De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verbreiding en verdediging van de waarheid (3)

Bekijk het origineel

Verbreiding en verdediging van de waarheid (3)

11 minuten leestijd

Over 'Evangelisatie' in de Westerse wereld van toen en nu

(Lezing voor de contio van G.B.-predikanten, Driebergen, 3 januari 1996)

Onze opdracht: zending in mindertieidssituatie

In deze situatie zijn wij geroepen tot zending. Ik denk dat we veel kunnen leren van de vroege kerkgeschiedenis. Die gedachte is ingegeven door het feit dat er zoveel overeenkomst is in situaties tussen toen en nu. Wij zijn gewend om ons theologisch-dogmatisch te oriënteren op de Reformatie. Dat moeten we vooral ook blijven doen. Het is alleen goed om onszelf de vraag stellen in hoeverre de situatie van de kerk in de zestiende eeuw zozeer verschillend was van die van nu dat we geen directe lijnen kunnen trekken. Het geding Rome-Reformatie, hoe ingrijpend en fundamenteel de controverse ook was, was een intern-christelijke controverse. Er was geen echt geding tussen de kerk en daarbuiten. Het bestaan van en het geloof in God was niet ter discussie. De strijd daarover hoefde niet gevoerd te worden. Er was ondanks alles een gemeenschappelijk fundament bij de grootste tegenstanders: het geloof in God. Vanuit deze positie domineerde de kerk de samenleving. Ik zeg dat niet om de toenmalige controverse te bagatelliseren. Ik zeg het alleen om des te duidelijker vast te stellen hoe kritiek de huidige situatie is en hoe groot de kloof is tussen ons en de buitenwereld. Ik wil er graag een pleidooi voor voeren dat wij ons sterker gaan verdiepen in de vroege kerkgeschiedenis, met name in de positie van de kerk in de hellinistische wereld. In die eerste eeuwen van de kerk leek het geding meer op dat van ons vandaag. De positie van de kerk was die van een minderheid. Het geloof in de God van de Bijbel was voor de buitenwacht op zijn best een curiositeit. Voor de gemeente lag er de opdracht en de uitdaging om niet alleen christelijk te heten, maar het ook werkelijk te zijn. Ik ben me bewust van de verschillen in situatie. Een pre-christelijke situatie is niet zonder meer te vertalen naar een post-christelijke situatie. Niettemin geloof ik dat de oriëntatie op de vroege kerk heilzaam is. De historische afstand is groter dan die naar de Reformatie, maar de afstand qua situatie is kleiner.

Overeenkomsten westerse wereld toen en nu: enkele flitsen

In de verlegenheid waarin we ons bevinden, is het goed om te zoeken naar herkenning in de geschiedenis. Het is daarbij het meest interessant om te proberen in de huid te kruipen van de mensen van toen. Daarom een paar beelden van het leven en de mensen in de hellenistische wereld.

In de eerste plaats het volgende: in de wereld van het Nieuwe Testament en de vroege kerk was het tweespaltige aanwezig van een hoogontwikkelde beschaving en een angstig levensgevoel, van mondigheid en afhankelijkheid. De hellenistische cultuur werd gekenmerkt door een hoge ontwikkeling van de filosofie (Aristoteles, Plato en Stoa), de literatuur (de grote heldendichten en de klassieke tragedies), de architectuur (de zeven wereldwonderen), de techniek (bouw van de piramides!), de rechtsspraak, de politieke wetenschap, enz. Er waren de grote en imposante wereldsteden: Rome en Athene, Alexandrië en Antiochië, Corinthe en Efeze, met overigens ook alle kenmerken van een verstedelijkte samenleving: multicultureel, tegenstellingen arm-rijk, enz. In ieder geval: een beschaving die een hoge vlucht genomen had en waarop wij in de Westerse wereld vandaag nog altijd voortbouwen. Aan de andere kant echter werd het levensgevoel van de mensen gekenmerkt door grote angst. Ik denk dat wij dat vandaag zouden aanduiden als demonisch. Het leven werd immers beheerst door onberekenbare, grillige goden. Er werd door de mensen feest gevierd ter ere van die goden. Bacchus en Venus waren om voor de hand liggende redenen populair. Maar diezelfde goden konden ineens hun bliksem uit de hemele slingeren en je treffen door hun wraak of onlustgevoel. De vergelijking met de mensen van de twintigste eeuw ligt voor de hand. Zelfbewust en toch onzeker. Mondig en toch bezeten. Laten we overigens dus niet vergeten dat het antieke heidendom zeer religieus was!

