Uit de pers
Prof. dr. G. C. Berkouwer (1903-1996)
Een maand na elkaar overleden in ons land twee spraakmakende en smaakbepalende theologen. Op 17 december 1995 kwam het levenseinde van prof. dr. H. Berkhof op 81-jarige leeftijd en op 25 januari 1996 stierf prof. dr. G. C. Berkouwer. Beiden hebben decennia achtereen het theologisch bedrijf denk-en gespreksstof geleverd en béiden hebben een nadrukkelijk stempel gezet op generaties predikanten en theologen. Na de dood van prof. Berkouwer verschenen er in onderscheiden periodieken artikelen die zijn betekenis en belang uiteenzetten. Geestverwanten van Berkouwer onderstrepen zijn betekenis met name voor de eigen Gereformeerde kerken. 'Hij is een wegbereider geweest voor vele gereformeerden van het isolement naar openheid', aldus prof. dr. A. van Egmond in Woord en Dienst van 9 februari jl. Drieëndertig jaar was Berkouwer als hoogleraar verbonden aan de faculteit der godgeleerdheid van de VU. Zijn bijzondere betekenis, aldus Van Egmond, lag niet alleen in zijn geweldige productiviteit aan, studies en boeken.
'Zijn grote betekenis is bovenal gelegen in de weg die hij, juist als vruchtbaar auteur, als groot geleerde en leermeester van zovelen, heeft afgelegd en die de weg van vele gereformeerde mensen is geworden: die van geslotenheid en isolement naar openheid en dialoog. Schreef hij in het begin van zijn loopbaan nog apologetisch en antithetisch (bijvoorbeeld tegen de Rooms-Katholieke Kerk en haar theologie of tegen Karl Barth), gaandeweg veranderde dat in een veel meer luisterende en dialogische houding. In deze ontwikkeling en op deze weg zijn velen in de gereformeerde kerken hem gevolgd. Want hij had groot gezag en genoot veel vertrouwen.'
Berkouwer leerde je luisteren, aldus nogmaals Van Egmond. 'Het gaat er volgens hem niet om op een goedkope manier je gelijk te halen, maar daarom, dat de waarheid aan het licht komt'.
'Berkouwer leerde je óók dat theologie bedrijven een existentiële bezigheid is. Dat blijkt onder meer uit zijn hantering van het correlatiebegrip. Dat is bij hem geen handig foefje om uit de subject-object problematiek te komen. Hij wil daarmee recht doen aan de authentieke geloofservaring van de mens voor het aangezicht Gods, coram Deo: die wéét dat er op een antwoord gewacht wordt en weet tegelijk dat het niet van dat antwoord afhangt, omdat de inhoud van het antwoord juist de erkenning is, dat het van dat antwoord niet afhangt. Het existentiële karakter van Berkouwers theologie spreekt ook uit zijn uiteindelijke positiebepaling ten aanzien van de genade-en-verdienste problematiek in de rooms-katholieke traditie: coram Deo vergaat je de lust om juist hier eindeloos over een evenwichtsconstructie na te denken. Het blijkt ook heel sterk uit zijn afwijzing van elke speculatie over de oorsprong van de zonde: zonde verklaar je niet, die belijd je!'
In het blad In de waagschaal (nw. jrg. 25 nr. 3 - 24 februari 1996) schrijft dr. C van der Kooi een In Memoriam. Hij geeft aan dat de figuur van Berkouwer zeer verschillende reacties oproept bij verschillende groepen.
'Welke reacties zijn het? Ik noem er een paar: Allereerst is te denken aan de generatie predikanten die hem als hoogleraar dogmatiek meegemaakt heeft. Berkouwer is jarenlang, van 1940 tot 1973 verbonden geweest aan de Vrije Universiteit, eerst als bijzonder hoogleraar, vanaf 1945 als gewoon hoogleraar. Hij kwam daar als opvolger van V. Hepp, een enigszins geïsoleerde figuur, die bij de studenten bepaald niet populair was. Had Hepp vorm gegeven aan een vorm van theologie, die het begrip scholastiek een slechte naam bezorgde, Berkouwer brak daarmee en werd door de studenten ervaren als een verademing. Hij nam ze mee op een zoektocht naar de betekenis van de grote thema's van de reformatie. Het verslag van de zoektocht en herijking is neergelegd in de serie Dogmatische studiën, waarvan er in totaal achttien delen zijn verschenen. Het bijzondere van Berkouwer is geweest, dat hij begrippen als rechtvaardiging, heiliging, verkiezing uitpelde uit hun stijve harnas en heeft geprobeerd, in voortdurend gesprek met de traditie en de bijbel, hun geestelijke betekenis te peilen. Betekenisvol is dat er steeds wordt gevraagd naar de "skopus" van een bepaald begrip of bijbelpassage. Met andere woorden, de neiging van de oudere dogmatiek om bij een bepaald leerstuk een oneindige verzameling van bewijsplaatsen uit de bijbel (dicta probantia) te verzamelen, onderging een diepgaande correctie. Voortaan werd gevraagd naar de context van een tekst, de bedoeling en dat betekent dat talloze teksten, die in de klassieke dogmatiek aangevoerd worden, wegvallen en bij nader inzien iets anders gaan betekenen.
