Uit de pers
Nietzsche in Nederland
Prof. J. Kamphuis (emeritus-hoogleraar dogmatiek van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt) in Kampen schreef enkele jaren geleden een brochure met deze titel (Ermelo, 1987). Nietzsche leefde van 1844 tot 1900 en je zou daarom kunnen denken: hoe belangrijk kan zo iemand voor ons bijna een eeuw na zijn dood nog zijn? Toch is het opmerkelijk hoeveel aandacht hij de laatste jaren opnieuw ontvangt. Prof. Kamphuis geeft in genoemde brochure aan, waarom hij Nietzsche zo belangrijk vindt. Al leefde Nietzsche in een andere tijd dan de onze, hij sprak wel heel bewust tot de onze. Hij is de profeet van het nihilisme. Hij zag dat nihilisme doorbreken in onze eeuw en in de volgende, de 21e. Wij leven dus midden in de crisis waarvan Nietzsche de profeet was en die hij ook bewust heeft willen oproepen. Nietzsche brak zelf bewust met alle geloof, vooral met het christelijke geloof èn met alle moraal die in de loop van eeuwen op de grondslag daarvan was opgebouwd, aldus prof. Kamphuis in zijn Inleiding tot genoemd geschrift.
In Wapenveld (jaargang 46 nr. 1, februari 1996) staat een bijdrage van prof. Kamphuis te lezen onder de titel Nietzsche en de twintigste eeuw. In het RD had hij de opmerking gemaakt nog steeds bijna dagelijks in Nietzsche te lezen. Wapenveld legt prof. Kamphuis de vraag naar het waarom van deze lectuur voor. Hij vindt dat een begrijpelijke vraag want hij deelt absoluut het nihilisme niet dat Nietzsche heeft verkondigd. Kamphuis geeft in zijn reactie een drietal autobiografische notities, waarin hij schrijft over een drietal ontmoetingen in zijn leven die hem op het spoor van Nietzsche hebben gezet. De eerste ontmoeting was die met de in 1940 omgekomen dichter Marsman. De stem van het nihilisme klinkt in Marsmans werk door overschaduwd door de angst voor de dood.
'En: Marsman was van kom-af gereformeerd! Waar lag de breuk met dit verleden? Hoe was die breuk zo radicaal? Marsman wees mij zelf de weg in de inleiding tot de vertaling van het hoofdwerk van Nietzsche Also sprach Zarathustra uit 1939. Hier tekent hij Nietzsche als "voorspèlvogel-geest, die omziet wanneer hij vertelt wat komen zal; als de eerste volkomen nihilist van Europa, die echter het nihilisme in zichzelf reeds ten einde heeft geleefd, — die het achter zich, onder zich, buiten zich heeft".
En ik vond Nietzsche! De begon in de eerste jaren veertig in mijn Nietzsche-lectuur! Ik vond een nihilisme, harder, consequenter, minder door angst omfloerst dan bij Marsman. Ik kocht in het begin van mijn studie theologie in Kampen mijn eerste exemplaar van Also sprach Zarathustra (uit de Gesamtausgabe "im Auftrage seiner Angehörigen veranstaltet". Het exemplaar staat nog steeds in mijn bibliotheek met al de aantekeningen erbij). Hier was in het "neen" tegen het christelijk geloof een radicalisme zonder enig compromis!
En in die jaren van bezet Nederland zag je — hoe onduidelijk dan ook — de contouren van het na-oorlogse Nederland èn wat er aan confrontatie los zou komen.'
De tweede ontmoeting betrof die met Menno ter Braak (1902-1940). Had Marsman een gereformeerde achtergrond. Ter Braak kwam uit de vrijzinnige traditie.
