Uit de Pers
Bres in beeld
Schokkende berichten kwamen plotseling in beeld over wat er de afgelopen jaren was gebeurd binnen de (vrijgemaakt) gereformeerde scholengemeenschap Guido de Brés in Amersfoort. De pers stak er de nodige energie in om het Nederlandse volk in te lichten. Het is ook erg genoeg wat er is gebeurd. Gretig werd er uiteraard ingespeeld op deze affaire. Het betrof immers een gereformeerde school. Dat zou je niet verwachten, vandaar.
In De Wekker (Orgaan der Christelijke Gereformeerde Kerken) van 15 maart 1996 plaatst prof. dr. W. van 't Spijker er een aantal kanttekeningen bij in een artikel waar hij boven zet: 'Guido de Brés in moeilijkheden'. We citeren daaruit het volgende fragment:
'Ook gereformeerde mensen leven niet op een eiland. Ze hebben deel, hoe dan ook aan wat deze wereld is. Paulus, die de zaken tamelijk goed kende, zegt dat het duidelijk is dat we niet uit de wereld kunnen gaan. Gereformeerde mensen hebben dat ook ondervonden. Zij behoren zelfs tot het geslacht van hen die menen dat deze wereld op de een of andere manier positief benaderd zou moeten worden. Hoe men ook over cultuur enzovoort denkt, men behoeft niet bij voorbaat alles af te schrijven. Maar hier ligt een zo groot probleem, dat het vrijwel onmogelijk is om over de Nederlandse wereld, over onze eigen samenleving, over de onderlinge omgang van burgers met burgers, een positieve gedachte te hebben. Het klimaat is verziekt. De wereld van het recht is om. Het geld speelt overal een rol. Of het speelt helemaal geen rol. Als het om miljoenen gaat doet de minister, of het uit eigen zak komt. Het bedrog in het zwarte circuit kent ieder. Wie doet er niet aan mee. De erotiek geeft de toon aan. Reclame is schijnbaar onmogelijk zonder dat er seks bij te pas komt. Alle eenvoudig-burgerlijke gerechtigheid is verdwenen. Fatsoen wordt preutsheid. Alle taboes moeten doorbroken worden. Wie was het ook weer van de vroegere ministers, vandaag zit ze in Straatsburg, die op een congres voor homo-seks een pak condooms aangeboden kreeg, te gebruiken voor anale seks? Wie bevordert in dit land op schaamteloze wijze het veilige vrijen? Wie kan zonder zich te generen op stations en langs straten lopen? Deze wereld is verziekt door geld, alcohol en seks. In die wereld leven mensen die zeggen dat ze niet van déze wereld zijn. Maar het klimaat waarin ook zij ademen is kapot. Op dit punt spreekt geen overheid van een alarmfase, die immers allang is ingetreden. Maar zonder verweer loopt het Nederlandse burgerdom in de straten. Wanneer er dan verziekte geesten zijn die op het punt van seksualiteit meer dan het gewone hebben, dan worden zij in deze, ook door de media opgefokte wereld, meer dan gewoon geprikkeld. En als zo'n figuur dan gereformeerd is, en aan een gereformeerde school werkt, dan is het opeens nieuws. Het werkt. Niet vanwege de ontucht. Want die is overal. Maar vanwege het gereformeerde. Zijn die gereformeerden immers niet de mensen van het strenge principe? Weten zij niet alles beter? Daarom: zet er een wagen neer van de nieuwsdienst, en rapporteer, en presenteer. De natie achter de TV hoeft nu niet te denken over voetbalschandalen. Zij kan voort, een avond lang, met seks. Onder gereforr meerden.'
Je kunt inderdaad je bedenkingen hebben over de manier waarop sommige persorganen zich mfet deze affaire bezighouden. Toch kan ik me er wel iets bij voorstellen waarom mensen zo'n zaak aangrijpen om gereformeerden in het zonnetje te zetten. Schrijven en zeggen wij niet steeds als er in de 'wereld' iets soortgelijks gebeurt: Zie je wel wat het leven zonder God te bieden heeft? En waarom hebben wij eigen scholen opgericht? Toch omdat onze kinderen bij anderen niet meer veilig zouden zijn? En als er iets mis is volgens ons bij 'anderen', dan onderstrepen we toch altijd dat onze bijbelse normen en waarden voor iedereen goed zijn? Gebeurtenissen als deze schieten dan uiteraard een bres in het beeld van een kerkgemeenschap die alles naar het lijkt steeds zo keurig in orde heeft. Echter, gereformeerden kennen zichzelf als mensen die 'geneigd zijn tot alle kwaad'. En dat is een uiterst verootmoedigende belijdenis.