Hiermee hangt een volgende karakteristiek voor Berkouwers werk samen. Gods openbaring is in zijn ogen iets op de man af. Het is gesproken tot mensen van vlees en bloed, in een bepaalde situatie, ofwel, het staat in een bepaalde verkondigingssituatie. Dat maakte het voor de studenten levendig. College en preek lagen bij Berkouwer in elkaars verlengde en gingen soms in elkaar over. Dit bepaalt bij velen de positieve herinnering. Berkouwer heeft ook een andere rol gespeeld dan degene die de wat gesloten gereformeerde wereld openbrak. Hij heeft ook een periode gekend, waarin hij onderdeel was van die gesloten wereld. Ik denk aan zijn periode van voor de Tweede Wereldoorlog. Geheel in lijn met de toen in de Gereformeerde Kerken heersende schriftopvatting was hij spreekbuis van een antithetische opstelling tegenover de manier waarop in de ethische theologie en bij Barth de verhouding van Schrift en Openbaring werd gedacht. Hij wijst in die oudere boeken voortdurend op het gevaar van "subjectivisme", namelijk dat de mens alleen dat oppikt uit de bijbel wat hem aanstaat en de rest laat liggen.'
Van der Kooi merkt op dat Berkouwer de overtuiging was toegedaan dat je dit gevaar ook niet met een schriftleer kunt bezweren. 'De beslissende vraag is of de mens bereid is tot luisteren en nog eens luisteren. Dat belichaamde Berkouwer en dat inspireerde'.
In het blad Opbouw van 23 februari 1996 geeft dr. P. Veldhuizen, Nederlands Gereformeerd predikant te Leerdam en onlangs gepromoveerd op een dissertatie waarin 'Hoofdmomenten uit de theologische geschiedbeschouwing van Klaas Schilder' aan de orde komen, een heel persoonlijk verslag van zijn contacten tot kort voor diens dood met prof. Berkouwer. Daaruit citeren we een breed gedeelte vanwege het inzicht dat het geeft in Berkouwers theologisch bezig zijn.
'Een schaker aan zijn bord Het is algemeen bekend dat Berkouwer graag schaakte. Maar dit spel geeft ook iets weer van de wijze waarop hij bezig was met de theologie. Hij was deemoedig en wist dat theologie bedrijven een menselijke zaak is, daarom schrijven we ook "zijn" bord met een kleine letter. Met God schaken is voor de Almachtige geen partij. Om bij de beeldspraak te blijven: Berkouwer speelde niet één partij schaak, maar een enorm groot aantal. Hij schreef geen dogmatiek, maar dogmatische studiën, monografieën. Elke dogmatische studie voert je in een bepaald onderwerp uit de dogmatiek. De stukken staan dan ook op het bord in een bepaalde stelling als je binnenkomt. Het eerste hoofdstuk van een monografie zoekt steeds de actualiteit en de breedte van het onderwerp. De tegenstander wordt zo zuiver mogelijk in stelling gebracht en voordat de stukken niet hun juiste plaats hebben gevonden, begint de meester niet. Velen vinden dan ook dat het soms te lang duurt voordat er gespeeld kan worden. Zij denken dat het sneller zou kunnen. Maar dan zegt Berkouwer: "Ik hou van fair play." Zijn diepe analyse en breed blikveld is opvallend. Theologen die je vaak aantreft in deze studies zijn — overeenkomstig de veelvuldigheid van het gesprek: Calvijn, Bavinck, Barth, Kuyper, Augustinus. Schilder en opvallend is ook daarbij de positie van de exegeten als Grosheide en Greijdanus. Daarom zijn de passages soms zo lang. Daarmee is deze schaker ook nog zo gestemd dat hoe graag hij ook wint, het hem ten diepste gaat om de schoonheid en waarheid van het spel. Dat elke schaker zijn rariteiten, bijzonderheden, voorliefdes kent, valt niet te ontkennen.