'Naast Marsman was er de stem van Menno ter Braak. Killer dan die van Marsman, maar ook hij had een "religieus" verleden. Dit keer was de achtergrond die van het vrijzinnig protestantisme. Ter Braak begon als een zeer bekwaam historicus. Zoals Nietzsche in zijn jeugd naam maakte als filoloog (op 25-jarige leeftijd hoogleraar in Bazel), zo Ter Braak als mediaevist. Zijn proefschrift over de keizer Otto III vestigde in één keer zijn naam. Maar hij brak radicaal (tot verdriet van zijn oom Johan Huizinga) met de "objectiviteit" van "de" geschiedenis om zich fel en meedogenloos, samen met Du Perron te storten in de strijd van de geesten tijdens het interbellum. Ook hij stierf in de meidagen van 1940. Hij koos de dood. Hij wilde de vijand, het bruine beest van het nazisme niet zien. Niet minder dan tegen het christelijk geloof keerde zijn bijtende spot zich tegen het nihilisme-in-de-kaplaarzen, het nihilisme van het nationaal-socialisme.
Ook hij wees mij naar Nietzsche. Ik was van tevoren dus goed gewaarschuwd tegen dat makkelijk zich van Nietzsche afmaken, dat ik in die jaren in christelijke kring wel tegenkwam: Nietzsche als de "Urheber" van het nationaal-socialisme en anti-semitisme. De tegenstellingen lagen dieper. Afscheid van domineesland bij Ter Braak was een radicale breuk met het christelijk geloof van mijn eigen jeugd. En radicaler nog dan bij Ter Braak vond ik deze vijandschap bij Nietzsche. In huivering heb ik toen leren begrijpen: hier is de antithese, vóór of tegen de levende God, onontkoombaar. Het is of het "God is dood" van de profeet van het nihilisme of het "Een vaste burcht is onze God" met de Christusbelijdenis van het tweede couplet:
Zo gij 't nog niet wist:
Jezus Christus is 't,
de Heer van 't heelal,
die overwinnen zal.
God zelf staat ons terzijde.
Het een of het ander. Een tussenweg is er niet.'
De derde ontmoeting in het leven van prof. Kamphuis betreft die met de bekende schrijver Maarten 't Hart.
'Dat is de werkelijkheid van de eeuw, waarin wij leven. In het aanvangsjaar ervan stierf Nietzsche. Aan het einde van deze eeuw staan wij, nog jong —, nu in het begin van de studie of al ouder en aan het einde van de levensgang, zoals ik nu. Maar hoe ook het "neen" tegen de boodschap "God-is-dood" door genade in mijn levensgang is bevestigd en verdiept, ik heb in de jaren na de Tweede Wereldoorlog voortdurend dezelfde frontlijnen moeten zien en steeds duidelijker er zicht op gekregen, hoe onontwijkbaar de keus is, voor of tegen (nee, niet eens: voor of tegen Nietzsche!) maar: voor of tegen de God van hemel en aarde, de God van eeuwige raad en voorzienigheid èn de Vader van lezus Christus en dat is tegelijk de keus voor of tegen de menselijke autonomie. Lang voor de term 'paars' als zwakke aanduiding van samengang van sociaal-democratie en liberalisme onder het voorteken van het libertinisme ingang vond, werd in na-oorlogs Nederland de onontwijkbaarheid van de keus steeds helderder.
Daarom ben ik ook Maarten 't Hart gaan lezen. Een vlucht regenwulpen van 1978 heeft als motto meegekregen de belijdenis van "de voorzienigheid Gods" uit Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus. Maar de vijandschap tegen deze God is nooit afgrondelijker geformuleerd dan 't Hart het de hoofdpersoon laat zeggen bij het sterven van zijn moeder: "Terwijl ik zo buiten loop weet ik plotseling zeker, ja met die onwrikbare zekerheid waarover calvinisten altijd praten, dat het christendom bedrog is, ja dat het hele leven een laaghartige leugen is en dat ergens ver weg in het heelal nu god satanisch lacht om mijn verdriet, de god van Zondag 10 die met vaderlijke hand mijn moeder een krankheid heeft doen toekomen, een voorsmaak van het lijden in de hel. Zo is god, de god van de Heidelbergse Catechismus, de god die mensen zo intens haat dat hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden".
