Pasen:Hij is niet prijsgegeven,maar heeft eeuwig leven
'Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving zie. Gij zult mij het pad des levens bekendmaken; verzadiging der vreugde is bij Uw Aangezicht; lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.' Psalm 16:10-11
Een psalm van David. De jaren na zijn zalving tot koning leefde hij met deze wetenschap en in dit vertrouwen: hoe Saul mij ook naar het leven staat: de HEERE zal mij (letterlijk vertaald) niet prijsgeven, niet overgeven, zelfs niet aan de dood en het verderf, ik zal het graf der verderving niet zien. Want: mij is de belofte van het koningschap gedaan. Ik zal niet sterven, maar leven.
Echter: die gold slechts voor een tijd. Uiteindelijk is David wel gestorven, heeft hij wel het graf gezien, zoals Petrus in Handelingen 2 en 13 zegt en uitlegt. Maar ten volle en voor eeuwig zijn deze woorden vervuld in de grote Zoon van David: Jezus Christus. Hij is niet prijsgegeven, zelfs niet aan de dood. Hij is wel dood geweest, maar Hij is:
I aan de dood niet prijsgegeven
Dat zien wij duidelijk als wij bedenken wat in de Bijbel de dood is. Het sterven is niet de achterdeur van het leven, maar de voordeur van de eeuwigheid. En achter die deur ligt de gang van het graf: de ontbinding, de ontluistering van het lichaam, van Gods maaksel. En aan het eind van die gang ligt de kamer van de plaats van de eeuwige smart na het laatste oordeel. En dat alles bijeen noemt de Bijbel: de dood. En er is er een die het geweld-des doods heeft, namelijk de duivel. En aan deze dood zijn wij van nature sinds Genesis 3 onderworpen. Allen. Nu zien wij dat Jezus wel in het graf is geweest, maar niet aan de macht van de dood en de duivel is overgegeven. Want toen Hij stierf gaf Hij Zijn geest in bewaring aan Zijn Vader, en Zijn lichaam werd veilig bewaard in het graf. Wachtend tot de dag der opstanding, dat Zijn Vader Hem zou komen halen. Want Hij was de Heilige, de Gezalfde, de volmaakt Rechtvaardige. En zo vertegenwoordigde Hij al de Zijnen als Hoofd van allen die de Vader Hem gegeven had.
Van nature zijn wij in Adam: reizen we de dood tegemoet in zijn bijbelse huiveringwekkendheid. Zo erg is de afval van God. Zo diepe kloof slaat de zonde. Elke zonde is een harpoen waarmee de dood weer vaster mij tot zich trekt. Echter: in het gewaad van het Woord komt Jezus Christus, de Opgestane, tot ons. Die Hem van 't verderf (de dood!) uw leven wil verschonen. Zouden wij Hem dan niet aanroepen? Heere Jezus, ontferm U mijner! Wie Hem voorbij laat gaan, blijft onderworpen aan de dood, de duivel. Maar wie Hem aanroept in de nood: zalig! Want wie in Jezus Christus is, wordt in Hem niet aan de dood prijsgegeven, nooit meer tot God verlaten. O ja, soms lijkt het er wel op: in de nacht van kastijding en beproeving, in de nacht van depressiviteit en zwaarmoedigheid en gevoelloosheid, in de nacht van een aanklagend geweten terwijl het zicht op Gods belofte is verduisterd. Maar: nooit zal Hij mij prijsgeven. Hij houdt de dorst naar Hem levend! Hij wekt de verzekerdheid wederom op. En zelfs in de nacht van het sterven zal Hij mij niet prijsgeven: dan ontslaap ik 'slechts': ik ga slapen totdat Vader zegt: Opstaan, wakker worden, de Morgen is aangebroken.
En dan, dan begint het pas! Want Jezus is niet alleen niet aan de dood prijsgegeven. Hij is ook:
II tot het Leven opgewekt
Immers: Gij zult mij het pad des Levens bekendmaken. Pad des levens wil zeggen: het leven, niet als een punt, een moment, maar als een pad, een nooit meer doodlopende weg, dus: leven tot in eeuwigheid. Bekendmaken is nog beter weer te geven door: doen meemaken, doen beleven, doen genieten. Inderdaad: met Pasen heeft de Vader Zijn Zoon het eeuwige leven geschonken. En dat leven wordt van twee kanten belicht:
leven met vreugde bij Gods Aangezicht. Voor Pasen was Gods aangezicht vertoornd op Zijn Zoon. Hij kromp eronder ineen. Maar nu is Gods Aangezicht stralend van vreugde en gunst voor Zijn Zoon. Zodat Hij verheugd is en verrukt door Uw daan, zal verrukt ten reie gaan (Ps. 21).
En: lieflijkheden uit Zijn rechterhand. Voor Pasen was in Gods rechterhand de beker van het lijden voor Christus. Maar nu: 'lieflijkheden'. D.w.z.: wat de Zoon, Zijn Kind, het liefste had, heeft Zijn Vader Hem gegeven. Zoals: een volk uit alle natiën op Pinksteren. En: de Heilige Geest, om aan dat volk te geven. En: het koningschap om dat volk te beschermen en eens eeuwig te verlossen. Hij heeft het Hem gegeven.
En dan mag gelden: Christus vertegenwoordigt al de Zijnen. Wat Hij krijgt, deelt Hij uit aan Zijn Kerk. Die in Hem de nacht achter zich heeft liggen en de eeuwige morgen tegemoet leeft. Christus doet erin delen: om verzoend voor 's Vaders oog te treên. Hij ziet dan geen zonde meer in ons. Zijn Aangezicht straalt ons toe. Vol goedkeuring en liefde. In Christus. Aangenomen voor eeuwig. Wat een verzadiging van vreugde! Christus doet erin delen: de lieflijkheden uit Gods rechterhand. Vaderhand. De Heilige Geest in Zijn werkingen, in Zijn vrucht, in Zijn heiligmaking. Lieflijkheden, wat de kinderen het liefste begeren, krijgen zij ook. Wat een overvloed en rijkdom.
Kennen we hier iets van? Wie hier iets van kent die stemt er van harte mee in: 'de schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren, o heerlijk erf Gij kunt mijn ziel vervoeren'. Verrukking over Gods vriendelijk Aangezicht en Zijn genadegaven in Christus! En dan te weten: dit is, in dit leven, nog
En dan te weten: dit is, in dit leven, nog maar het begin. Het is hier en nu altijd nog getemperd, gedempt, onzuiver, vermengd met schaduwen. Want we beleven soms die vreugde niet, maar leven in grauwe vanzelfsprekendheid. We verduisteren dat aangezicht door de walm van onze zonden. En Gods genadegaven begeren we soms niet en wat we wel begeren kan Hij ons niet geven. Omwille van onze eerzucht moet Hij wel de lieflijkheden temperen of vermengen met kastijdingen.
En zo leer de HEERE ons, levend met Christus, hoe langer hoe meer: het volle Paasleven komt pas door het sterven heen, ligt pas aan de overzijde. Dan pas zal geopenbaard worden de volle heerlijkheid der kinderen Gods. En dat mag ons en zal ons doen zuchten en hunkeren: wanneer zal dat aanbreken? Wanneer zal die morgen komen? HEERE, hoe lang nog...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's