Ds. H. A. Labrie (86) zestig jaar predikant
Met Kohlbrugge naar Flakkee
Eind 1935 voltooide kandidaat H. A. Labrie zijn studie. Direct kreeg hij vier beroepen. Er volgden nog wat telefoontjes van vacante gemeenten, maar hij dacht: 'Ik heb er vier en dat is mij genoeg'. 'Ja, waar ga je dan naartoe? Daar ben ik nuchter in, want een hoorbare stem krijg je niet. Ik heb toen zo geredeneerd: waar de vacature het langste duurt, zal de nood het meest gevoeld worden. Nu, Jaarsveld was nog niet vacant, want Hovius was nog niet weg en Molenaarsgraaf was net vacant geworden. Amemuiden was acht jaar en Goedereede elf jaar zonder dominee.' Dit voorjaar zestig jaar geleden ging ds. Labrie naar Flakkee. Mèt Kohlbrugge in zijn bagage.
In zijn serviceflat in de Overijsselse gemeente Ommen laat ds. Labrie de vier gemeenten die hij, samen met zijn vorig jaar overleden vrouw, rnocht dienen, aan zijn geestesoog voorbijgaan. In april onderging hij een ingrijpende operatie. 'Een wonder dat ik weer thuis ben. Ja, een mens wil altijd maar leven blijven.'
Nog immer scherp van gedachten en betrokken bij deze tijd. Zijn commentaar op wat deze dag de krant haalde, heeft hij al klaar.
De wieg van Hendrik Adrianus Labrie stond in Vianen. Zijn ouders waren hervormd, zijn vader kwam uit wat hij noemt 'een sterk reformatorisch gezin'. Direct bij het ontstaan van de Gereformeerde Bond werden zij lid. Het gezin kerkte in 'een rechts-confessionele gemeente'. Dat was Vianen toen. Of dat spanning gaf? Wel enigszins, het hing sterk van de predikant af. Vianen werd gediend door ds. Steenbeek, een echte Kohlbruggiaanse dominee, en later door ds. Van Rijs en ds. Knier, die met de Gereformeerde Bonders goed konden opschieten. Zij lieten ook wel bondsdominees preken. Maar ds. Wachter was er ook. Dat was een vijand, zo kun je dat rustig zeggen.
In ben uit die bondsgroep voortgekomen en ben altijd bonder gebleven, maar heb wel sterk de invloed van de Kohlbruggiaanse theologie ondergaan. Die kreeg ik in Vianen van de preekstoel met de paplepel ingegoten. Dat heeft me al de jaren in de kerk gestempeld. Ik was Gereformeerde Bonder, maar vooral een vriend van Kohlbrugge.'
Alles in Christus
'Wat me in Kohlbrugge aansprak? Ik zou zeggen: dat alles in Christus ligt. Onze rechtvaardiging, onze heiliging en, zoals de catechismus het zegt, de volkomen verlossing. Bij ons is er niks om op te roemen. We hoeven ook niets op onze vroomheid en onze ervaringen te schrijven. Van ons is er geen spaan bij. Dat is voor mij de bekoring van Kohlbrugge, die me altijd bewaard heeft voor het leggen van een te zwaar accent op de bevindelijkheid. De bevinding is er en die moet er zijn, want het gaat niet buiten de mens om, maar het komt ook niet uit de mens op. Niets uit mij, maar alles uit Hem. Dat is mijn enige troost. Die geloofswetenschap heb ik van huis uit meegekregen.
Ik heb nooit gedacht dat ik predikant zou worden, al leefde het verlangen ernaar al jong bij me. Mijn vader was een goede middenstander, dat wel, maar hij zwom niet in het geld. Ik dacht wel eens: "Ik zou toch zo graag dominee willen worden, maar dat kan in de gegeven omstandigheden toch niet." Ik heb er nooit met mijn vader over gepraat, want het leek me te bezwaarlijk. Totdat vader zelf eens zei: "Joh, zou jij nou geen begeerte hebben om dominee te worden? " Ik antwoordde: "Ja pa, dat zou ik wel willen, maar dat kan niet." Ik vergeet nooit dat hij toen zei: "Alles kan!" Zo ging ik in september 1924 naar het gymnasium in Utrecht.'