En deze 't Hart is ook van gereformeerde komaf! Gaan we er, nu we 't Hart als bestseller-auteur hebben, iets van verstaan hoe onontwijkbaar de keus is in Nederland? We zien dan ook voor ogen, hoe wordt gekozen — voor of tegen! —, we zien het in de nieuwe generaties. En er is radicaal en kinderlijk geloof, — er is wedergeboorte voor noodzakelijk om in de wereld van deze laaiende vijandschap te leven en te blijven leven uit de zekerheid van het geloof: "wij wéten (inderdaad: het is in Christus ontwijfelbaar!: , dat alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn", Romeinen 8.
Twee zekerheden staan hier tegenover elkaar: die van het nihilisme, waarvan Nietzsche de doorbraak profeteerde aan het einde van de vorige, de negentiende eeuw èn de zekerheid van het geloof, dat eeuwen eerder zijn geheim beleed:
Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis,
ik vrees geen kwaad,
want Gij zijt bij mij.'
De les van Nietzsche
Prof. Kamphuis merkt op dat hij op Maarten 't Hart intussen is uitgekeken. Met Nietzsche ligt dat anders. En waarom dan? Hij merkt daar onder andere dit over op:
'De vragen blijven vragen en blijven ons daarom bezighouden, ook als we velen de wegen zien gaan, die Nietzsche wijst. Het is de weg van het ja tegen dit leven, hier op deze aarde in open verachting van allen die de harten omhoog richten (de "Hinterweltren", zo spot Nietzsche). Er is geen hierboven. Er is ook geen hier-na-maals. Er is alleen het hiernu.
Het is dit "ja", waarop Nietzsche zich heeft vastgelegd. Dit zal hem vreugde geven. Daarom zijn "amor fati", zijn keus, de vrije wilskeus voor wat onontkoombaar, wat fatum is. Want dat is voor hem in alle pijn en ellende het eeuwige leven, hier en nu:
alle Lust will Ewigkeit
— will tiefe, tiefe Ewigkeit!
De "eeuwigheid" van een aarde onder een gesloten hemel, onder een lege hemel. Daarom is de boodschap van het evangelie van verzoening-door-voldoening en van vrede met God nooit actueler dan in de eeuw, waarin het bankroet van de Europese beschaving, door Nietzsche geprofeteerd, is gekomen —, de grote crisis.
En we blijven Nietzsche, de hele Nietzsche lezen, omdat hij in zijn genadeloos nihilisme ons één ding altijd weer kan leren: dat de oplossingen van wie christelijk of religieus willen blijven, maar tegelijk in capitulatie voor de eisen van het atheïsme leven, altijd niet meer dan nood-oplossingen zijn en daarom in een tijd van een fiindamentele crisis altijd "lacherlich". Dergelijke nood-oplossingen tref je dikwijls aan bij mensen, die bij-de-tijd willen zijn, maar tegelijk "ergens" nog "iets" van vroeger vast willen houden.'
Met een niets ontziende eerlijkheid heeft Nietzsche vastgehouden aan de consequenties van de 'werkelijkheid' van de dood van God. En hij beseft dat dat Europa op haar fundamenten zou doen schudden. De oude normen en waarden moeten vallen. Het kader waarin Europa eeuwenlang heeft geleefd, wordt stuk gebroken. Nietzsche breekt dat bewust kapot. En hij weet wat hij daarmee doet: 'Wij hebben de aarde van haar zon losgemaakt en waarheen vallen wij nu? ', aldus prof. Kamphuis aan het slot van zijn artikel dat eigenlijk een korte samenvatting biedt van zijn al eerder genoemde brochure 'Nietzsche in Nederland'.
