De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

Op 21 januari 1930 hield ds. J. J. Knap Czn in de Mlartinikerk in Groningen een preek, die In dat jaar bij Kok In Kampen werd uitgegeven onder de titel 'De dragende God'. De preek werd gehouden vanwege 'de verwerping der reorganisatievoorstellen door de Algemeene Synode'. Hier volgt het slot van de preek:
De Kerk wordt oud, voor zoover het de onze betreft.
treft. De ouderdom komt met gebreken.

En ook in den ouderdom is er zonde en schuld, al is zij meestal van anderen aard dan in de dagen der bloeiende, zelfvertrouwende jeugd, die gewoonlijk te veel rekent op de beenen des mans en daarom moeilijk het woord "genade" leert spellen, zij denkt soms zelf wel te kunnen loopen en heeft er weinig lust in gedragen te worden.

Maar de Heere is getrouw: de dragende God van gisteren is ook de God van heden en morgen, en Hij belooft altoos dezelfde te zullen zijn. Dezelfde in ondersteunende, dragende kracht. Dezelfde in trouwe zorg voor zijne planting. Dezelfde in waakzaamheid over zijn Woord, opda de klare vlam der waarheid niet gedoofd worde. En Godlof, ook dezelfde in verzoenende en vergevende goedertierenheid.

Wij zijn maar menschen, en Hij is God.

Wij beginnen vaak voortvarend met den arbeid in den wijngaard des Heeren, maar de handen worden dikwijls onder de teleurstellingen slap en de knieën beginnen te struikelen. Maar God is trouw. Hij laat het werk zijner handen niet varen. Hij laat het nooit varen, indien wij van onzen kant zijn verbond niet verbreken, ja, zelfs dan nog is alles niet verloren, gij kunt het aan Israël zien, dat het verbond duizendmaal trouweloos heeft geschonden. Zijn werk schijnt wel eens te mislukken. Maar dit is niets dan schijn.

Sommige menschen praten nu smalend over den tegenslag, die de Kerk getroffen heeft, en wagen het er een symptoom van haar aanstaande verdwijning in te zien. O, die kortzichtigen! alsof God zijn woord kon herroepen: "tot den ouderdom zal Ik dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik hèb het gedaan, en Ik zal dragen en redden".

Ik geef dien kleingeloovigen en moedeloozen den raad het laatste bijbelboek eens te lezen, 't Is in deze dagen een aangrijpende en leerzame lectuur Gij leest er in van plaag op plaag, van fiool of fiool. Het is een boek vol van donderslagen en bliksemschichten. De oordeelen en gerichten volgen elkaar onophoudelijk op. Gij vraagt u zelf af wat er van de Kerk des Heeren onder al die mokerslagen moet overblijven, en gij denkt in uw kleingeloof, dat zij in de wereld-vijzel tot gruis gestampt zal worden. Maar lees nu eens tot het einde toe door. Op één der laatste bladzijden ziet gij het Nieuw-Jeruzalem in stralende pracht van den hemel op aarde nederdalen. Dat is de Kerk des Heeren in haar voleinde gedaante, schitterend van 't edelste goud, met paarlen poorten en vol van klaterende fonteinen. God heeft zijn Kerk veilig door alle vreeselijke gerichten heengedragen. Wat méér zegt, al die oordeelen, verschrikkingen, rampen en nooden ware de hamerslagen, waardoor die Kerk naar haar voltooiing toe opgetrokken werd. De gerichten waren ontzettend, maar de uitkomst er van, het eindresul taat is wonderschoon: de heilige stad!

Wat zijt gij dan kleinmoedig over de teleurstelling, die in laatste instantie niet de Synode, maar Göd in zijn ondoorgrondelijken Raad ons bereid heeft? He ongeloof roept schaterend uit: daar gaat zij, die oude kerk! Maar 't geloof erkent, dat het een tegenslag schijnt, duizendmaal verdiend, o, zeker, maar het hoort er één van Gods hamerslagen in, niet, o zijn kerk te slopen, doch om haar te bouwen als een brokske van de Gouden Stad. En zoo besluit ik met het woord van den apostel, die midden in de afbraak staande, de trompet aan den mond zette om uit te roepen: "Wij hebben dan altoos goeden moed!"... óók bij het schijnbaar ve nietigende sloopwerk.

En vraagt gij mij of er dan nu niets meer te doen is dan te berusten, dan roep ik u op tot drie gróóte daden, want wij moeten zijn mannen van de daad. De eerste is deze: Vertrouwt onvoorwaardelijk en blindelings de belofte des Heeren, dat Hij tot den ouderdom toe dezelfde zal zijn. Ik zal dragen en redden, - dit is de groote daad des geloofs.

De tweede is deze: Werkt zoolang het dag is, wan de nacht komt, waarin niemand werken kan. Die den Heere trouw in uw ambtelijk en persoonlijke leven, gij, leeraren, ouderlingen en diakenen, maar ook gij, gemeente des Heeren. Wekt onder het volk de overtuiging, dat Jezus Christus zijn Kerk zelf door middel der ambten moet regeeren. Maar verzuimt niet het voor de hand liggende werk, want ook daar moet de ernst van uw streven naar kerkhervorming uit blijken, - dit is de groote daad van 't stille dienen.

En ten derde komt daarbij de ontzaggelijke daad, de heerlijke daad, waartoe de genade Gods u alléén kan bekwamen, 't is de daad van een nóóit u uw hart wijkend gebed:

"Verlaat niet wat uw hand begon,
o, Levensbron!
Wil bijstand zenden!"

                                                                   *

Uit een lezenswaardige brochure van het landelijk verband van SGP-jongeren 'Stille armoede in een rijk land het volgende:

Het is bekend dat Nederland behoort tot de rijkste landen ter wereld. Het bedrag dat wij met elkaar in één jaar verdienen door te werken en door geld te investeren in gebouwen, machines en dergelijke (het bruto binnenlands produkt) bedroeg in 1995 637 miljard gulden. Per hoofd van de bevolking is dat f 40.800, - . Wanneer we dit bedrag vergelijken met cijfers voor de­ Derde-Wereldlanden, wordt de rijkdom van ons land nog duidelijker. In Mozambique bedroeg het inkomen per hoofd van de bevolking in 1993 slechts/ 167, - , het gemiddelde voor de Derde Wereld lag op     f 707, - . In de Westerse industrielanden wordt per jaar gemiddeld f 42.947, - per hoofd verdiend. Ook als gelet wordt op de levensverwachting en het percentage analfabeten onder de bevolking is Nederland een zeer welvarend land te noemen.
                                 Inkomen per hoofd (1993)  Levensverwachting (1993) Analfabetisme (1990)

Mozambique             167                                     46                                         67%
Derde Wereld            707                                     62                                         41%
Industrielanden       42.947                                   77                                         b
Nederland               38.967                                   78                                         b
Zwitserland             66.514                                   78                                         b

a. in guldens, omgerekend op basis van de gemiddelde dollarkoers in 1993 (f 1,86).
b. vrijwel geen analfabetisme.

­ Bron: Wereldbank, World Development Report 1995, pag. 162-163.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's