In de voetsporen van Voetius
Kerkeraden hoeven de komende maanden niet lang te zoeken naar een passend verjaardagscadeau voor hun predikant. Je kunt onbenulliger zaken weggeven dan twee mooie banden Voetius met een schat aan studiemateriaal voor de pastorale praktijk, die door toedoen van dr. C. A. de Niet zijn verschenen. Toch was De Niet niet jarenlang met de onbekende Voetius bezig om kerkeraden ter wille te zijn. 'Ik heb deze waardevolle en hoogstaande samenvatting van de praktische theologie zoals die volgens Voetius gestalte zou moeten krijgen voor nieuw wetenschappelijk onderzoek toegankelijk willen maken.'
Drs. C. A. de Niet had zijn studies Nederlands en klassieke talen achter de rug en wilde promoveren op een zeventiendeeeuws literair onderwerp. Vanuit de Stichting Studie der Nadere Reformatie kreeg hij echter de vraag eerst 'een boekje van Voetius' te willen vertalen. Het boekje was inderdaad klein van formaat, maar telde wel 828 dichtbedrukte bladzijden. En hoewel de inleidende gedeelten van het werk nog in tamelijk klassiek getint Latijn gesteld waren, brachten de eerste hoofdstukken een confrontatie met de scholastieke, thans in onbruik geraakte academische redeneertrant van de zeventiende-eeuwse hogescholen, en met talloze verwijzingen naar heden ten dage merendeels onbekende auteurs. Wat te doen? Prof. dr. C. Graafland bracht uitkomst. Juist was de regel doorbroken dat iemand slechts binnen de faculteit van zijn opleiding kon promoveren, zodat De Niet met zijn letterendiploma's op jacht kon gaan naar een doctorsgraad onder leiding van een hoogleraar in de theologische faculteit. Graafland overlegde met collega's en De Niet wist wat hij naast zijn baan als docent aan het Amersfoortse Van Lodensteincollege kon gaan doen. Eind februari promoveerde hij in Utrecht op een tekstuitgave met inleiding, vertaling en commentaar van 'De praktijk der godzaligheid' van Gisbertus Voetius. (Uitg. De Banier, Utrecht; gebonden, ca. 1200 blz.; prijs ƒ 175, - ).
Onbekende Voetius
Gisbertus Voetius (1589-1676), een van de centrale figuren van de Nadere Reformatie en de eerste hoogleraar theologie aan de Utrechtse academie, bleef ook onder gereformeerden niet lang bekend. Toen de hogeschool een eeuw bestond, is zijn preek 'Nuttigheden van de scholen ende academiën' opnieuw verschenen en in 1974 zag zijn disputatie over de geestelijke verlatingen opnieuw het licht. In 1989 volgde een academisch congres. Onder welke naam? De onbekende Voetius.
Dr. De Niet: 'Zijn grote werken zijn allemaal in het Latijn. Zelfs onder theologen is het tegenwoordig al uniek als je vlot Latijn kunt lezen. De tweede reden waarom hij onbekend is — prof. Van 't Spijker voert het zelfs als een van de voornaamste redenen aan — ligt in zijn scholastieke methode. Hij was hierin echter geen uitzondering. In zijn tijd was de scholastiek aan gereformeerde universiteiten een aanvaarde methode.'
In afgescheiden kring is Voetius nog bekend vanwege zijn belijdenis vragen. Voetius bleek vooral de man van de Academie. 'In Heusden was hij met hart en ziel predikant, toch zag hij het onderwijs aan de studenten als zijn eerste taak, tot ver over onze landsgrenzen heen. Er zijn bijvoorbeeld ettelijke Hongaarse studenten bekend, die door hem geschreven disputaties in het openbaar verdedigd hebben.'
Studiemateriaal
De Niet meent dat Voetius vooral in kerkhistorische zin autoriteit heeft. Men kent zijn werken niet. 'De drempel van de universitaire taal van die dagen is te hoog. Wel hebben er velen in het spoor van Voetius gepubliceerd, nadat zijn hoofdwerk "Ta askètika sive Exercitia pietatis", "De praktijk der godzaligheid" in 1664 verschenen was. Tot je verrassing zie je dan citaten in allerlei boeken voorkomen. Voetius biedt studiemateriaal aan voor de praktijk van het pastoraat, bijvoorbeeld het deel over de broederlijke vermaning, een onderdeel van het hoofdstuk over het huisbezoek dat voor het kerkelijk spreken tot op de dag van vandaag relevant is. Mijn onderzoek is echter niet op de invloed van Voetius gericht.'
De Utrechtse geleerde wilde niet dat zijn werk in het Nederlands vertaald werd. 'Dat hangt samen met de enorme hoeveelheid citaten van rooms-katholieke auteurs uit zijn tijd, uit de Middeleeuwen en, wat minder gevoelig lag, citaten van de kerkvaders. In zijn Woord vooraf zegt Voetius dat hij geen vertaling wilde, omdat het boek niet voor persoonlijke stichting in de luie stoel bestemd is. Het vereist denkwerk, is allesbehalve meditatief van aard. Voor ons is het nu toegankelijk, omdat er commentaar bij staat. Stel echter dat iemand het hoofdstuk over devotie leest, dan waag ik het te betwijfelen of men werkelijk zou doorgronden wat het wezen van devotie is. Ik heb getracht dat door middel van aantekeningen doorzichtig te maken.
