Omgaan met moderne literatuur (4)
Cultuurtaak
In 1961 verscheen van drs. H. Goedhart, toenmaals hervormd predikant te Rotterdam-Delfshaven, het nog steeds waardevolle boek Christendom en cultuur. Het is verrassend, dat iemand uit onze kring zich toen aan dit onderwerp waagde. Zeker in die tijd was de rechterflank van de gereformeerde gezindte niet zo in 'cultuur' geïnteresseerd. (En stilletjes voeg ik er aan toe: dat geldt voor een deel ook nog anno 1996!)
Goedhart wijst er nadrukkelijk op dat de mens, ook de christen van nu, op deze aarde een cultuurtaak heeft. In zijn eigen woorden: 'Wij gaan er van uit, dat de cultuurarbeid van de mens een opdracht is. Boven de in cultureel opzicht werkende mens staat een Opdrachtgever, nl. God.'
Erkenning van de vloek die op de aarde rust, de destructie door de zonde, mag niet leiden tot negatie van de cultuuropdracht, al dient aanvaarding van die opdracht altijd gepaard te gaan met kritische zin en distantie.
Het woord 'cultuur' omvat in bredere zin de totale beschaving van een volk of volken. In engere zin omvat het het brede terrein van de kunsten, dus ook de literatuur.
Versplintering en cultuuropvatting
Niet alleen binnen het christendom in de breedte, maar ook binnen de gereformeerde gezindte — het calvinistische volksdeel — lopen de meningen sterk uiteen over de wijze waarop we met de cultuur en in het bijzonder de kunst moeten omgaan. En als de meningen niet uiteenlopen, dan toch zeker de praktijk. Tussen de uitersten 'ontgaan' — wereldmijding, verregaande ascese, negatie — en kritiekloos 'ingaan' en 'opgaan in' ligt een scala van houdingen, opvattingen en praktijken. Ook hier openbaart zich de versplintering van de gereformeerde gezindte. De gemiddelde vrijgemaakt gereformeerde staat anders in de cultuur dan iemand die behoort tot de Gereformeerde Gemeenten. Het Nederlands Dagblad gaat op een andere wijze met cultuur om dan het Reformatorisch Dagblad. En zelfs binnen een bepaald kerkgenootschap wordt verschillend over cultuur gedacht: we spreken niet voor niets van vleugels binnen de Gereformeerde Bond, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten.
De gereformeerde gezindte in haar breedheid moge het in grote lijnen wel eens zijn over het bekende adagium 'in de wereld, niet van de wereld', bij de invulling daarvan, de praktisering lopen de opvattingen ver uiteen. Niemand is in staat een voor elke calvinist aanvaardbare cultuurhouding te omschrijven. Dat zal ook mij hier niet lukken. Wat voor de een te ver gaat, gaat voor de ander niet ver genoeg. Dat heeft enerzijds te maken met interpretaties en principes, anderzijds met tradities, een gebrek aan kennis en ontwikkeling en dientengevolge nogal eens een tekort aan belangstelling. Soms is heel duidelijk sprake van cultuurangst.
In levenspraktijk, in aanvaarding van de cultuur zien we de wegen duidelijk uiteengaan. Die lijn kunnen we trekken de eeuwen door, vanaf de eeuw der Reformatie tot in onze tijd: een verscheidenheid in cultuurhouding binnen de gereformeerde gezindte, variërend van selectieve acceptatie tot vrijwel algehele wereldmijding.
Persoonlijk ben ik de mening toegedaan dat het christelijk onderwijs in deze geseculariseerde wereld het meest vruchtbaar kan zijn als het uit overtuiging en met inzet kiest voor selectieve acceptatie of kritische distantie. En ik meen daarbij op de lijn te staan van Calvijn en grote Nederlandse calvinistische literatoren uit de 16e en 17e eeuw als Marnix van Sint Aldegonde. Jacobus Revius en Constantijn Huygens. Op hun cultuurhouding wil ik later uitvoeriger ingaan, maar thans wil ik de sprong maken naar het christelijk onderwijs.
Literatuuronderwijs en het wettelijk kader
Letterkunde heeft een reguliere, door de wet voorgeschreven plaats in het voortgezet onderwijs. In de klassen 4 en 5 HAVO en 4, 5 en 6 VWO — ik beperk me nu maar even tot deze twee schooltypen — is letterkunde een verplicht onderdeel van het vak Nederlands, overigens ook bij de andere talen, en maakt het deel uit van het eindexamen.