Nog een ander beeld. Er was grote welvaart in vele delen van het Romeinse Rijk, maar de welvaart bracht uiteindelijk met zich mee dat er situaties ontstonden die wij ook onder de mensen herkennen: het gekste is op een gegeven moment nog niet gek genoeg. Vooral rond het theater speelden zich bizarre dingen af. Dr. F. van der Meer vertelt in zijn boek 'Augustinus de zielzorger' dat de mensen zich voor het theater diep in de schulden staken. Het summum van plezier was namelijk dat je zelf een dier inzette voor de beestengevechten in het theater. En dat kon natuurlijk niet een gewone leeuw of tijger zijn; zoiets zou wel erg burgerlijk zijn. Het moest een olifant of een giraffe zijn die je speciaal liet omporteren. Dat kostte uiteraard een lieve duit en mensen vervielen tot de bedelstaf voor dit soort grappen. Zoals in onze tijd mensen een lening afsluiten bij de bank om een kaartje voor een voetbalwedstrijd in Amerika te kunnen betalen. Kortom: de decadentie sloeg toe, met als toppunt (of dieptepunt) dat het uiteindelijk 'in' was om decadent te zijn.

Het zijn maar wat impressies. Genoeg echter om ons even te laten voelen in wat voor wereld de eerste christenen leefden en de eerste gemeenten hun plaats moesten zoeken. Het was niet meer dan een minimaal en marginaal groepje atheïsten (zoals ze genoemd werden omdat ze de Griekse en Romeinse goden afzwoeren), een minderheid in de grote wereld van toen. Niet alleen internationaal gezien, maar ook in de plaatselijke situatie. Hoe groot waren immers de wordende gemeenten in Efeze, Corinthe en al die andere steden? Honderd christenen in een wereldstad als Rome? Meer, minder? In ieder geval een heel kleine minderheid.

Verbreiding en verdediging van de Waarheid

In die antieke wereld hebben de eerste christenen hun weg gezocht. En wonderlijk genoeg: zij zijn niet in hun schulp gekropen, maar zij waren levende getuigen van de Waarheid. Dat getuigenis heeft hoofdzakelijk op twee niveaus gestalte gekregen. In het gewone leven van de gemeenteleden en op meer academisch niveau via het werk van de apologeten.

De sterkste werfkracht van de vroege christelijke gemeenten ging uit van de levenswandel van de gemeenteleden. Een levenswandel die gekenmerkt werd door eenvoudige trouw aan het gebod van God tot liefde, onderling en naar buiten. De belangeloze dienstvaardigheid oogstte niet alleen respect, maar werkte ook overtuigend. De trouw aan de Heere Jezus tot in de martelaarsdood toonde dat er meer was dan alleen maar een theoretische visie op de wereld. Er was blijkbaar werkelijke wederliefde voor iemand wiens liefde meer waard was dan het leven. Niet de georganiseerde actie, maar de levenspraktijk was het beste zendingsmiddel in de eerste eeuwen van de christelijke kerk! Een van de zeer duidelijke voorbeelden is te vinden in de beroemde brief aan Diognetus.

Daarnaast was er het werk van de vroegchristelijke apologeten. Een spannend gebeuren. Het feit dat er vanuit de antieke wereld serieuze bestrijding van het christendom kwam, laat zien dat in ieder geval dat christendom serieus genomen werd. Het antwoord op de bestrijding kwam van de apologeten (denk aan Justinus, Tertullianus, Origenes) met als eindpunt en hoogtepunt het werk van Augustinus. De start van hun werk was dus vooral verdedigend. Doordat op deze manier de ontmoeting tussen heidense en christelijke 'filosofen' op gang kwam, diende de verdediging ook de verbreiding van de Waarheid. De dogmenhistoricus Alfred Adam karakteriseert het werk van de apologeten zelfs als een puur missionair gebeuren. Het spannende zit hierin dat de apologeten enerzijds een landingsbaan hebben gezocht voor de boodschap van het Evangelie en aan de andere kant de belissende confrontatie van het Evangelie met de heidense filosofie niet uit de weg zijn gegaan. Anders gezegd: ze wilden hun boodschap niet zonder meer droppen, maar werkelijk van een adres voorzien. Dat kon niet anders dan door in te gaan op de filosofie en gebruik te maken van vertrouwde filosofische categorieën. Tegelijk waren ze echter meer dan mensen die met een alternatieve filosofie kwamen. Er was meer aan de hand dan een academische discussie! Ze hadden een boodschap, waarvoor ze tenslotte ook met hun leven in stonden: de Waarheid!