Voetius publiceerde zijn collegedictaten mede op verzoek van oud-studenten die reeds een gemeente dienden. Hen wapent hij op een manier die hem maakt tot de spil van de Nadere Reformatie. Dan bedoel ik dat met het oog op de invloed vanuit het puritanisme en vanwege het programmatische karakter. Hij laat bijvoorbeeld zien hoe je moet optreden ten aanzien van een aangelegen punt als de verhouding tussen kerk en overheid. Niet voor niets is dat hoofdstuk wel 200 pagina's dik.'
Felle disputen
'De onbevangenheid waarmee hij de volle breedte van de wetenschapsbeoefening van die dagen tegemoet treedt, kan ons tot lering strekken. Waaraan ik dan denk? Dat je niet al te snel mensen op de klank van de naam af in een hoekje zet. Voetius was verre van krampachtig, hoewel hij als een enghartig, steil en pedant mens bekend staat. Hij citeert wel erg graag en laat dan blijken wat hij allemaal gelezen heeft. In die dagen was dat echter geen vorm van bluf, maar een objectieve verantwoording op grond waarvan je tot stellingen komt. Felle disputen met vriend en vijand gaat hij gewapend met alle relevante kennis in.'
Wat zou je krijgen als een van onze predikanten een bijbels verantwoorde uitspraak van bijvoorbeeld moeder Teresa zou citeren?
'Als er een verwijzing naar een rooms-katholieke "heilige" van de kansel zou klinken, gaat er een schok van emotie door de kerk. Dat moet je echter niet doen op de kansel, zegt Voetius. Dat is het zuivere bij hem. Je moet het kader weten waarin je spreekt, want je kunt niet overal alles zeggen. Dat sticht niet. Alles wat Voetius deed, sprak en schreef, stond in het kader van de stichting van de gemeente. Op een afstand verbazen we ons weliswaar over de felheid waarmee hij zijn opponenten bestreed, maar hij wilde die polemiek niet op de straten van Amsterdam hebben. Gebeurde dat toch, dan trok Voetius zich terug. Vanuit dat standpunt heeft Voetius het aan zichzelf te wijten dat "De praktijk der godzaligheid", dit waardevolle werk, snel onbekend is geworden. Nader onderzoek moet nog bewijzen dat veel van de dingen die Voetius noemt, via zijn leerlingen en door geschriften in de volkstaal zonder bronvermelding wel bekend geworden zijn. Wie het spreektaalkarakter van de disputaties in deze bundel in aanmerking neemt, kan ook iets ervaren van het levendige dispuut. Overigens niet altijd, want de eindeloze opsommingen en onderverdelingen hebben mij ook wel eens moeite gekost.'
Scholastisch
Het onderzoek van De Niet bestond voornamelijk in het zoveel mogelijk boven water halen van de boeken die Voetius in zijn 'De praktijk der godzaligheid' noemt. 'Ik controleerde die citaten en heb in het eerste deel een zo zuiver mogelijke tekst, voorzien van alle tekstkritische aantekeningen, opgenomen. In het tweede boek, het vertaaldeel, heb ik de bronnen genoemd, en indien nodig commentaar erbij gegeven. Ik ben vooral als filoloog (wetenschappelijk beoefenaar van taal en letteren, red.) bezig geweest en heb geaarzeld me over theologische vragen uit te spreken. Wanneer dr. Tukker het in zijn (overigens gewaardeerde) RD-recensie onbevredigend noemt dat ik op theologische vragen niet wil ingaan, terwijl die naar zijn suggestie op elke bladzijde van mijn inleiding aan de orde komen, zeg ik: Dat is niet waar, want zeker meer dan de helft van mijn inleiding is filologisch van aard. Dat het nu toevallig over theologische teksten gaat, is iets anders dan dat ik theologische vragen opper. Ik heb alleen een theologisch-historisch verantwoorde keuze ten aanzien van de veelgesmade gereformeerde scholastiek gemaakt. Dit was, naar mijn inzicht, een van smetten gezuiverd instrumentarium, dat aan alle gereformeerde faculteiten van de zeventiende eeuw gehanteerd werd. Het wordt vaak zó voorgesteld alsof Voetius hierin een buitenstaander was en zó de idealen van de Nadere Reformatie heeft willen' verkondigen. Hij was echter helemaal geen eenling, ook niet onder de gereformeerden. Omdat hij een instrumentarium hanteert dat voor ons vreemd is (wij zitten niet op zo'n schematische behandeling van de meditatie, de aanvechtingen enzovoorts te wachten) krijg je opmerkingen als: "Hier drukt de wetenschap het zieleleven weg". Dat mag men menen, als men maar niet stelt dat Voetius hierin als enige schuldig staat.