Het zou echter onjuist zijn om te stellen dat literatuuronderwijs — men spreekt thans vaak van fictiekunde — pas in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs begint. In de onderbouw, waar de driejarige Basisvorming wordt gegeven, werken de docenten naar de hogere leerjaren toe door aandacht te besteden aan fictionele teksten in jeugdboeken: romans, verhalen en gedichten. Ook voor jeugdboeken geldt het onderscheid tussen literatuur en lectuur. De problematiek van het literatuuronderwijs in de christelijke school begint in feite hier. Ook in jeugdboeken is sprake van een 'boodschap', die de leerlingen moeten leren onderscheiden. Een jeugdboek biedt meer dan verstrooiing. Het ademt tevens een bepaald gedachten-en ideeënklimaat, het is doortrokken van een levens-en wereldbeschouwing, soms latent, soms duidelijk aan de oppervlakte.
Ook op het terrein van de jeugdboeken is er heel wat op de markt dat ver afstaat van de christelijke leefwereld.
In de laatste voorstellen aan de minister van de Commissie Vernieuwing Eindexamenprogramma's Nederlandse taal en letterkunde VWO en HAVO, neergelegd in het CVEN-rapport van 1991, wordt uitgegaan van een letterkundelijst van 'minimaal 25 en 15 literaire werken voor resp. VWO en HAVO; voor VWO vanaf 1170, voor HAVO minimaal vanaf 1916'. Te lezen literaire werken zijn dus gekoppeld aan.de literatuurgeschiedenis (tijdvakken, groeperingen en stromingen). In hetzelfde rapport wordt gesproken van 'het vermogen om te gaan met literaire teksten uit heden en verleden', dat als volgt geconcretiseerd dient te worden:
1. het kunnen interpreteren, analyseren en beoordelen van literaire teksten uit heden en verleden;
2. het kunnen uitbrengen van een verslag van de eigen ervaringen met literaire teksten uit heden en verleden;
3. het kennen van feiten, begrippen en werkwijzen om de taken die bij 1 en 2 genoemd zijn, welbewust uit te kunnen voeren.
Het gaat bij dit alles om vorm èn inhoud, om compositorische en stilistische kenmerken èn de thematiek. En wat dit laatste betreft merkt het rapport op dat de thematiek 'bij voorkeur tegen de achtergrond van de normen en waarden die het werk belichaamt' vastgesteld moet worden.
Al krijgt de bovenbouw van het voortgezet onderwijs een andere opzet — leerhuis of sfudiehuis, met minder lesuren en meer zelfstandigheid van de leerling — , de hierboven genoemde doelstellingen van het literatuuronderwijs zullen weinig wijziging ondergaan.
Letterkunde in het christelijk onderwijs
Letterkunde is in het voortgezet onderwijs dus een verplicht onderdeel. ledere leerling die een HAVO-of VWO-diploma behaalt, heeft literatuuronderwijs gehad en een aantal literaire werken gelezen. Volkomen negatie — zo men dat al zou willen — is dus ten enen male onmogelijk.
Het vakonderdeel letterkunde biedt mijns inziens het christelijk onderwijs buitengewone mogelijkheden om de eigen identiteit inhoud te geven en waar te maken. De wettelijke voorschriften en de formuleringen in de examenprogramma's zijn zo ruim, dat eigen accenten altijd mogelijk zijn. En die accenten moet het christelijk onderwijs ook leggen! Als het letterkundeonderwijs op een christelijke school niet verschilt van dat op een openbare, is het christelijk onderwijs verkeerd bezig en ontrouw aan zijn opdracht. De mogelijkheden waarop ik doel liggen op het terrein van 'de normen en waarden' die literaire werken belichamen.
Tegelijkertijd liggen hier veel problemen. Een school die niet kiest voor negatie maar voor een kritische benadering ook van eigentijdse literatuur, maakt het zich niet gemakkelijk. Twee houdingen zijn in principe gemakkelijker: of alles kritiekloos accepteren — 'opgaan in' —, of alles wat niet-christelijk is negeren ('ontgaan'). Beide houdingen wijs ik af: de eerste doet tekort aan de opdracht van de christen normen en waarden te toetsen in het licht van de bijbel, de tweede verwerpt te gemakkelijk wat helemaal niet getoetst is.
Ik pleit voor een middenpositie tussen de twee genoemde uitersten in. Dat is geen gemakkelijke keuze. Deze positie is kwetsbaar, omdat ze leidt tot vragen als: Is dit werk nog toelaatbaar? Waar liggen de grenzen van de toelaatbaarheid? Wanneer moet een literair werk beslist verwerpelijk geacht worden? Kun je een literair werk ten dele waarderen — de vorm bijvoorbeeld — en ten dele afwijzen (de boodschap)?
Opdrachten voor het christelijk onderwijs
Voor het christelijk onderwijs liggen er op dit terrein mijns inziens drie belangrijke opdrachten:1. royale aandacht voor christelijke literatuur vanaf de middeleeuwen tot heden; 2. een kritische leeshouding ontwikkelen: een negatie, wel kritische distantie; 3. inzicht geven in de problematische positie van de christen-literator. In enkele volgende artikelen wil ik dit graag uitwerken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's