit de gelovige aanvaarding van de centrale bijbelse verkondiging door het testimonium Spiritus Sancti krijgen we een diepe eerbied voor heel de Schrift. Het gezag dat de Schrift over mij als gelovige heeft, is niet autoritair, maar autoritief. Door de Geest word ik niet tot kadavergehoorzaamheid geleid, maar tot een mondige gebondenheid aan het Woord.

K. Blei wijst een goede weg als hij de specifieke aard van het gezag van de Schrift onderstreept: werkelijk gezag slaat niet plat, maar bevrijdt, en doet een appèl op de menselijke mondigheid en verantwoordelijkheid (In de waagschaal, 1993, 511). Het christelijk geloof is aangewezen op het gezag van de zichzelf openbarende God. Ons geloof gaat terug op de unieke ervaring van de verbondsverhouding met God. In de geleefde werkelijkheid van het geloof ervaren we Gods gezag. Hieruit kan de lijn doorgetrokken worden naar de gewillige en vreugdevolle onderwerping aan het gezag van heel de Schrift. Het gaat eerst om het gezag van de levende God die mij inwint voor Hem zelf en voor Zijn heilrijke bedoelingen. Van daaruit onderwerp ik mij ook graag 'en van harte aan het Woord van deze God.

Volle openheid

Praktisch betekent dat een oproep om in volle openheid bezig te zijn met de bestudering van de Schrift. Met nieuwsgierigheid en in onbevangenheid mogen allerlei nieuwe ontwikkelingen in de bestudering van de Schriften worden afgetast (vergelijk H. G. L. Peels, 'Correctie en heroriëntatie', Theologia Reformata, 1993, 7-22). Er is in de eigentijdse theologische bezinning een school van gelovige oud-en nieuw-testamentici nodig die door noeste arbeid gebruik maken van wat door vele anderen aan historisch onderzoek is verricht, om zo verdiept zicht te ontvangen op het werk van de Geest bij de wording van de Schrift. Literairkritische, vormkritische, traditiekritische en redactiekritische methoden mogen met het oordeel des onderscheids worden toegepast. Dat wil zeggen: de Bijbel is ook een menselijk literair document, dat benaderd kan en mag worden zoals elk ander literair document benaderd wordt. Als het daarbij maar niet blijft, want dan geeft de Bijbel zijn diepste geheimen niet prijs.

Vragen niet verdoezelen

Het kan niet anders of voortgaande studie zal ons telkens voor nieuwe vragen stellen. Die vragen en verlegenheden behoeft niemand te verdoezelen of weg te moffelen. Het is beter een vurig gesprek te houden dan een ondergrondse veenbrand te laten voortwoekeren. 'Als je zegt dat er vandaag geen vragen meer zijn rond Schrift en confessie, houd je elkaar voor de gek. Dan dreigen reële gevaren ook niet meer aan de orde te komen. Je wiegt elkaar in slaap. Dat kan zich gaan wreken, want er liggen serieuze vragen' (B. Kamphuis in interview Nederlands Dagblad, 24.09.1993). Maar deze serieuze vragen worden gesteld en benaderd vanuit de eerbiedige luisterhouding ten opzichte van de Bijbel als Gods heilig Woord, zoals de artikelen 2 tot en met 7 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis daarvan spreken, in overeenstemming met het zelfgetuigenis van de Bijbel (zie bijvoorbeeld 2 Tim. 3 : 16 en 2 Petrus 1 : 21).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Bijbel is Woord van God — een noodzakelijke positiebepaling (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's