De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

In 'De laatste dagen in Jeruzalem' (uitgave Kok, Kampen) schrijft de joodse nieuwtestamenticus prof. dr. David Flusser over de passage in de Joodse oudheden van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, waarin over Jezus wordt gesproken. De originele passage werd in een Arabische vertaling ontdekt aan de Hebreeuwse Universiteit. In de Griekse tekst zouden toevoegingen zijn aangebracht door een christen (de kerkvader Eusebius). Hier volgen de twee teksten:

Weergave van de Arabische tekst

'In die tijd was er een wijs man, die Jezus werd genoemd. En zijn gedrag was goed en hij stond als deugdzaam bekend (een andere lezing: zijn onderwijs was voortreffelijk).

En vele mensen onder de Joden en onder andere volken werden zijn discipelen. Pilatus veroordeel hem tot de kruisdood. En zij die zijn volgelingen geworden waren, lieten dit discipelschap niet varen. Zij vertelden dat hij aan hen verschenen was, drie dagen na de kruisiging en dat hij in leven was; dientengevolge dacht men dat hij de Messias (de Christus) was, over wie de profeten wonderen verhaald hebben. En de mensen die zich naar hem Christen noemen, zijn tot op deze dag nog niet verdwenen.

Weergave van de Griekse tekst

'In die tijd leefde Jezus, een wijs man, als men hem inderdaad een man hoort te noemen. Want hij was iemand die verbazingwekkende daden verrichtte en hij was een leraar van mensen die de waarheid graag aannemen. Hij bekeerde veel Joden en velen van de Grieken. Hij was de Messias. Toen Pilatus nadat hij hem door mensen van het hoogste aanzien onder ons had horen beschuldigen, hem tot de kruisdood veroordeeld had, hebben zij die hem als eerste lief hadden gekregen, dit niet opgehouden te doen. Op de derde dag verscheen hij aan hen, weer tot leven gewekt. Want de profeten hadden dit en tienduizenden andere wonderen al over hem voorspeld. En de groep Christenen, mensen die zich zo naar hem noemen, is tot op heden nog niet verdwenen.'

Flusser zegt dat Josephus' waardering over Jezus positief was. Hij zegt: 'Maar is het ook mogelijk dat Josephus' vriendelijke houding ten opzichte van Johannes de Doper en Jezus veroorzaakt wordt door vriendschapsgevoelens die tussen hem en de christenen onder zijn tijdgenoten bestonden? '

De Lutherroos

Luther had al in 1516 een cachet (stempel, lakzegel) ontworpen aan de hand van gegevens uit zijn familiewapen, en het uitgelegd als zinnebeeld van zijn theologie. Gedurende zijn verblijf op de afgelegen vesting Coburg (1530) waar hij uit de verte de gebeurtenissen op de Rijksdag te Augsburg volgde, omdat hij daar vanwege de rijksban niet mocht verschijnen, zond keurvorst Johan Prederik aan Luther een gouden stempel met deze 'Lutherroos'.

Aan Lazarus Spengler, secretaris van de stad Neurenberg, waar het cachet was gegraveerd, en die hem vroeg of het goed was uitgevallen, antwoordde hij in een brief met de volgende inhoud (enigszins vrij vertaald):

'Genade en vrede in Christus. Geëerde, genegen geliefde heer en vriend. Daar ge begeert te weten of mijn cachet goed vervaardigd is, wil ik u vertellen hoe ik dit zegel heb bedoeld als een merkteken van mijn theologie.

Het eerste moet een kruis zijn, een zwart kruis, in een hart dat zijn natuurlijke rode kleur heeft, om er mezelf steeds weer aan te herinneren dat het geloof in de Gekruisigde ons zaligmaakt. Want waar men van harte gelooft, wordt men rechtvaardig. Hoewel het een zwart kruis is dat ons doodt en ons smart berokkent, laat het nochtans ons hart in zijn eigen (rode) kleur. Want het vernietigt ons mensen niet, maar schenkt ons het leven. De rechtvaardige zal immers door het geloof léven; maar, dit is het geloof in de Gekruisigde.

­Zulk een hart moet echter midden in een witte roos staan, om aan te duiden dat het geloof vreugde, ­troost en vrede geeft, en ons kort gezegd in een witte, vrolijke roos zet. Niet zoals de wereld vrede en vreugde geeft! Daarom moet de roos wit een de niet rood zijn, want wit is de kleur van de geesten e­en van alle engelen.

Zulk een roos staat in een hemelsblauw veld, om­dat die vreugde in de geest en in het geloof de aan­vang is van de toekomstige hemelse vreugde, ­thans wel reeds innerlijk ervaren en in hope omhelsd, maar nog niet onverhuld.

En dan om dat veld een gouden ring, omdat deze zaligheid in de hemel eeuwigdurend is en geen einde heeft en ook kostelijk is boven alle vreugde en goed (op aarde), zoals het goud het hoogste en kostbaarste is van alle metalen.

Christus, onze lieve Heere, zij met uw geest tot in dat (eeuwige) leven.

Ex Eremo Grubok (d.i. vanuit de woestijn Koburg in anagram!), 8 juli 1530.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1996

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1996

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's