De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Johannes Hus: voorloper van de Reformatie (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Johannes Hus: voorloper van de Reformatie (4)

10 minuten leestijd

Het concilie van Konstanz (1414-1418)

Het pauselijk schisma, in 1378 begonnen, werkte bepaald niet in het voordeel van de kerk, zoals we al eerder zagen. Zo rond de overgang van de 14e naar de 15e eeuw rees bij velen het verlangen om de kerk te reformeren 'in capite et membris' (= in hoofd en leden). Steeds luider werd de roep om hervorming en steeds meer de stemmen die aandrongen op het houden van een algemeen concilie.

Dit concilie moest niet zomaar een concilie zijn en alleen de kerkelijke hiërarchie vertegenwoordigen. Nee, het moest op dit concilie echt conciliair toegaan, d.w.z. het moest de hele westerse christenheid in al haar geledingen vertegenwoordigen. Zodat de besluiten die op dit concilie werden genomen werkelijk met gezag bekleed zouden zijn en door velen gedragen zouden worden.

Dit concilie is er inderdaad gekomen: van 1414 tot 1418 in Konstanz, schilderachtig gelegen aan de Bodensee, op de grens van Duitsland en Zwitserland.

Als zodanig is het één van de grootste concilies geweest uit de kerkgeschiedenis. Vrijwel de hele christenheid uit het westen was er in al haar geledingen aanwezig. Niet alleen de geestelijkheid, maar ook doctores in de theologie, vorsten, edelen en leken van allerlei slag. Er werd niet hoofdelijk, maar per nationaliteit gestemd en binnen de nationaliteiten hadden niet alleen geestelijken, maar ook vorstelijke gezanten stemrecht. Men zou kunnen zeggen dat op het concilie van Konstanz de kerk (zeker naar de begrippen van die tijd) op democratische wijze vertegenwoordigd was.

Dit feit èn het feit dat dit concilie belegd was om de kerk 'in capite et membris', in hoofd en leden te hervormen, wekte hoge verwachtingen. Maar het is uitgerekend dit concilie geweest dat de moord op Johannes Hus op z'n geweten heeft. Want anders dan moord met voorbedachte rade kan de dood van Hus niet genoemd worden.

Drie zaken dienden op dit concilie:
- de causa unionis (over de eenheid van de kerk, dus de beëindiging van het pauselijk schisma)
- de causa reformationis (over de hervorming van de kerk in hoofd en leden)
- de causa fidei (over veroordeling van de dwalingen van Wyclif en Hus).

U leest het goed: het derde punt diende de veroordeling van de dwalingen van Wyclif en Hus. Wyclif was inmiddels al overleden (1384). Hus zou door deze besluiten rechtstreeks getroffen worden, want van te voren stond de veroordeling van wat hij leerde al vast en zo hij bij zijn standpunten bleef, zou die veroordeling ook zijn persoon raken.

Naar Konstanz

Niettemin gaat Hus naar Konstanz. Er bestaan over de directe aanleiding van zijn verantwoording aan het concilie van Konstanz verschillende lezingen die wellicht elkaar aanvullen. De ene lezing meldt dat Hus zelf zijn tegenstanders zou hebben uitgedaagd om hem voor het concilie aan te klagen van ketterij.

Een andere lezing is dat de kerkelijke verwikkelingen rond Johannes Hus niet beperkt bleven tot Bohemen, maar hun invloed ook in andere Europese landen, met name Duitsland lieten gelden. Om die reden meent de Duitse koning Sigismund (een broer van de Boheemse koning Wenzel) dat het concilie als scheidsrechter moet optreden. Hij vindt Hus bereid naar Konstanz te gaan, mits die van koning Sigismund vrijgeleide krijgt. Dit vrijgeleide wordt hem verleend en zo gaat Hus op weg naar Konstanz om zich daar in het openbaar te verdedigen en voor het concilie Christus te belijden.

Naast dit vrijgeleide gaf koning Sigismund aan drie Boheemse edellieden de opdracht om tijdens de reis naar en het verblijf in Konstanz voor de veiligheid van Hus zorg te dragen.