Student
'In mijn studententijd heb ik het wel eens moeilijk gehad, dan wordt er aan je zekerheden geschud. Toch ben ik blij aan een Rijksuniversiteit gestudeerd te hebben, want je komt er vaster door in je schoenen te staan.
Prof. Hugo Visscher was een van de Utrechtse hoogleraren voor wie ik erg veel respect had. Hij was een meesterlijk didact, kon heel moeilijke kwesties glashelder maken. Het was een grote overgang, toen we van Visscher naar Severijn gingen. Dat was ook een vriendelijke man, maar zijn colleges waren nu niet glashelder. Severijn heeft niet veel invloed op me gehad.
Van de professoren denk ik met de meeste vreugde en dankbaarheid terug aan prof. Maarten van Rhijn, de man van de praktica in het pastorale werk. Dat vond ik een uitstekend hoogleraar. Hem heb ik bij het pastorale werk in de gemeente altijd voor ogen gehad. Ik herinner me nog dat hij dikwijls zei: "Mijne heren, denkt u erom, u ben herder en leraar, als u de pastorie ingaat, maar het herderschap gaat voorop." Dat heb ik onthouden. Hij hield je er ook aan. Toen ik de pastorie inging, is hij verschillende keren bij me geweest en dan wist hij haarfijn hoe het met je pastoraat stond. O wee, als je erin tekortschoot, dan kreeg je op je nek.'
Goedereede
'In 1935 studeerde ik af en op 9 februari 1936 werd ik in Goedereede bevestigd. De gemeente was elf jaar herderloos geweest. Ds. R Bouw uit Melissant was de laatste consulent en had er al goed werk gedaan, maar er was niets behalve een zondagsschool. Alles moest je opbouwen. De gemeente bestond uit 1600 zielen, maar telde heel weinig belijdende leden, nauwelijks honderd. In mijn eerste groep belijdeniscatechisanten was de jongste al in de dertig. Men deed niet snel belijdenis. Er leefde sterk de gedachte dat je eerst je bekeringsgeschiedenis moest kunnen vertellen. Ik ben er slechts drieëneenhalf jaar geweest, maar heb er ook maar één paartje kerkelijk getrouwd. Om in de kerk te trouwen, moest je bekeerd zijn. Ik heb ooit gezegd: Jullie zijn nog erger dan roomsen, die het huwelijk als sacrament beschouwen, maar ze trouwen ondanks dat toch in de kerk!
Sommigen meenden zelfs dat als je bekeerd werd, je niet meer naar de kerk hoefde en je ook het Avondmaal niet nodig had. Ik zei: "God heeft toch Woord en sacrament tot versterking van het geloof gegeven? ". "Ja, maar God is aan geen tijd of plaats gebonden", antwoordde men dan.
De beloften van het verbond zijn alleen voor de uitverkorenen, dachten sommigen. "Waar staat dat? ", vroeg ik. Dat lees je toch nergens. Je stond voor een muur vanwege het valse licht dat ze op de verkiezing wierpen. Ik heb ds. De Looze eens horen zeggen: "Op de deur van het Koninkrijk Gods staat: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt, en als we het daarmee wagen, komen we de deur binnen en staat er aan de binnenkant: Door U alleen, om het eeuwig welbehagen".
In Goedereede was het moeilijk werken. Men was door en door lijdelijk. Ik weet best dat het geloof een genadegave is, maar een mens blijft verantwoordelijk. Er waren gelukkig ook fijne dingen, anders houd je het niet uit. Het is nu erg veranderd, dat zeg ik met dankbaarheid. Men heeft in de loop van de laatste vijftig jaar ook in Goedereede meer oog gekregen voor de rijkdom van Gods genadeverbond en begrepen dat in de worsteling om de zekerheid van het geloof Gods beloften meer zekerheid bieden dan de roerselen van ons eigen hart. Men mag God de Heere houden aan Zijn eigen Woord.'
