Paasvertroosting uit een ver verleden
'Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt op en juicht, gij, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen.' (Jas. 26 : 19)
'De Openbaring van Jesaja', zo noemt men de hoofdstukken 24 t/m 27 wel. Uiteraard door de overeenkomst met de Openbaring van Johannes. Wereldgericht en wereldeinde vragen aandacht. Vol zijn de hoofdstukken van verlossing van de vromen; maar ook van ondergang der goddelozen.
Het lof-en danklied van de verlosten straalt er in door. En temidden van deze jubel beluisteren wij de eeuwenoude troost reeds onder het Oude Testament: 'Ik geloof de wederopstanding van de doden.' Het verdrukte, vervolgde Israël, eenmaal in geloof gestorven, rust in het hart van de aarde. Maar daar in het graf zijn ze door de Heere niet vergeten. Wel zijn ze machteloos om zichzelf op te heffen tot het leven. Echter Jesaja mag een heerlijke belijdenis over hen tot de Heere uitspreken. Tot de Heere, ja. 'Uw doden zullen leven': hier spreekt de Heere niet tot Jesaja. Gelukkig niet. Wat moest Jesaja met 'zijn' doden beginnen? Nee, hier spreekt Jesaja tot de Heere: Uw doden, Heere! Die van U zijn, zelfs in de dood. Die U kocht en tot Uw eigendom maakte, zij zullen leven.
Hoe ongelooflijk lijkt dat, als wij de graven van de aartsvaders nagaan. Of van hen die rondom Jeruzalem rusten, of als verslagenen in Babel. Als wij begraafplaatsen betreden, over zerken onze kerkgebouwen binnengaan. Daar rusten mensen, korter of langer geleden neergelegd in het stof van de aarde. En ach, wie weet vaak nog van wie welk graf is...
En weer dwalen onze ogen naar die woorden van Jesaja tot de Heere: 'Uw doden, (Heere) zullen leven...'
Het is, of Jesaja de doden naar de Heere toeschuift: aar het woord van Jezus is Zijn Vader geen God van doden. Abraham, Izaak en Jacob, ze léven! Zijn in zaligheid (Matth. 22 : 32). Maar hun stof is door de Heere veilig bewaard. En omdat God geen God van doden is, zal Hij niet rusten voor de laatste sporen van de dood zijn uitgewist. En wel in hun opstanding uit de graven. En Jesaja blijft er bij: Uw doden (Heere) zullen leven...
Persoonlijker wordt zijn toon nu: 'Ook mijn dood lichaam, het zal met dat van alle gelovigen opstaan'.
Wat een belijdenis! Hoe werpt hier Pasen zijn schaduwen reeds eeuwen vooruit. Of liever: straalt hier het licht van Pasen over de eeuwen heen Jesaja tegemoet. Wat is de Geest des Heeren machtig om vergezichten te ontsluiten van blijde troost over de komende Messias en Levensvorst. Het Lam, Dat door de weg van lijden en sterven naar Jesaja 53 ondergaat in Gods gericht. Maar Dat verrijst, en door de Vader verheerlijk worden gaat. Het Lam, Dat met de overtreders is geteld geweest. Dat veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.
Uiteraard weet ik niet in hoeverre Jesaja's troost ook uw of jouw troost is. Maar 't is de moeite waard aandacht aan deze vraag te besteden. Jesaja spreekt ook over heel andere dingen. En wel ten aanzien van de ongelovigen en goddelozen. Dat te lezen mag stil maken en zelfs doen huiveren. Maar 't wordt ons gezegd tot ons heil, opdat wij tijdig de Heere zouden zoeken. Is straks de stem van Christus niet overduidelijk aangaande ons leven en levenseinde; Zijn spreken over tweeërlei opstanding die komt? Zouden we daarom elkaar de heilzame raad van Job niet geven: Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten...' (Job 5 : 8). Langs deze weg gingen toch ook de vromen uit Jesaja's tijd: Heere, in benauwdheid hebben zij U bezocht, en hun stil gebed uitgestort...' (vs. 16). De Heere is toch een God van eeuwig heil! De trouwe Verbondsgod, toen niet anders dan nu. Dezelfde gisteren, heden, en eeuwig.
Maar nu doet Jesaja iets heel verrassends: Hij gaat de doden toespreken! Eerst dus de Heere, en nu de doden! U moet dat maar nooit doen. Het gebeurt al te vaak, en kan zo pijnlijk benauwend zijn voor de rondomstaande levenden, als doden een laatste toespraak krijgen. Intussen doet Jesaja het wel. Hoort u maar: 'Waakt op en juicht, gij die in het stof woont...' Hij gaat als 't ware bij de kerkhofhekken staan en roept door de tralies heen tot de gestorvenen. Hij kan bijna niet wachten tot de jongste dag en begint nu al te roepen. Hoe kan dat?
Ach, door dezelfde Geest en door hetzelfde geloof, waardoor hij ook al die andere dingen sprak. God stoot vensters open, dan is het uitzicht zeer ver. Tegelijk komt voor Jesaja de horizon zeer dichtbij. Verlangen naar de heerlijkheid van de Heere vervult hem, opdat Gods eer geopenbaard zal worden in Zijn volk. Dus in hun opstanding! Daarom: waakt op, en juicht, gij die in het stof woont...
Eigenlijk is het dwaasheid. Wie gaat zo nu bij de graven staan, tot ze roepen. Toch hoop ik dat u Jesaja een beetje begrijpt, aanvoelt, zijn hunkering niet helemaal vreemd aan u is. Jesaja kan inderdaad wel roepen, en inderdaad staat er niemand op uit de dood. Maar torenhoog rijst achter Jesaja op Hij, Christus, de Levensvorst van Pasen op Wiens stem geen graf gesloten blijft. Op kosten van deze Heere mag Jesaja best alvast wat roepen en zichzelf en zijn tijdgenoten troosten.
Even is het, of de hof van Jozef van Arimathéa om de hoek komt kijken in de tekst: alles parelt van de dauw in de morgenzonnestralen: 'Uw dauw zal zijn als een dauw der moeskruiden'. Zet u de opgestane Levensvorst er maar even middenin. Paasmorgen! Morgen van heil en licht!
Maar dan komt ook Paasvrucht: 'En het land zal de overledenen uitwerpen'. Wat een krachtig woord: 'uitwerpen'. Maar de opstandingskracht van Christus zit er dan ook achter! De Levensvorst, Die op Zijn machtwoord doet herrijzen. En daar openen zich de graven tot opstandingsheerlijkheid. Ontluisterend was de dood, ontkracht, verzwakt, gestorven het lichaam. Maar nu straalt de heerlijkheid van de Opgestane over alles uit. De zonde is verzoend, de schuld betaald, de ontluistering wijkt. Hier wordt vervuld, waarvan tijdens het leven zo vaak werd gezongen: 'k Zal in de dageraad ontwaken, en met gezang mijn God genaken.' Wat een dag! Hier toont Christus Zijn bruidsgemeente aan de Vader, bekleed met Zijn heerlijkheid. En Zijn bruid ervaart het eenmaal beloofde wonder:
Gelijk een duif, door 't zilverwit, en 't goud dat op haar veed'ren zit, bij 't licht der zonnestralen ver boven and're voog'len pronkt, zult gij, door 't Godd'lijk oog belonkt, weer met uw schoonheid pralen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's