Noodzakelijke nascholing
'Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had. Zichzelf levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.' (Hand. 1 : 3)
De Heere Jezus heeft uit de kring van Zijn discipelen de apostelen gekozen. Hij heeft dat gedaan 's morgens, nadat Hij de nacht op de berg in gebed tot God had doorgebracht. (Luc. 6 : 13). Een les voor ons allen. Wij denken soms zo onbijbels-gemakzuchtig: bij de Heere is alles toch al uitgemaakt en vastgelegd. Nee, de Heere Jezus heeft nooit aan onze 'gebedsverlamming' geleden. Hij heeft geworsteld, biddend aanhoudend in alle arbeid die Hem van de Vader bevolen was.
Intussen, die apostelen moeten er wel op uit! 'Gezondenen' zijn ze in de dienst van het evangelie. Hun arbeid zal een golfbeweging veroorzaken, die onder de volken straks reikt tot aan het einde van de aarde. Zijn ze daarvoor, na drie jaren van omgang met Jezus, wel toegerust en bekwaam? Hoe ver zijn ze eigenlijk? De naam van apostel krijgen ze pas goed na de opstanding van de Heere. Hij verleent hun de waardigheid, het ambt. Maar wat een onkunde, ongeloof en misverstand komt rondom Pasen openbaar. Niet alleen bij Jezus' volgelingen in het algemeen, maar ook bij de elven. Zij hebben er weet van, 'gezondenen' te zijn, apostelen. Ze hebben de Levende wel bijzonder in eigen kring aanschouwd. Maar even later zijn ze terug te vinden in hun oude beroep en aan het vissen gegaan. Hoe kunnen ze eigenlijk ooit echt 'vissers van mensen' worden? (Marc. 1 : 17)
Maar daar heeft nu juist de Heere Jezus in voorzien. Lucas gaat er ons van vertellen. En hoe vertelt hij dan? Dat is verrassend: hij kan het niet laten om vol verwondering nog eenmaal Christus op te heffen als het gekruisigde Lam. 'Nadat Hij geleden had...' Hij spelt de woorden, en wij moeten het ook maar doen. 'Geleden'! Het is of Lucas eerst ons vraagt om die stilmakende verwondering van hem over te nemen. Nooit toch mag Christus' bittere liefdedood vergeten worden. Voor altijd mag Zijn gemeente de 'heerlijke gedachtenis' (er staat niet: de afschuwelijke gedachtenis) van de bittere dood van Gods lieve Zoon oefenen.
'Nadat Hij geleden had...' Hoe wil de Heilige Geest dit woord vastzetten in ons. En wel als een onvergetelijk, altoos verootmoedigend woord. Hoe worden wij bewaard voor veel zonden, wanneer dit woord zich genesteld heeft diep in ons hart.
Maar Lucas vertelt verder. Veertig dagen heeft de Heere er voor uitgetrokken om nog voor de Zijnen op aarde te blijven. Een 'volle' tijd. Zo heeft Hij volledig voor hen 'de tijd'. Wat is de Heere goed. Waar is nu het heimwee van Jezus uit Joh. 17 : 5 'Vader, (mag Ik nu naar huis), verheerlijk Mij met de heerlijkheid die Ik bij U had eer de wereld was.' Ach, hoe heeft Hij dat heimwee het zwijgen opgelegd om op aarde ook deze tijd naar de raad van Zijn Vader uit te dienen.
Hij heeft Zich in die veertig dagen 'levend vertoond'. Dat wisten we reeds. Er vallen woorden van 'niet zien, en nochtans geloven'. Maar het oog wil toch ook wat. En het oog mag hier ook wat. Van wie? Van Jezus. Dat gunt Hij Zijn apostelen. 'Zijnde van hen gezien...' Wat dat in die veertig dagen wel is geweest!
In woorden is dit moeilijk uit te drukken. Het zien van Jezus, het zien op Jezus, het 'nabij Hem zijn' is nog een volheid, die niet om woorden vraagt, maar om een hart. Weten wij daarvan? Werd Hij in ons leven opgemerkt, 't Geloof houdt het toch met een levende Jezus.
