De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

9 minuten leestijd

René Descartes (1596-1996)

31 maart was het 400 jaar geleden dat de wijsgeer Descartes werd geboren. Boven een bijdrage in het Nederlands Dagblad van 30 maart 1996 schrijft Ad Vlot 'Descartes heeft ons denken, doordrenkt'. Descartes is de ontwerper van ons moderne denken, aldus Vlot, van de ogen waarmee u en ik de wereld inkijken. Hij krijgt vandaag zo'n beetje de schuld van alles wat onze moderne tijd aan problemen oplevert: de secularisatie, de verzakelijking van onze samenleving en het almeer afbrokkelen van het christelijk normbesef. Prof. dr. H. Jonker gaf Descartes de schuld van de onzalige object-subject splitsing. De objectiviteit van het heil en de subjectiviteit van de geestelijke beleving brengen mensen tot de steeds maar weer herhaalde vraag: Hoe krijg ik deel aan het heil? Het rationele denken heeft de gereformeerde theologie in zijn greep gekregen dankzij Descartes en dat is niet in gunstige zin bedoeld uiteraard (in: Landingsplaatsen blz. 159v, Nijkerk 1989).

In zijn laatst verschenen studie over het milieuvraagstuk stelt prof. De Knijff dat Descartes de vervreemding tussen mens en wereld min of meer heeft opgeroepen, waardoor de aangrijpende eigentijdse milieuproblematiek mede kon ontstaan (in: Tussen woning en woestijn, Kampen 1995).

In zijn artikel schetst Ad Vlot in welke tijd Descartes leefde en tot zijn gedachtengang kon komen. De zelfgenoegzame mens diende zich in de 17e eeuw aan. Een mens die niet aan de kerk of aan het Woord gebonden was, maar die gewoon zijn verstand gebruikte. Natuurwetenschappers laten van zich spreken. Hun ideaal is het om de natuur met wetenschappelijke kennis te onderwerpen. Men breekt niet met het christendom, want men heeft God nog nodig voor normen en waarden en voor de nog niet ingevulde plekken in de wetenschappelijke verklaringen, aldus Vlot.

'Nu de kerk en de scholastiek als grondslag wegvielen, was een nieuw vast punt nodig. Descartes is vooral door het werk hieraan bekend gewor­den, hoewel hij ook een groot wiskundige was. In de wiskunde werken we nu nog steeds met het 'Cartesiaans assenstelsel'. Descartes zocht een vast punt door slechts op zijn verstand (zijn rede) en nergens anders op te vertrouwen. De traditie achtte hij niet langer betrouwbaar. Het uitgangspunt voor de wetenschap moest zeker zijn.

De enige weg om dat volgens Descartes te bereiken, is een radicale twijfel aan alles wat zich als zekerheid aandient. Wat we met onze zintuigen waarnemen, komt op ons betrouwbaar over, maar dat kan schijn zijn, een fata morgana. Je kunt er zelfs aan twijfelen of de wereld om ons heen er wel echt is. Een god kan ons van alles voorspiegelen. Als je alles op losse schroeven hebt gezet, blijft er slechts één zekerheid over. Dat ik twijfel - en dus: dat ik denk - is zeker. Descartes schrijft dan de gevleugelde uitspraak neer: cogito ergo sum (ik denk, dus ik ben).

Descartes heeft zijn vaste punt gevonden in het denken. En dat is iets anders dan wat de Bijbel ons leert over het begin van alle wijsheid. (-.)

Descartes wil zijn wetenschappelijk bouwwerk - waaruit uiteindelijk ook een ethiek en maatschappelijke consequenties moeten voortvloeien - rationeel optrekken zonder steun van geloof. Elke stap moet helder zijn, zoals een stap in een wiskundig bewijs. Elke stap moet net zo zeker zijn als het "Ik denk, dus ik ben". In feite stelt Descartes hiermee de rationaliteit niet ter discussie. Opmerkelijk is dat de volgende stap na het "cogito ergo sum" een bewijs van God is. Descartes heeft God nodig als voorwaarde voor wat verder volgt. God is volmaakt en oneindig, zo redeneert Descartes. Dus kan Hij geen gedachtenspinsel zijn, want wat wij zien en bedenken, is altijd eindig en onvolmaakt. Dus moet God wel echt bestaan. En als deze God dan volmaakt en dus eerlijk is, kan hij ons niet bedriegen. En dus moet de wereld om ons heen er wel echt zijn. Er is daarom een juist beeld van de wereld mogelijk, als we maar helder formuleren en denken. God is in het systeem van Descartes dus niet het uitgangspunt, maar een stap in het bewijs.'

Het komt vertrouwenwekkend over als het bestaan van God aanvaard wordt, zoals door Descartes werd gedaan. Maar Hij is in deze louter logische denkweg niet veel meer dan een schakel. Waarom kun je zo'n schakel niet vervangen? Waarom nog vasthouden aan het geloof in het bestaan van God?

Denken in Godsnaam

Het Filosofisch magazine liet onlangs een special verschijnen over de vraag: kan een weldenkend mens nog geloven? (Jaargang 5 nummer 2, maart 1996). Eén van de mensen die aan het woord komen is de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga. Onlangs ontving hij een eredoctoraat aan de VU. In Filosofisch Magazine wordt gezegd dat één van de belangrijkste elementen in zijn filosofisch oeuvre is om te laten zien dat je geen filosofische idioot hoeft te zijn om ook vandaag nog steeds in God te geloven.