Berkouwer is zo existentieel geboeid door wat er op het spel staat, dat de gesteldheid van zijn hart daarin opviel. Het is te merken, dat de theologie zijn hart heeft — van harte is hij er met heel zijn wezen bij betrokken — correlatie (etymologisch is het van com - relatio). Nu komt het bij schakers voor dat ze een situatie uit een schitterende partij nooit meer vergeten. Dat is Berkouwer ook overkomen. Bepaalde zetten van de man tegenover hem hebben hem zo gepakt, dat hij er niet meer los van kon komen. Een voorbeeld hiervan is de verkiezingsleer van Barth. Deze had voor hem fascinerende momenten. Hij las dit werk in oorlogstijd. Dat de heilige Schrift ook aandacht vroeg voor de menselijkheid der Schrift, was een aspect dat niet kon worden ontkend. Berkouwer ging voorzichtig en behoedzaam te werk. Staring zegt het al in zijn "Meester en leerling": "De meester, in zijn wijsheid, gist, de leerling, in zijn waan, beslist". De meester kan met bepaalde onzekerheden leven. Niets hield hem in de levensavond zo bezig als het "eindspel". Hoe loopt het uiteindelijk af? Correlatie — met Schriftgedeelten of met de hele Schrift? Is een stuk waar ik niets mee beginnen kan, ook niet een stuk dat toch boven tafel moet komen en op het bord moet verschijnen als het in stelling dient gebracht te worden? Wie durfde aan te schuiven en een zet te doen? Had hij alles wat er moest staan op het bord gezet? Wij waren in gesprek. Hoe pijnlijk heb ik het ervaren dat hij niet meer lezen kon. Was de ook door hem hoog gewaardeerde Hans Urs van Balthasar (1904-1989) in zijn laatste boek niet bezig geweest met de oude vraag Was dürfen wir boffen? Het slothoofdstuk van Von Balthasar luidt 'Gerechtigkeit und Erbarmen'.
Het waarschuwt voor eenzijdigheid. Wie alleen oog heeft voor de gerechtigheid, die vervalt in depressiviteit, wie alleen oog heeft voor het erbarmen, vervalt in vermetelheid.
Berkouwer kende de zware spanning van beide begrippen. Hij was niet alleen met zichzelf bezig, maar hij was ook begaan met de wereld waarin zoveel geleden wordt. "Waar de mensheid was en haar weedom" was zijn weg.
Worsteling met de alverzoening
Veel hebben we erover gesproken dat verkiezing en verwerping zich niet laten parallelliseren; dat God een welbehagen heeft in goed doen; dat de Schrift geen aanleiding zou geven om van een eeuwige verdoemenis te spreken, zoals dit wel het geval is met de uitverkiezing; dat in dezen niet de theologie moet beslissen, maar de exegese. Eens sprak hij: "Je weet ik houd van schaken en ik leef altijd mee met Jan Timman, maar ik haal het niet in mijn hoofd om te bidden of hij zo mogen winnen. Daarvoor is God er niet. God heeft wel wat anders, wat beters te doen. Hij houdt Zich bezig met de vergeving der zonden." Toen vervolgde hij: "Steeds moet ik denken aan die tekst aan het slot van Micha en ik kom er niet meer los van: 'Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid'." In een telefoongesprek citeerde hij eens van GezelIe: "Heer, mijn hart is boos en schuldig, maar Gij zijt barmhartig en duizend malen meer verduldig dan dat ik boosaardig ben." De kracht van de schuldvergeving dankzij Gods genade had hem diep getroffen. Naar aanleiding van Barths theologie vond hij de treffende titel De triomf der genade in de theologie van Karl Barth (1954).