De reis van Bohemen door Zuid-Duitsland naar Konstanz heeft voor Hus het karakter van een triomftocht. Hij (s)preekt in vele plaatsen en overal wordt hij vriendelijk ontvangen, zodat hij tot de conclusie komt dat de vijandschap jegens hem bij zijn eigen landgenoten het grootst is. Zij, d.w.z. de ter concilie aanwezige Tsjechische geestelijken, zijn het dan ook die Hus in staat van beschuldiging stellen.

Intussen rijst de vraag hoe Hus zich in het hol van de leeuw heeft durven wagen? Is Hus te argeloos geweest?

Heeft hij van dit hervormings-gezinde concilie te hoge verwachtingen gekoesterd?

Er is nogal eens gezegd dat Hus, ondanks de waarschuwingen van zijn vrienden om niet naar Konstanz te gaan, nogal naïef is geweest om wel te gaan.

Hoewel Hus een zekere naïviteit niet kan worden ontzegd, is deze voorstelling niet helemaal juist. Hus rekent namelijk met zijn dood, ondanks het koninklijk vrijgeleide en de persoonlijke bescherming van drie Boheemse edelen. Want al voor zijn vertrek uit Bohemen 'bereidt hij zijn huis', in de verwachting dat hij niet meer levend terug zal komen. Hij maakt o.a. een testament, terwijl hij een afscheidsbrief schrijft aan allen die zich met hem verbonden weten.

Gevangen, verhoord en veroordeeld

Hus heeft dat goed ingeschat. In Konstanz wordt hij vrijwel meteen gevangen genomen, ondanks het vrijgeleide en het protest van koning Sigismund, die echter uit vrees om het concilie in gevaar te brengen niets ten gunste van zijn beschermeling onderneemt.

Van december 1414 tot juni 1415, de tijd van het vooronderzoek, zit Hus gevangen op een eilandje in de Bodensee, dicht bij Konstanz. Zijn gevangenvertrek bevindt zich dicht bij een riool. Dat betekent in begrippen van die tijd: een open riool. In deze ongezonde omstandigheden wordt Hus dan ook ziek. Het concilie oordeelt dat de leer van Wyclif en Hus met elkaar verbonden zijn. Als in eerste instantie Wyclifs persoon door het concilie wordt verdoemd, zijn geschriften en leer ten dele als dwaalleer, ten dele als ketters en in ieder geval als revolutionair worden veroordeeld, is daarmee het vonnis over Hus ook feitelijk al geveld.

Op 5, 7 en 8 juni van het jaar 1515 volgen er voor Hus drie dagen van afmattend verhoor tijdens een openbare zitting van het concilie. Van verhoor was op 5 juni nauwelijks sprake. Hij wordt aangevallen op zijn boek 'De ecclesia' (Over de Kerk). Als hij (zoals Luther later voor de rijksdag in Worms) belooft mogelijke dwalingen in dit boek te zullen herroepen als men hem vanuit de Heilige Schrift daarvan kan overtuigen, valt de hele aanwezige clerus tierend en schreeuwend over hem heen, figuurlijk gesproken. Als het weer wat rustig is geworden, zegt Hus: 'Ik heb altijd gedacht dat er op een concilie meer fatsoen, vroomheid en tucht zou heersen'.

Dat fatsoen is er twee dagen later wel. Hus wordt opnieuw bevraagd over zijn boek 'De ecclesia' en over zijn verhouding met Wyclif. Hij antwoordt dat hij Wyclif voor een vroom man houdt en wenst dat zijn ziel eens daar zal zijn waar die van Wyclif is. Tevens verwerpt hij de beschuldiging dat hij Wyclifs leer van het Avondmaal, dat is de verwerping van de transsubstantiatie, zou hebben overgenomen. Opnieuw spreekt hij uit dat hij zich aan het concilie zal onderwerpen als dat hem op grond van de Heilige Schrift kan overtuigen dat hij gedwaald heeft.

Een dag later vindt het derde verhoor plaats, waarop hem wordt gezegd dat er voor hem redding is als hij zich aan de uitspraken van het concilie onderwerpt, maar dat het voor hem levensgevaarlijk is om zelfs maar aan enkele van zijn stellingen vast te blijven houden.

Na het derde verhoor staat vast dat Hus als ketter gedood moet worden. Een maand later, 6 juli 1415, veroordeelt het concilie Hus als ketter tot de vuurdood.

Het einde

In de vier weken die volgen, wordt geen enkele moeite gespaard om Hus te bewegen zijn ketterse uitspraken en geschriften te herroepen. Overigens zonder resultaat.