Veluwe
'In 1939 zijn we naar Wapenveld gegaan, een totaal andere gemeente. Dat was een gemeente waar ze het Evangelie indronken en dat doen ze nog! Als je daar preekt — mijn laatste dienst heb ik drie jaar geleden in Wapenveld geleid — word je door de gemeente gedragen. Heel bijzonder, nog altijd. Wapenveld is voor mij onvergetelijk gebleven. Te vroeg misschien ben ik in 1942 naar Ermelo gegaan, voor het eerst in een tweemansgemeente. Ik stond er met dr. Kruyshoop, heel prettig. We waren eensgeestes. Hij was sterk beïnvloed door ds. C. B. Holland, dus we zaten theologisch op één stoel. We konden fijn samenwerken. Het was een goede tijd in Ermelo. We hadden daar ouderlingen, dat waren theologen. Er was er een Klaas Kuiper, een gewone boer, maar die had wat in zijn mars. Die man had een boekenkast waarop menig dominee jaloers zou zijn.
In Ermelo had je toen — nu is het daar anders —, zoals op de hele Veluwe, de overwaardering van de bevinding, waarin men gronden zocht. Als je dit niet beleefd had, of als je dat niet doorgemaakt had, was het niet goed. Daar verzette ik me tegen. Ik bedankte eens voor een beroep naar Dinteloord en zei die zondag tegen de gemeente: "Het is hier altijd niet even ge makkelijk werken, want er zijn onder u veel verwende kinderen." Men zat gespitst te luisteren. "Want", zei ik, " ik moet in Ermelo vaak denken aan wat Erskine, een bekende oude schrijver, in een van zijn preken zegt: dat er in veel gemeenten zoveel verwende kinderen zijn, die heel graag een dikbelegde boterham willen hebben. Als ze die krijgen, eten ze eerst het beleg eraf en het goede brood waarom het gaat, laten ze liggen. Zo zijn er ook in Ermelo velen." De overschatting van de bevindelijkheid was er groot. Toch heb ik er een goede tijd gehad, ook met de opvolger van Kruyshoop, de oude ds. Theo Vollebregt.
Ook in Ermelo is er in de loop der jaren veel veranderd. Ook daar is men steeds meer gaan begrijpen dat de grond van de zekerheid des geloofs niet ligt in wat wij ervaren, maar buiten ons in Christus alleen, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn.'
Den Ham
'In 1949 ging ik naar Den Ham, waar ik 26 jaar bleef tot het emeritaat in 1975. Ik vond in Den Ham een gemeente met een sterk Kohlbruggiaanse inslag. Ds. Havinga had er vroeger gestaan en later ds. Holland. De laatste had veel invloed. Hoe de ligging van de gemeente is? Wel het "is nog een bondsgemeente, maar een Saksische onder Saksen is soepel, niet altijd rechtlijnig". Ik had ze liever en dat heb ik ook wel eens gezegd, wat strakker in het beginsel. Een ouderling zei pas nog tegen me: "Ik ben een flexibele bonder". Ik antwoordde: "Jawel, flexibel mag maar tot op zekere hoogte. We hoeven geen scherpslijpers te zijn, maar voor het beginsel moet je staan." En dat ontbrak wel eens.