Had ik verdere theologische keuzen gemaakt, dan zou ik iets pretenderen wat ik niet beheers. Wat ik gedaan heb, is me uitsluitend stellen in de schaduw van Voetius en me dienstbaar maken aan een hernieuwde kennismaking met de centrale werken van de zeventiende eeuw.'
Praktische theologie
In zijn inleiding schrijft Voetius dat de orthodoxe leer per definitie op de praktijk gericht is. 'Theologie als zodanig is een zaak van de praktijk. Leer en leven kunnen nu eenmaal niet gescheiden worden. Rechtzinnigheid moet je dan als de juiste leer opvatten en niet als een zaak waarvoor allerlei aparte stichtingen in het leven moeten worden geroepen. "Hoewel de theologie van de pelgrimerende kerk hier op aarde op de praktijk gericht is, wordt met de aanduiding praktische theologie gewoonlijk gedoeld op..." en dan volgen zeven betekenisnuances, waarvan de laatste het onderwerp van "Ta askètika" is: de oefeningen der godsvrucht.'
Waarom beperkt Voetius de praktijk der godzaligheid tot drie dingen: het gebed, de meditatie en de bekering?
'Daar beperkt hij het niet toe, maar dat zijn voor hem de kardinale punten. Bekering is voor Voetius niet alleen innerlijk gericht, maar bevat het leven in geloofsgehoorzaamheid, niet alleen in de binnenkamer en niet alleen in het gezin, maar in de totale maatschappij. Hij is veel meer naar buiten gericht dan een figuur als Van Lodenstein. Ik waag te betwijfelen of de ontwikkeling van de conventikels in de zin van het zich afscheiden van het grote geheel van de kerk Voetius' instemming gehad zou hebben. Al spreekt hij op meer dan een plaats over bijeenkomsten van gelijk gezinden, is zijn standpunt: "Zorg ervoor dat ze niet op gespannen voet komen te staan met de geïnstitueerde kerk". Bidden sluit bij hem de gelovige verwachting op de vervulling in en daarvoor moet je in dit leven je ogen open hebben. Bekering is meer dan het verengde begrip van de levensvemieuwing als het werk van de Heilige Geest. Het spreken over God, wat theologie is, wordt direct aan de levenspraktijk gekoppeld. Voetiuis stelt zelf in zijn inleiding de vraag of je de praktijk der godzaligheid kunt onderwijzen. Hij wil het dan aan het oordeel van de theoloog overlaten om de student buiten de dogmatiek om in kwesties van praktikale aard in te leiden, al staat het belang ervan voor Voetius buiten kijf. Godzaligheid is geen kwestie van met een boekje in een hoekje te zitten. Treed buiten de muren van je cel. Anderzijds zegt hij in het spoor van Thomas a Kempis ook: Vergeet de binnenkamer niet.'
Opbouw
'In de opbouw van zijn grote werk is Voetius ordenend bezig geweest. Er zit structuur in. Hij noemt eerst de sleuteltermen, zoals devotie en verslagenheid van hart, inkeer. Dan komen de kardinale zaken als meditatie, gebed en de praktijk der bekering. Daaraan koppelt hij het leven in boetvaardigheid, dat een leven in een tranendal is. Ik kan Voetius beter als een renaissancistisch geleerde dan als een humanist aanduiden. Door het geleerde karakter van het werk is "De praktijk der godzaligheid" dan ook niet stichtelijk in de huidige, beperkte zin van het woord te noemen.'
In welke zin is Voetius' theologie een correctie op het gemeentelijke en geloofsleven van de gereformeerde gezindte?
'Heimwee vervult je naar de situatie waarin de gereformeerde kerk één was, al moeten we haar niet idealiseren. Tja, Voetius spreekt inderdaad heel waarderend over de heilige doop. Hij zegt dat "allen die last van ongeloof en mistrouwen hebben, aan de dag van hun doop moeten denken"! Op die dag heeft God immers gesproken: "Ik zal Mijn volk heiligen". Dié verbondsvisie van Voetius brengt ons op een theologisch terrein, waarop ik mij niet heb willen begeven. Ik ben daarom wat beducht deze vraag te beantwoorden. Ik kan de consequenties van zijn standpunt moeilijk in een rechte lijn naar onze tijd trekken. Dat is wetenschappelijk gezien ook niet behoorlijk, als je je realiseert wat er veranderd is ten aanzien van het zijn van de kerk.
In de vragen rondom doop en avondmaal is hij positiever en denkt hij meer in termen van het geheel van de gemeente dan nu in het geheel van de gereformeerde gezindte met alle diversiteit het geval is. Voetius zegt dingen die, als ze tegenwoordig klinken, niet overal in dank aanvaard zouden worden. Onder het gebod tot het onderhouden van de goddelijke instelling van het heilig avondmaal kom je niet uit, zegt Voetius. Dat kan heden ten dage bij menigeen wel eens een bange gewetensvraag worden.'
Proef ik in zijn schrijven ook een evangelische ondertoon ?
'Dat klopt. Noem het een pastorale bewogenheid. Zijn werk is bijbels geïnspireerd, door de voortdurende verwijzing naar het Woord, dat steeds zijn uitgangspunt is, bij welk onderwerp dan ook.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's