De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Negentig jaar Gereformeerde Bond en de kerk aan het eind van de twintigste eeuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Negentig jaar Gereformeerde Bond en de kerk aan het eind van de twintigste eeuw

25 minuten leestijd

Jaarvergadering Gereformeerde Bond

'De bond mag sterven, maar de kerk zal leven'. Met deze geladen uitspraak van wijlen ds. G. Boer, aan het eind van de zestiger jaren onze voorzitter, is haarscherp aangegeven waarom de Gereformeerde Bond werd opgericht en wat zijn functie was in het geheel van de kerk.

Dezer dagen heb ik de gedenkboeken bij het vijfentwintig-, vijftig-, en vijfenzeventigjarig bestaan van de Gereformeerde Bond nog eens doorgenomen. Als een rode draad loopt door die boeken de verantwoordelijkheid vóór en betrokkenheid op de kerk, op de Hervormde Kerk, die een gereformeerde kerk zal zijn. Ik herinner mij nog zeer goed hoe ds. Boer, toen hij al teruggetreden was als voorzitter, maar vanaf de zijlijn nog hartelijk bleef meeleven, waarschuwende signalen afgaf, ook naar ondergetekende, als hij bemerkte of vermoedde, dat de balans teveel naar 'de bond' doorsloeg in plaats van naar de kerk. Het ging om de kerk en niet om een kerkje in de kerk.

Bij het vijftigjarig bestaan van de bond, zei prof. dr. J. Severijn: 'terecht zou men ons veroordelen een kerk in de Kerk te willen zijn, als wij verschillende kerkelijke vragen, die om een oplossing schreeuwen, naar het richtsnoer van het geloof in eigen kring zouden willen regelen'. 'Wij onthouden ons daarvan op principiële gronden — zei hij —, hoewel de kerkelijke organen voortgaan met allerlei de kerk in te zenden wat niet strookt met de Schrift en de belijdenis der kerk'. Het bewaren, dat God van ons vraagt, is immers, zegt hij letterlijk, 'nooit een opsluiten in de brandkast', maar gehoorzaam uitvoeren wat God ons beveelt en toevertrouwt in het midden van de kerk.

Het besef leefde ook, dat al het pogen van de Gereformeerde Bond om de Hervormde Kerk terug te brengen tot haar eigen reformatorische wortels, gebrekkig en ten dele is geweest. Ik citeer hier een woord van ds. J. H. F. Remme, in alle eerlijkheid gesproken bij het vijfentwintig jarig bestaan. Hij maant tot bescheidenheid en houdt zijn hoorders voor van overtuiging te zijn, dat 'de eeuwigheid menige correctie (zal) hebben aan te brengen in uwe Waarheidskennis.' Remme vervolgt dan aldus:

'Zoudt ge denken, dat waar alles hier gebrekkig en ten dele is, alleen uw inzicht in de samenhang der eeuwige dingen op deze vaste regel een uitzondering maakt? '

De poging tot het aankweken van bescheidenheid in het kerkelijk strijdperk had intussen — zegt Remme — niets te maken met onverschilligheid, die zich niet druk maakt om de geschillen, omdat er nu eenmaal voor elk standpunt iets te zeggen valt. De bond is er, zegt Remme, 'omdat de Kerk des Heeren te kort schoot en brede stroken van de akker onbewerkt liet liggen'. Maar, zegt hij,

'... de historie heeft geleerd, dat ook in deze worstelingen om de Waarheid het boze 'ik' de strijders menigmaal lelijke parten speelt. Mij is gebleken, dat ge op kerkelijke partijnamen niet altijd aan kunt en dat er vandaag de dag nog zeloten zijn, bij wie het ijvervuur wordt gestookt met brandstof, gedolven uit de groeve der zelfzucht, en aangeblazen door de driften van de hoogmoed.

Houdt u ervan verzekerd, dat op de markt der geestelijke dingen veel kool wordt aangevoerd; naar ik hoor is de prijs laag, omdat de aanvoer zo groot is. In de strijd om de Waarheid met een hoofdletter, is de waarheid met een kleine w nog altijd het beste en zuiverste wapen.'

Nu de Gereformeerde Bond dit jaar negentig jaar bestaat kunnen en mogen we niet anders dan de behartigenswaardige opmerkingen van de oprichters van de bond tot de onze te maken. Hun waarschuwingen zijn allerminst verjaard.