Berkouwer was een bezield theoloog tot het laatst toe. 's Morgens werd je soms door hem gebeld en legde hij je een theologisch vraagstuk voor. Als hij de kwestie uiteen had gezet, nam hij afscheid met: "vanavond vraag ik hoe je erover denkt", 's Avonds belde hij terug: "En, ben je eruit gekomen? "
Je had nog maar twee zinnen gezegd of zijn enthousiasme was niet meer te tomen en hij gaf in een prachtig exposé zijn visie. Als hij vroeg: "Waar denk je aan? " wilde hij het schriftberoep horen. Soms was een publicatie nog niet eens verschenen, of hij belde al om te weten of je het boek gelezen had. Zo'n man was een enorme stimulator. Zijn kennis was alom bekend. Dit leidde ertoe dat hij zelfs voor het tweede Vaticaans Concilie werd uitgenodigd. Hij heeft er genoten, maar wat zal hij van de eeuwige stad hebben gezien? Of hij de Villa Borghese heeft bezocht, ik weet het niet. Hij had aan de theologie genoeg. In het laatste telefoongesprek kwam het overlijden van Berkhof ter sprake. Dit had hem erg aangegrepen. "Aan een vriendschap van meer dan vijftig jaar was een eind gekomen", sprak hij. Hij zei dat de nachten moeilijk waren, want als het wakker liggen zich voortzette, gingen zijn gedachten zich vermenigvuldigen. "Schilder moet daar ook van geweten hebben. In zijn Licht in de Rook schrijft hij daarover in een overdenking. Zoek het maar op", zei hij. In de tweede druk vond ik een overdenking met de titel "Des nachts onderzocht" en las: "Des nachts... Wat kan de nacht een marteling zijn. De nacht, in eenzaamheid doorwaakt, is voor den drukken, veelbezigen mensch wat de zwijgende woestijn is voor den in zondebesef wegsmeltenden kluizenaar, wat de vereenzamende kerkercel is voor den in zelfinkeer zich verterende misdadiger".'
In het Centraal Weekblad van 2 februari 1996 schrijft prof. dr. K. Runia een kort In memoriam. Ook prof. Runia onderstreept de invloed van Berkouwer op de Gereformeerde Kerken. 'Mee dankzij zijn boeken veranderde het hele klimaat van deze kerken van een gesloten naar een open houding tegenover anderen. Ook hier vonden bij hem zelf belangrijke veranderingen plaats. Met name op het punt van de leer der uitverkiezing en dat van de Heilige Schrift. Toch zou het onjuist zijn Berkouwer zonder meer verantwoordelijk te stellen voor de verschuivingen die zich sinds de jaren zestig in de Gereformeerde Kerken hebben voorgedaan. Bij alle veranderingen in zijn denken bleef hij zelf een door en door gereformeerd theoloog', aldus prof. Runia.
Dat laatste zal zeker waar zijn, maar het valt toch niet te ontkennen dat Berkouwer de deuren heeft opengezet voor de verschuivingen die genoemde Kerken sinds de zestiger jaren kenmerken. Dit laatste zij overigens met alle respect geschreven ten aanzien van de man die in ootmoed getracht heeft de Schriften te verstaan en te vertolken. In het al geciteerde In de Waagschaal sluit dr. Van der Kooi zijn bijdrage af door te vragen naar de rol die Berkouwer nog zou spelen vandaag. 'In hoeverre speelt Berkouwer nog steeds een rol? Worden zijn boeken nog bestudeerd? Eigenlijk geen goede vraag. Althans, wanneer het antwoord criterium wordt voor de waardering. Het is al heel wat wanneer iemand in zijn eigen tijd veel betekend heeft. En dat gaat voor Berkouwer zeker op. Maar goed, toch die vraag of zijn werk nog wordt bestudeerd. Soms denk ik: in het buitenland meer dan hier, maar de tijd zal wel weer komen dat zijn wijze van theologiebeoefening voorwerp van aandacht wordt. Dat hebben we tenminste hard nodig. Waardevol in Berkouwers werk is dat in de dogmatiek het gesprek met de bijbel expliciet wordt gevoerd. En wel zonder de arrogantie van het moderne subject. De huidige kloof tussen bijbelwetenschap en dogmatiek maakt dat gesprek moeilijk en stelt er andere eisen aan dan pakweg veertig jaar geleden. Maar dat houdt de theologie wel dicht bij de les en daarin is Berkouwer als gereformeerd theoloog voorbeeldig. Nog steeds.'
Zoeken en vinden is de titel van het laatstverschenen boek van prof. Berkouwer (1989), een autobiografisch werk waarin hij eigenlijk verslag doet van zijn manier van theologisch bezig zijn. Hij wil de vragen die t.a.v. de christelijke traditie in onze eeuw zijn opgekomen serieus nemen. Hij sluit dit werk af met het citeren van Lessings woorden: 'Vader, geef! De zuivere waarheid is toch alleen voor U'. Zoeken om te vinden. Een weg waarop hoogmoed is uitgesloten. Intussen is er óók een zoeken omdat we gevonden hebben. We hebben Hem gevonden van Wie Mozes en de profeten hebben gesproken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's