Op de dag waarop het vonnis ten uitvoer wordt gebracht, vindt eerst degradatie plaats. Hus wordt gekleed in het volle ornaat van een mispriester, waarvan hem vervolgens het ene na het andere onderdeel wordt uitgetrokken onder het uitroepen van allerlei verwensingen. Als daarna alle aanwezigen roepen: 'Uw ziel zij de duivel overgegeven', antwoordt Hus: 'Ik beveel mijn ziel aan de Heere Jezus Christus'.

Terwijl hij naar de plaats van de terechtstelling even buiten Konstanz wordt gebracht, gaat het concilie over tot de orde van die dag.

Op de plaats van de terechtstelling knielt Hus neer en bidt met luide stem: 'Ontferm U over mij, mijn God! Op U heb ik gehoopt, Heere. In Uw handen beveel ik mijn geest!' Als hij gedwongen wordt op te staan, roept hij duidelijk verstaanbaar: 'Heere Jezus Christus, deze afgrijselijke, smadelijke dood wil ik deemoedig en geduldig ondergaan voor Uw evangelie en de verkondiging van Uw Woord'.

Als hij al vastgebonden aan de paal op de brandstapel staat, wordt hij nog eens gemaand zijn leven te redden door te herroepen. Daarop spreekt Hus: 'God is mijn getuige dat ik nooit iets geleerd heb waarvan valse getuigen mij beschuldigen. In de waarheid van het evangelie, die ik door mijn geschriften en prediking heb uitgedragen, wil ik heden in vrede sterven'. Meteen daarop wordt de brandstapel aangestoken en zingend blaast Johannes Hus de laatste adem uit.

Evaluatie van het proces

Op grond van welke beschuldigingen heeft het concilie Hus veroordeeld? Naar de kerkelijke rechtspleging van die dagen (waarmee de wereldlijke overheid overigens instemde) wachtte een ketter, die hardnekkig bij zijn ketterij bleef, de doodstraf. Maar heeft men Hus van ketterij kunnen beschuldigen? Het antwoordt op die vraag moet zijn: nee!

De zwaarste beschuldiging, die overeenkomstig de toenmalige begrippen tegen Hus kon worden ingebracht, zou geweest kunnen zijn dat hij de leer der transsubstantiatie, de wezensverandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van de Heere Jezus, verwierp. Maar die beschuldiging kon juist niet tegen Hus worden ingebracht omdat hij uiteraard op dat punt Wyclif niet was gevolgd.

Wat overbleef was zijn boek over de kerk. Maar viel hij te beschuldigen van ketterij op grond van een boek waarin hij keer op keer op de hoog geroemde kerkvader Augustinus teruggrijpt? Daarbij komt dat in die dagen nog helemaal geen officieel leerstuk van de kerk bestond, op grond waarvan Hus met zijn eventuele afwijkende mening ten aanzien van dat leerstuk had kunnen veroordeeld worden.

Wat overblijft is tenslotte niets anders dan dit; Hus beriep zich in zijn pogingen om de kerk te hervormen niet op de kerkelijke autoriteiten, maar alleen op de Heilige Schrift en zijn geweten, dat hij door die Schriften liet leiden.

Maar is dat een wettige grond van beschuldiging te noemen?

Toen het concilie eenmaal had uitgesproken dat de leer van Wyclif en Hus gezien moesten worden als met elkaar verbonden en nadat het over Wyclif het 'anathema' (vervloekt zij...) had uitgesproken en zijn boeken en leer had voorzien van het predikaat 'ketters' viel er voor Hus niet meer op redding te hopen. Zijn veroordeling stond toen feitelijk ook al vast. Van een objectief proces kan derhalve niet gesproken worden.

De rol die koning Sigismund hierin gespeeld heeft, is bepaald kwalijk te noemen. Niet alleen is hij gebleken een woordbreker te zijn, maar toen de veroordeling van Hus eenmaal een feit was, heeft hij alles in het werk gesteld om te voorkomen dat Hus zou herroepen. Er moest, wat hem betrof, een duidelijk voorbeeld gesteld worden om de dwaalleer in Bohemen de kop in te drukken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1996

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Johannes Hus: voorloper van de Reformatie (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1996

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's