De kwestie van psalmen of gezangen zingen vind ik een secundaire zaak. In de Enige Gezangen zingen we toch ook het nieuwtestamentische lied? Wanneer de gezangen Schriftuurlijk zijn, waarom zou je ze niet mogen zingen? Het gaat echter te ver als men de prediking beoordeelt in het licht van het zingen van gezangen, dat kan niet. Dat wilde men ook niet, want de hele gemeente verlangde reformatorische prediking, de verkondiging van zonde en genade, dood en leven! Een deel van de gemeente wilde echter graag een gezang zingen. Ik vreesde toen opschudding en tweedracht in de gemeente, want er waren ook anderen die het bij alleen de psalmen wilden houden. We hebben dit toen opgevangen door ter inleiding op de dienst een gezang te zingen. Dat is nog zo. In de dienst zingen we de psalmen, nieuwe en oude berijming. Ook op hoogtijdagen zingt men nu in Den Ham het nieuwtestamentische lied.
Liturgie vind ik belangrijk, jazeker. Ze moet heel nauw aansluiten bij de prediking en ook uit de prediking opkomen. Je moet er ook esthetisch mee omgaan. In mijn tijd wilde men al dat de koren in bepaalde diensten apart zongen. Nu gebeurt dat wel, maar in mijn tijd wilde ik dit absoluut niet, want het zingen, of het nu een loflied of een klaagzang is, is het zingen van de gemeente en niet van een koor. Het optreden van een koor aanvaardde ik slechts als het de psalmen cantus firmus mèt de gemeente samenzong. Het resultaat was indrukwekkend.'
Mentor
'Ik had in Den Ham een heel speciale band gekregen, ook door het ongeluk in 1955 toen er in Duitsland een bus verongelukte, waarbij drie jonge mensen verbrand zijn. Dat heeft een erge band gelegd met de gemeente. Het was een trouwe gemeente. Er zaten elke zondag zo'n 1400 mensen in de kerk, voor een gemeente van 3600 zielen een hoog percentage. Ook collega Lam heeft de kerk weer goed vol, gelukkig.
In Den Ham was ik mentor van ds. Den Hoed. Hij was in 1955 gedurende vier maanden mijn pupil. Den Hoed vond ik een prettige en vlotte jongen. Ik was vorig jaar nog bij zijn afscheid in Sliedrecht, bijzonder dat ik dat op mijn leeftijd mee kon maken. Bijna veertig jaar geleden had ik hem in Tholen mogen bevestigen. We hadden een goede band met hem, die juist deze maand zijn veertigjarig ambtsjubileum mag vieren.'
Pastoraat
'Ik stond in de kerk te boek als een Gereformeerde Bonder, maar ben als zodanig nooit op de voorgrond getreden. Ik was er altijd bang voor voor een partijman gehouden te worden. Ik heb steeds geprobeerd predikant te zijn voor de gehele gemeente. Het grootste accent gaf ik het pastoraat. Ik had een hekel aan classicale vergaderingen. Wat een tijd ging er verloren in de oeverloze discussies tussen de verschillende modaliteiten. Principiële besluiten werden er vaak niet genomen, vaak alleen in het bestuurlijke vlak. Ik was het liefste in de gemeente bezig.
Als het over de toekomst van de kerk gaat, is de classis nu wel belangrijk. We zitten immers midden in het Samen op Weg-proces. Wat daarvan terecht moet komen, weet ik niet. Ik houd mijn hart vast. Wanneer ik let op de theologische ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken en de ethische opvattingen daar ten aanzien van vraagstukken als abortus, huwelijk, euthanasie enz., dan vraag ik me af wat we bij een fusie met deze kerken te verwachten hebben. Ik ben bang voor een nog verder afwijken van de reformatorische koers, die de belijdenissen van onze Hervormde Kerk nog altijd uitzetten! Met droefheid zeg ik erbij dat die koers in onze kerk niet altijd wordt gevaren. Het Samen op Weg zal ons verder van die belijdenis afvoeren en daarom heb ik geen vertrouwen in dat proces en ben ik er furieus tegen.