In Beweging (60e jaargang nummer 1, maart 1996), uitgave van de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte vraagt prof. dr. ir. H. van Riessen ook aandacht voor Nietzsche. Het decembernummer van Beweging was een themanummer 'Over het kwaad'. Hij reageert daar nog weer op met enkele opmerkingen.
Welke plaats heeft het kwaad in de geschiedenis? En hoe werkt God in de geschiedenis met het kwaad? Onze eeuw, aldus prof. Van Riessen, is mede daarom zo uitzonderlijk, omdat door de ontplooiing van de techniek onder leiding van de moderne wetenschap de mensheid tot een geweldige, nooit eerder voorgekomen macht is gekomen.
'Ik wil in dit verband een ogenblik stilstaan bij Nietzsche. Hij heeft mijn ogen geopend voor wat de bijbel ons in dit verband leert.
Nietzsche kende de bijbel goed. Hij moest niets van het christendom hebben, met Christus zelf wist hij eigenlijk geen raad. Welnu, honderd jaar geleden constateerde hij, dat God dood is. Hij concludeert daaruit dat voortaan alles mag, dat niets zin heeft en dat de mens als individualist terugvalt op zichzelf Daaruit trekt hij de conclusie dat de antichrist er aan komt. Hij vindt zichzelf de profeet ervan, en hij wil er priester van zijn. Heel merkwaardig is, dat hij in een boek de Übermensch als een ideaal predikt maar in zijn laatste onvoltooide werk over de wil tot de macht, dat ideaal opgeeft, omdat zo'n mens ook weer voorbijgaat.
Wat betekent die wil tot de macht? Het is een machtsstreven zonder norm en zonder zin. Macht om de macht.
Ik meen dat Nietzsche de wijze van bestaan van de antichrist goed begrepen heeft en evenzeer dat onze cultuur en maatschappij de duidelijke aanloop zijn daarheen.
Nu de zin van de geschiedenis in de geest van tijd verloren is gegaan, heeft de sport als surrogaatzin de plaats ervan ingenomen. In september begint alles immers overnieuw.
Er is nog een verschijnsel in deze tijd, dat mij aan de antichrist doet denken. Ik bedoel de flitsen op de TV. Snel opeenvolgende beelden, waaraan de kijker geen houvast kan krijgen. Ze dienen in de reclame om de kijker te verdoven, waarna deze wakker wordt bij de uitkomst, Amstelbier bijvoorbeeld. Deze flitsen worden nu ook elders in de TV gebruikt, bijv. na de aankondiging van een sportuitzending. Daar is het steeds volstrekt zinloos. Ik heb het vermoeden dat de antichrist dat verdovingsmiddel goed zal kunnen gebruiken.
Dit alles gaat natuurlijk niet buiten God om. Het verloop van de geschiedenis is volstrekt in Zijn hand. Hij werkt daarin ook met het kwaad. (Natuurlijk kunnen wij niet uiteen houden wat God in de geschiedenis doet, wat mensen erin verrichten en wat de satan onderneemt.)
Wij kunnen uit de bijbel begrijpen dat de tijd van de antichrist betekent, dat God de satan in de antichrist de laatste kans tot afval en vernietiging geeft. Deze kans van absolute macht zonder zin zal tot niets leiden en God zal er niets van maken. Dan komt Christus terug.'
Wij leven inderdaad in een aangrijpende tijd. En dan denken we vooral aan de geestelijke achtergrond van ontwikkelingen die de los-van-God beweging gedurig activeert. We hebben steeds de geesten te beproeven of ze uit God zijn of dat ze van de antichrist afkomstig zijn. De mens zonder God is een eenzame nihilist die alleen maar zichzelf heeft. Die mens leeft en werkt om ons heen. Kennen we bewogenheid met hem? Of zijn we alleen maar druk met onszelf, óók in de christelijke gemeente?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's