Binnen en buiten
In Opbouw van 8 maart 1996 staat het tweede deel te lezen van een toespraak die drs. H. de Jong hield voor de (Nederlands Gereformeerde) ouderlingenconferentie over het thema 'Gemeente-zijn naar binnen, gemeente-zijn naar buiten'. In de bijbel valt op, aldus drs. De Jong, dat er eerst een concentratie is naar binnen en pas dan een uitwaaiering naar buiten. Onze tijd is er een die een grondige concentratie vraagt naar binnen alvorens zinvol naar 'buiten' te kunnen treden, zo vindt hij. De secularisatie stelt zulke ingrijpende vragen aan de orde dat we daar voorlopig handen en harten vol aan hebben. Drs. De Jong wijst op Jezus' woord dat de graankorrel eerst de aarde in moet om daar te sterven en pas dan kan ze veel vrucht afwerpen (Joh. 12 : 24). Wezenlijk voor de crisis waarin we ons bevinden acht hij het wegvallen van de hele bijbelse wereld.
'De bijbelse wereld, wat bedoel ik daarmee? Het is de hele maatschappelijke ordening die als nasleep met het evangelie is meegekomen en die zich over het gekerstende leven van Europa heeft gelegd. De wereld werd daardoor omgevormd tot een soort voorhof voor de tempel, een gebied waarop de kerk met haar normen en waarden op een zekere instenuning van de kant van de nietgelovigen kon rekenen. Die voorhof, die min of meer gechristianiseerde wereld, is vandaag bezig te verdwijnen, zoals trouwens in het boek van de Openbaring is voorzegd (11 : 2). Dat bedoel ik als ik zeg dat de wereld van de bijbel er bijna niet meer is.'
Welke vragen legt de wereld van nu dan bij ons kerken op tafel? Drs. De Jong noemt de volgende punten.
'Laat ik een aantal dingen noemen en in een willekeurige volgorde een paar vragen stellen. Gesteld, wij treden naar buiten. Wat moeten we tegen de homofiele mens zeggen? Dat terwijl iedereen seksueel tot zijn recht mag komen, uitgerekend hij in onthouding leven moet?
Ik zeg niet dat dit nu een hoofdvraag is, maar we leven wel in een wereld waarin zulk soort vragen als eerste aan de kerk gesteld worden.
Dan: Wat moeten we tegen de vrouw in de samenleving zeggen? Dat ze haar emancipatie moet opgeven en weer terug moet naar het gezin? Wat moeten we tegen de mondig geworden mens zeggen? Dat hij zich weer moet voegen in het gezag van wie boven hem staan en dat hij de maatschappij (de ene mens naast de andere) van nu weer moet terugvormen tot de heerschappij (de ene mens onder de andere) van vroeger? Wat moeten we tegen een christen-verpleegster zeggen als een zieke moslimpatiënt in de stervensfase met haar wil praten over zijn geloof? Is zij gehouden hem het evangelie voor te houden of mag zij om hem te helpen zoeken naar overeenkomstige punten in zijn en haar eigen geloof?
Wat moeten wij tegen de overheden zeggen? Moeten wij hun artikel 36 van de NGB voorhouden en zeggen dat ze weer moeten gaan gehoorzamen aan de wet die in de kerk gepredikt wordt? De wet die bijvoorbeeld de afgoderij van andere geloven en godsdiensten verbiedt?
Wat moet de christenarts zeggen tegen zijn ondraaglijk lijdende patiënt die om euthanasie vraagt? Hem naar een collega met een ruimer standpunt doorsturen? Hoe denken we dat dat bij die patiënt en zijn omgeving overkomt?
Weer iets heel anders: Premier Rabin is vermoord en het Nederlands Dagblad noemde hem een vredestichter. Goed, maar valt hij nu ook onder de zaligsprekingen van de Meester? ("Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.") Hij is geen gelovige. Wel goed dus, maar niet gelovig.