Geen kerkje in de kerk! En wat de waarheid betreft komen wij niet verder dan de waarheid met een kleine w. Maar wel gold wat Severijn in 1956 zei, namelijk dat het in de aard van het geloof ligt, 'dat de enkeling medegenoten in Christus zoekt. Zou hij dat dan kunnen nalaten in een Kerk, die aan Waarheid en dwaling gelijke rechten toekent? '. Het geloof zoekt gemeenschap des geloofs en sterkt zich daarin. Die gemeenschap des gelóófs kan en mag alleen de kracht van de Gereformeerde Bond zijn. Zonder die gemeenschap is hij krachteloos en tot machteloosheid gedoemd.

Opdracht

De opdracht van de Gereformeerde Bond is intussen evenmin verjaard. Ik herinner nog even aan de directe aanleiding voor de oprichting van de bond. Ds. Ph. J. Hoedemaker had gezegd — aldus ds. M. van Grieken in zijn rede in het herdenkingsjaar 1931 — dat er niet alleen geen moderne synode moest zijn, maar dat er helemaal geen synode moest zijn zoals we nu hebben. 'Voortgekomen uit het liberalisme, is de synode een werktuig om de Kerk in handen te spelen van het liberalisme.'' Maar intussen waarschuwde de bond tegen veldwinnend socialisme, met name dat van Dr. Louis Adriën Bähler. Aanleiding voor de oprichting van de Gereformeerde Bond was echter met name, dat Bähler 'Boeddha durfde stellen boven Je­zus Christus'. Het kerkbestuur van de Hervormde Kerk sprak Bähler vrij, toen er een klacht tegen hem was ingediend door een kerkenraad uit Amsterdam. 'En nu zitten we met een kerk, die haar kinderen voor het ongeloof te vondeling legt', zei de voorzitter

In Hervormd Nederland nu werd dezer dagen uitvoerig aandacht gegeven aan Bähler, die werd getypeerd als 'de kleurrijke aanstichter van de Gereformeerde Bond'. Gememoreerd wordt het oprichtingsmanifest van de Gereformeerde Bond, dat in het Gereformeerd Weekblad van 17 februari 1906 werd afgedrukt, en waarin werd gezegd, dat duizenden een prooi zijn geworden van het ongeloof, 'dat onder de vigerende (synodale) organisatie vrij spel heeft, terwijl zij die naar Gods Woord begeren te leven, zich gekrenkt moeten gevoelen, omdat er voor alle wind van leer plaats is, maar niet voor handhaving en toepassing van de wettige belijdenis der Kerk'.

Maar intussen zegt de schrijver van het bewuste artikel in Hervormd Nederland — ds. S. J. Visser, Klaaswaal —, dat anno 1996 niemand uit de kerk wordt gezet wegens het Verkondigen van dit soort afwijkende denkbeelden als van Bähler. 'Het zou onbegonnen werk zijn'. In 1906, aldus de schrijver, was de synodale steun voor Bähler 'als het gewicht van de mug, die de brug deed ineenstorten'. Maar wie vandaag in de kerk rondkijkt zal nogal wat mensen aantreffen, die zeker wat hun spirituele belangstelling betreft, zich met Bähler zeer verwant zouden voelen en die in wezen uit dezelfde bron putten. Genoemd worden niet alleen de 'new agers' maar ook de Duitse theoloog Eugen Drewerman, die ook in Nederland een brede markt vindt.

Hier hoort men het ook eens van een ander. Daarom zeg ik: de opdracht van de bond is niet verjaard. Het kerkverwoestend modemisme van de vorige eeuw mag dan nauwelijks meer bestaan, er is ook vandaag 'bredere vrijzinnigheid' — ik citeer Arie L. Molenaar in een artikel 'Vervluchtiging van het vrijzinnig protestantisme' in Nederlands Theologisch Tijdschrift — dat zien niet verdraagt met de gereformeerde belijdenis.

We mogen ons overigens wel afvragen of er niet een zekere mate van gewenning is gekomen aan wat zich niet verdraagt met het Evangelie van de Gekruisigde en Opgestane. Zien we de misstanden in eigen kerk nog scherp, nu alle aandacht zich richt op de VPKN? In wat vandaag onder de mooie aanduiding 'spiritualiteit' schuil gaat, gaan niet minder ketterse denkbeelden schuil dan onder het modemisme van de vorige eeuw.

De kerk

De bond mag sterven, maar de kerk zal leven! Kwam de kerk in de twintigste eeuw, na de ondermijning van het geloof door de modernen in de vorige eeuw, tot nieuw leven?