'Het bestaan van God is niet evident, maar het is geen onzin erover te spreken: dat trachtte Plantinga in God and other Minds te bewijzen, ruim vijftien jaar nadat hij op Harvard voor het eerst door twijfel werd overvallen. Eigenlijk deed Immanuel Kant aan het eind van de achttiende eeuw al niet veel anders; de rede beperken om plaats te maken voor het geloof, noemde hij het. "Maar Kant deed veel te veel concessies aan de wereldsheid. Alsof er binnen de rede geen plaats zou zijn om te spreken over God. Kant lijkt te denken dat we alle dingen die we kennen op een of andere manier zelf in ons denken geconstrueerd hebben. Dat we dus geen echte kennis kunnen hebben van dingen die buiten onszelf bestaan. Hoe komt hij daarbij? Hij legt daarvoor geen enkel argument op tafel. Waarom zou God ons niet zo geschapen hebben dat we de dingen die buiten ons bestaan werkelijk kunnen keimen, inclusief God zelf? "

Hij laat het klinken als een retorische vraag, die hij vijf jaar later zelf beantwoordde in zijn boek The Nature of Necessity, het meest gedurfde uit zijn oeuvre. Voor God is niet alleen ruimte. Zijn bestaan is zelfs bewijsbaar, zo argumenteerde hij daarin. Het Godsbewijs van de middeleeuwse monnik Anselmus van Canterbury nam hij als uitgangspunt. God is het grootste wat we ons kunnen voorstellen, schreef deze in zijn Proslogium. En iets wat bestaat, is altijd nog groter en veelomvattender dan wat niet bestaat. Dus moet God logischerwijze bestaan - aldus, kort samengevat, Anselmus.

Anselmus' bewijs is in de geschiedenis van de filosofie even vaak aangehaald - bv. door Descartes - als bestreden. Sinds Kant, die er definitief mee leek te hebben afgerekend, durfden nog maar weinigen zich erop te beroepen. Maar
 Plantmga kleedde het in het modernste jasje van de mathematische logica en wist er zo niet mee te overtuigen, dan toch in ieder geval mee te imponeren.

Maar waarom zou iemand Gods bestaan willen bewijzen? Toch niet om te overtuigen? "Nee, " zegt Plantinga, "als je een bepaalde geestelijke rijpheid hebt bereikt, dan geloof je niet meer in God op basis van argumenten. Net zo min als je op basis van argumenten in het bestaan van je vrouw gelooft. Je gelooft op grond van wat Calvijn de sensus divinitatis (het gevoel voor het goddelijke) of 'de inwendige getuigenis van de Heilige Geest' heeft genoemd. Je gelooft op basis van een bepaald soort ervaringen, niet op basis van argumenten.

Maar toch kunnen die hun nut hebben. Christenen worstelen vaak met allerlei soorten twijfels: twijfel aan Gods liefde. Zijn almacht of zelfs Zijn bestaan. Dan kunnen argumenten dienst doen ter ondersteuning of, zoals Calvijn zegt, als hulpmiddelen. Ze kunnen ook nuttig zijn voor anderen. Bijvoorbeeld voor iemand die zich wel voelt aangetrokken tot God, maar meent dat dit, intellectueel gezien, niet helemaal respectabel is. Dergelijke argumenten kunnen hem ervan overtuigen dat hij zich daarvoor niet hoeft te schamen. Bovendien kunnen Godsbewijzen een nieuw licht werpen op bepaalde filosofische kwesties, in de logica, de kenleer, enz. Ze maken in die kwesties nieuwe verbanden zichtbaar; dat is een van de belangrijkste interessegebieden van een constructieve christelijke filosofie."

Wie die argumenten in ieder geval niet nodig had, was Pascal, die tijdens een religieuze vervoering schreef: "God van Abraham, Isaak en Jacob. Niet de God van filosofen en geleerden". Is de filosofische God van Plantinga niet veel te bedacht en abstract, en juist niet de God van de christelijke traditie waarop hij zich zo veelvuldig beroept?

"Ja, " zegt Plantinga aarzelend. "Ik begrijp wel wat Pascal bedoelt en in zekere zin ben ik het er wel mee eens. Een christen vraagt niet allereerst naar Gods metafysische attributen, maar zoekt er naar Hem lief te hebben, te kennen, te vertrouwen. Maar dat neemt niet weg dat die God nog altijd de eigenschappen bezit waarover Anselmus en Descartes het hadden. Pascal was allereerst geïnteresseerd in christelijk leven, in gebed en liefde tot God. Descartes ging het, althans wat zijn argumentatie betreft, om Gods metafysische eigenschappen. Maar uiteindelijk hadden ze het allebei over hetzelfde wezen".'

In hetzelfde nummer van het hier geciteerde Filosofisch Magazine komt ook de Leidse filosoof Herman Philipse aan het woord. Hij schreef onlangs het Atheïstisch Manifest. Hij is uiteraard niet overtuigd door Plantinga's argumenten. Hij stelt dat Plantinga's redeneertrant de wetenschappelijke vooruitgang blokkeert. Het is niet zo dat de atheïst arrogant is, aldus Philipse. Hij denkt gewoon beter na. Overigens een boeiende materie, waarover het laatste woord door ons mensen nog lang niet is gezegd. Het blijft voor de kerk een uitdaging op dit front de confrontatie aan te gaan. Bezinning op het Godsgeloof hoort tot onze opdracht, zeker in deze tijd zo gekenmerkt door een door velen beleden agnosticisme (God zou niet te kennen zijn).

]]>

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's