Hoe reageren wij erop dat onder de mensen de tegenstelling gelovig—niet gelovig heeft plaats gemaakt voor die van goed—niet goed? In hoeverre kunnen we daarin meegaan? Of hoe kunnen we daarop inspelen?
Dat zijn geen theoretische vragen. Juist uitermate praktische. En denk erom, ik zeg niet dat overal nieuwe antwoorden op gevonden moeten worden. Veeleer gaat het mij erom dat er op al deze vragen geen onnadenkende antwoorden gegeven worden, volgens het natte-vinger-werk van linkse of rechtse bevlogenheid. Maar wel dit: Als we gewoon doorgaan met het onkritisch geven van de oude antwoorden — die geformuleerd zijn in tijden die van onze moeiten niet afwisten! — dan komen er mensen die wij denken te helpen juist door ons in de knel. Wat ik de evangelikalen (die ik overigens een warm hart toedraag) een beetje kwalijk neem, is het feit dat ze al evangeliserend over al zulke vragen heenstappen, als bestonden ze niet en als waren ze door probleemsjouwers uitgevonden. Maar het resultaat is dat hun boodschap zo in de lucht hangt, zo nergens op lijkt te slaan. Mag je op zulke evangelisatiearbeid wel zegen verwachten? '
Inhakend op de Amersfoortse affaire zou je kunnen zeggen: als de pers zo over dat 'gereformeerde' heenrolt en min of meer insinuerend zegt: Waar blijven jullie nou met je pretenties, dan hebben we ons daar niet geïrriteerd van af te maken. Drs. De Jong heeft het in zijn toespraak niet over 'Amersfoort', want die zaak was nog onbekend toen hij zijn verhaal hield. Maar hij stelt wel aan de orde hoe de 'wereld' naar ons kijkt en hoe wij ons daaronder hebben te gedragen. We citeren nogmaals uit zijn bijdrage dit fragment:
'Nee, wie we ook zijn of tot welke kerk we ook behoren, wij hebben als christenen een hatelijk imago, ondanks ons veelvuldig spreken over de liefde. Moeten we dan samen niet een toontje lager zingen?
De samenleving wordt vijandiger naar de christenen toe, hoor je zeggen. De denk dat het waar is. Maar ik denk ook dat de christenen dit ten dele aan zichzelf te danken hebben, omdat ze te weinig nadenken over de dingen die ze zeggen en over de boodschap die ze doorgeven. Dat wat ze te getuigen hebben zo vaak als een tang op een varken slaat.
En dan heb ik nog niet eens het allerbelangrijkste genoemd. Wat realiseren wij zelf van de christelijke vrijheid waar het evangelie zo nadrukkelijk over spreekt?
Wij moeten ons realiseren dat er tot midden in de gemeente toe mensen zijn die zeggen: Het evangelie? Ja, natuurlijk!, maar die of onder dwang leven of als reactie daarop niets anders vertonen dan een vaak geforceerde vrijheid van die dwang. Er ligt daarom een heleboel huiswerk op ons te wachten. En ik denk dat een serieuze bezinning op al deze inwendige problemen op de duur een grotere winst naar buiten zal opleveren dan een rechtstreeks naar buiten treden met het evangelie, zonder ons van die vragen en moeilijkheden iets aan te trekken.
Reken erop dat de wereld scherp toeziet hoe wij omgaan met de kritiek die zo indringend op ons wordt uitgebracht.
Zou het serieus ermee bezig zijn geen indruk maken, nog afgezien van de nieuwe antwoorden die op de vragen gevonden worden? '
Conclusie van drs. De Jong is o.a.: Laten we ons in onze spontane gerichtheid naar buiten wat kalmer opstellen. We hebben vandaag de handen vol aan onszelf. Laten we eens goed nadenken wat de we wereld eigenlijk te zeggen hebben. 'Is het voor de kerk een schande om hiermee tegen de wereld te zeggen: Voorlopig wegens verbouwingswerkzaamheden gesloten? Om dan de verkoop aan een klein loket te laten doorgaan. Dat wel, ' aldus De Jong. Altijd bereid tot verantwoording, zeker. Maar daar zit wel een zeer bescheiden toon in. Die bescheidenheid siert juist een gereformeerd mens.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's