Het ongeloof ziet niets en zag toen niets.
Wij lezen nergens dat Jezus Zich na de opstanding nog aan de ongelovige wereld heeft vertoond, 't Geloof toch alleen geeft in deze ogen. Behoren we al tot hen, 'die Hem zagen'? 'Maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond...' (Hebr. 2 : 9). Wat is Hij ons dan alles geworden!
Met vele gewisse kentekenen vertoont Jezus Zich. Ach ja, Hij maakt geen onzekere getuigen van Zijn opstanding. Wij weten wel iets van die tekenen: Zijn onverwachts komen en toch weer 'wegkomen' uit hun gezicht. De wonden in Zijn handen, voeten en zijde. Zijn eten van vis en honing als een echt mens, hoe dan ook verheerlijkt. Zijn maaltijd met de apostelen 's morgens aan de zee, nadat toch de visvangst wonderlijk goed was geworden. Eten en drinken met de Levende, nadat Hij uit de doden was opgestaan (Hand. 10 : 41). En in alles bleef het zekere woord van Johannes gelden: Het is de Heere...!'(Joh.21 : 7).
Nee, aan tekenen heeft het zeker niet ontbroken. Geloof en teken: het is er nog. Bij de heilige doop, het heilig avondmaal. Bij het letten op de 'tekenen der tijden'. Ook soms zo heel persoonlijk: Doe aan mij een teken ten goede...' (Ps. 86 : 17).
Maar boven alles uit: hoe heeft Christus hen de Schriften geopend. Dat gaf reeds brandende harten op de dag van Zijn opstanding. En dat is doorgegaan, veertig dagen lang: 'sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan'. Hier wordt het Oude Testament doorzichtig tot op Christus. Hier spreekt de Koning, Die alle macht heeft in hemel en op aarde. Zijn rijk is niet van deze wereld: daarom moeten ze net als Maria Magdalena Hem loslaten. Maar tegelijk worden ze door het Woord en de gemeenschap van Zijn Geest vastgehouden. Ja, door Hemèlf, terwijl zij getuigen mogen zijn van Zijn Koninkrijk. Zo laat Hij in Zijn spreken helder licht vallen over zoveel dat tot zaligheid nodig is. Nee, niet over alles! Er blijven dingen die zij nog niet kunnen dragen, maar die de Heilige Geest na Jezus' Hemelvaart zal onderwijzen.
Maar brandend zijn de harten, en vurig slaat de liefdevlam naar Jezus en de Vader uit. Dan mag het Hemelvaart worden, kan het dat ook worden. Is er straks het wonder op die dag: Jezus gaat heen, en lovend en dankend God zijn ze toch vervuld met grote blijdschap.
Brandende harten door Jezus spreken: weten we er van, ging ons hart voor Hem en Zijn dienst kloppen? Door Zijn onderwijs aangaande onze schuld en Zijn genade; het wonder van 's Vaders liefde. Die Hem zond. Gingen we al in Zijn Koninkrijk naar Joh. 3 : 3 'wederomgeboren'.
De noodzakelijke nascholing door Jezus, veertig dagen lang, is toch geschied tot ons heil, opdat ook wij zouden komen en geloven dat Jezus is de Christus, de Zoon.
Lucas besluit straks zijn 'tweede evangelie' (Hand. 28 slot): Paulus is predikend in Rome het Koninkrijk Gods, en lerende van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. De noodzakelijke bijscholing vóór Hemelvaart draagt verder vrucht, ook bij deze Paulus, een late apostel. Dat geldt ook heden, temidden van zoveel in kerk en wereld. Niet ongehinderd. Maar dat zal wel nooit op aarde zijn gebeurd. Hoeveel van satan en mensen keert zich tegen deze prediking, en tegen dit Koninkrijk! Nee, niet ongehinderd. Maar wel onverhinderd. Wie stuit Christus de weg, waar Hij met Zijn Koninkrijk en het Koninkrijk van Zijn Vader wil gaan?
Want 't vast gebouw van al Gods gunstbewijzen zal naar Zijn vast bestek in eeuwigheid verrijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's