Om het werk van de apologeten wat gezicht te geven, noem ik als voorbeeld hun gebruik van het begrip LOGOS uit de contemporaine filosofie. Een grove schetslijn: in de hellenistische filosofie is de gedachte aanwezig dat de Logos een soort middelaar is tussen de godenwereld en de mensenwereld. In ieder mens is een overblijfsel aanwezig uit de godenwereld: de ziel, een goddelijke lichtvonk. Die lichtvonk is echter gekluisterd aan het stoffelijke, de materie, en moet bevrijd worden. Daarom

is de Logos uit de godenwereld afgedaald naar de mensen om hen te roepen hem te volgen. Wie de Logos volgt, wordt aan het einde van het aardse leven bevrijd uit de lichamelijke kerker en keert terug naar de lichtwereld van de goden.

De apologeten zeiden: de heidense filosofen hadden met deze visie deel aan de 'algemene openbaring' van God via de Logos. Daardoor kwamen zij een eind in de goede richting. Zij waren 'christenen voor Christus'. Hun manco zat echter hierin dat zij niet wisten wie de Logos is. Dat laatste openbaart alleen het Evangelie: Jezus Christus is de Logos.

Deze aanpak van de apologeten betekende twee dingen. In de eerste plaats werd de hellinistische filosofie niet afgewezen, maar vastgehouden en gebruikt als landingsbaan voor de boodschap van het Evangelie. In de tweede plaats werd de beslissende stap gezet: alleen vanuit het Evangelie kennen wij de Waarheid: Jezus Christus is de Logos. De grote vraag is uiteraard meteen of de apologeten in al hun diversiteit niet te ver gegaan zijn. Was H. M. Kuitert ook onder de apologeten, bv. in de persoon van de allegoriserende Origenes? En was W. Aalders onder hen, bv. in de persoon van de edele Augustinus? Het is lange tijd mode geweest om de hellenisering van het christendom meteen ook te zien als de grote zondeval en verduistering van het christelijk geloof. Langzamerhand komt er meer zicht op dat hun optreden beter gekarakteriseerd kan worden als missionaire arbeid bij uitstek. Duidelijk is in ieder geval dat de vragen rond de confrontatie met de tijdgeest niet nieuw zijn en dat we aan het spanningsveld dat hier ligt niet ontkomen, wanneer we met het Evangelie in de tijd willen staan.

Vandaag

Met het Evangelie in de tijd staan. In de vroege kerkgeschiedenis speelde dat in ieder geval op de genoemde twee niveaus. Vandaag wil ik graag vooral de nadruk leggen op het eerste: de roeping van de gemeente in het gewone, alledaagse leven. Wat het tweede betreft (de academische discussie voor het forum van de wereld) alleen de vraag: wie zou er dan een serieuze gesprekspartner voor de wereld van vandaag zijn?

Nu echter de nadruk op de gemeente zelf, dus op ons allemaal. Naar mijn stellige overtuiging gaat het er ook vandaag om dat de gemeente zelf in haar levenswandel het beste zendingsinstrument is. Het gaat vandaag niet in de eerste plaats om inventiviteit voor het bedenken van een slimme campagne. Het gaat erom dat de gemeente zelf een toegewijde en eenvoudige gemeente is; een gemeente die oprecht en van harte in de dienst van Christus staat, van heel de kerk: van links tot rechts, van hoog tot laag, van progressief tot conservatief, en met name in de volle breedte van de gereformeerde gezindte. Niet als wij karikaturen van elkaar maken, wel wanneer wij luisteren naar de beste vertegenwoordigers. Het gaat uiteindelijk toch om de eenvoudige, hoewel niet simpele vragen van het gesprek met onze buren, van de verstaanbaarheid van onze kerkdiensten, van de geborgenheid in onze gemeenten, van de overdracht van het geloof aan onze kinderen, van de laatste ernst waarin wij voor het aangezicht voor God staan, van...

Afsluiting

Ik wil u wel eerlijk zeggen dat mij regelmatig de vraag bekruipt (een vraag die soms crisisachtige vormen kan aannemen) of wij zelf toch niet de grootste sta-in-deweg zijn voor de verdediging en verbreiding van de Waarheid. Vanwege ons gebrek aan werkelijke trouw en toewijding. Niet op een hoogdravende manier, maar eenvoudig en fijnzinnig. Omdat Christus ons alles is. Werkelijk alles.

Een moment uit een toespraak tijdens een Leicester-conferentie nu ongeveer tien jaar geleden staat in mijn geheugen gegrift. De spreker vertelde dat een predikant bij zijn afscheid met gepaste bescheidenheid tot zijn gemeente gezegd had: ik heb u de volle raad Gods verkondigd! De spreker op de conferentie stelde de kritische vraag: had hij ook een ziel gered voor Jezus?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1996

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Verbreiding en verdediging van de waarheid (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1996

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's