Ik weet niet of ik het nog beleven zal, maar mocht tijdens mijn leven die voorgenomen fusie nog worden doorgevoerd, word ik niet Verenigd Protestants. Ik hoop als hervormd emeritus-predikant te sterven. Geboren in de Hervormde Kerk — die ik nog altijd beschouw als de kerk der Reformatie door God in de Lage Landen geplant —, in die kerk gedoopt, in die kerk belijdenis gedaan en getrouwd, in die kerk bij mijn bevestiging de ambtseed afgelegd hebbende, weet ik mij geroepen en in mijn geweten gebonden om mijn krachten te geven aan de bouw van Gods kerk hier op aarde, in het bijzonder in de Hervormde Kerk. Om des gewetens wil zal ik er niet aan meewerken die kerk op te blazen en in te ruilen voor een VPKN.
Ik hoop dan ook dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond zijn standpunt van "Wij kunnen niet mee en we kunnen niet weg" nog wat zal radicaliseren: Wij gaan niet mee, maar we blijven waar we zijn. Wij blijven hervormd. In ons geweten zijn we dat verplicht! Wij zijn in ieder geval geen scheurmakers. Dat laten we over aan hen die dit proces ten koste van alles willen doorzetten. Men heeft immers nog nooit gevraagd naar de opinie van het meelevende hervormde kerkvolk. Ik ben er zeker van dat daar het enthousiasme voor deze zaak niet zo groot is.'
Mijn vaderland
'Hoe ik de toekomst zie? De weet het rüet. De toekomst is aan Hem, Wien alle macht in hemel en op aarde gegeven is. Dat is het allerbelangrijkste en ook het meest troostvolle. Want als je alleen maar op de gang der dingen ziet in deze wereld, word je somber gestemd.
De ontkerstening van onze samenleving neemt steeds ernstiger vormen aan. Ons land is geen christelijke natie meer. Waar eens het calvinisme op ons volksleven zijn stempel zette, waart nu de geest van het humanisme rond. De mens maakt zelf uit wat goed en wat kwaad is. De huwelijksmoraal beweegt zich op een hellend vlak: een meerderheid van de Tweede Kamer vraagt de regering om legalisering van het homohuwelijk. Begripsvervuiling noemde kardinaal Simonis dit terecht. Discriminatie neemt hand over hand toe. Allerlei vormen van samenleven tussen man en vrouw worden gesanctioneerd. Nederland schijnt in Europa de voortrekker te willen spelen in progressiviteit. Mijn vaderland wordt zo langzamerhand het Sodom en Gomorra van Europa. Ik voel me een vreemdeling in mijn geboorteland. Het enige wat voor de toekomst rust geeft, is de wetenschap van het geloof: niet de macht der duisternis heeft het laatste woord. Door al deze donkerheid heen is Christus onderweg naar Zijn Rijk dat komt!
Niet alleen de toekomst van onze natie, ook die van de kerk ligt in handen van de Koning der kerk. Wat we voor ogen zien, is verontrustend: de kerken lopen leeg. De jeugd, die geen weet meer heeft van het Evangelie, groeit op. Als ik zie dat kerken afgebroken en moskeeën gebouwd worden, vraag ik me soms af of God misschien bezig is in het Westen de kandelaar weg te nemen. Dat is meer gebeurd in de geschiedenis der kerk. Wat in Klein-Azië en Noord-Afrika plaatsvond, kan ook ons overkomen.
Het kerkelijk leven kan je daarom soms benauwen, maar er is hoop. Want Christus houdt Zijn kerk in stand, niet wij doen dat. We zien dat in het Verre Oosten, zelfs in China, de christelijke kerk wonderlijk groeit en bloeit. We zien het echter ook nog in eigen land: waar de bijbelse boodschap in evangelische of reformatorische zin wordt verkondigd, zijn de kerken nog altijd vol en tref je nog immer een meelevende jeugd. Gods werd gaat altijd door. Ondanks alle turbulentie in kerk en wereld staat vast dat Christus onderweg is naar Zijn grote Dag, waarop alles nieuw wordt, de hemel en de aarde. Daar mogen we naar uitzien en daar mogen we op hopen. We hebben een heerlijke toekomst.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 15 mei 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 15 mei 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's