De Hervormde Kerk is geen gereformeerde kerk geworden na de wording van de Gereformeerde Bond. De vrucht bleef uit.

Het 'vurig gehoopte succes' liet wachten, zei men in 1931. De bond zelf kwam, na stormachtige beginjaren, ook in wat rustiger vaarwater, in een nieuwe bezinning. De eerste jaren van de bond werden vergeleken met de krachtige bovenloop van een rivier. Ds. Remme zei van het vervolg echter: 'En zeker zou het stroompje verstikt zijn in het lome zand der ontmoediging, als niet zou zijn opgekomen een meer rustige en eenvoudige geest, geneigd te luisteren naar de maanstem (lees: vermanende stem, v. d. G.), die waarschuwde tegen het verachten van de dag der kleine dingen'. Men werd bescheidener in de verwachting. De niet-gereformeerde bovenstroom in de kerk bleek taai. Maar het geloof in Gods trouw was nochtans taaier.

In 1956 sprak prof. Severijn over het kerkelijk compromis tussen midden-orthodoxie en gematigde vrijzinnigheid. Dat kon, zei hij, weinig uitzicht geven op een gezond kerkelijk leven in gemeenschap met het geloof der vaderen. Het trof mij, dat Severijn hier, en telkens weer, spreekt over gemeenschap met het gelóóf der vaderen, in plaats van met het belijden of de belijdenis der vaderen. Uiteraard hangen geloof en belijden nauw samen. Maar door te spreken over het gelóóf der vaderen benadrukte hij vooral de gemeenschapsgedachte naar het hart van de zaak. Het gaat niet louter om formeel belijden maar om geloofsbelijdenis, om belijden, dat in het gelóóf tot leven komt.

Severijn spreekt dan met name over afwijkingen in de prediking. Hij spreekt 'over een volkomen willekeurige ongemotiveerde omkering van Wet en Evangelie en een even onverantwoordelijke wijze, waarop de leer der goddelijke verkiezing wordt voorgesteld'. En passant voegt hij evenwel toe: 'om nog te zwijgen van raden en commissies, die een veel ernstiger bedreiging van verburgerlijking vormen dan de organisatie van 1816'.

Het was en is de Gereformeerde Bond echter vooral om de rechte prediking te doen. Maar de kerk kan in haar beleid ook schadelijk zijn voor de prediking.

Men zei al wel in die vijftiger jaren, dat het kerkelijk leven — eertijds in het midden van de samenleving — nu toefde aan de rand van het moderne leven. Het functieverlies van de kerk is in de jaren daarna alleen maar doorgegaan, op aangrijpende wijze zelfs. Nochtans bleven ook in de verdere ontwikkeling van de kerk de Gereformeerde Bond en de Hervormde Kerk bijeen. De nood en de schuld hielden ons bijeen.

Ds. L Kievit sprak in 1956 namens het moderamen van de synode de vergadering van de bond toe en zei, dat dat samen horen, het bijeen horen, de beslissing van 1906 was geweest. En 1906 kwam na 1834 en 1886, zei hij. Ik citeer letterlijk:

'De wegen die tóén — in 1834 en 1886 dus, v. d. G. — gewezen werden, zijn door de oprichters van uw bond niet be-treden, omdat ze niet tot het doel leiden. Mij dunkt, in 1956 wordt dit door u alleen maar duidelijker gezien, nu we de voortgaande verbrokkeling, vervlakking en verstarring daar ontdekken, waar men de Ned. Hervormde Kerk vaarwel zei. Ik wil dit onderstrepen en daarom een beroep op u doen: vergeet nooit dat deze twee bijeen horen. Gij zoudt anders uw eigen bestaan en arbeid ondermijnen.'

Me dunkt, dat we deze woorden ook vandaag ter harte mogen nemen. Ook in 1931 was scherp gewaarschuwd voor de weg van Separatie of Doleantie. Bij alle strijd om het rechte belijden was dat steeds ook de grondtoon: geen Afscheiding en Doleantie, terwijl men — ik citeer de Utrechtse ds. E. E. Gewin — ook niet 'de slippendragers van het confessionalisme' wilde zijn.

En nu?

En nu? En nu, aan het einde van de twintigste eeuw? Wat is de gestalte van de kerk? Kan na negentig jaar op 'succes' van de bond worden geboogd? Een woord als succes past niet in een kerkelijk woordenboek. De hervormd gereformeerde stroom mag breder geworden zijn en de Hervormde Kerk als geheel, in vergelijking met de vorige eeuw, 'rechtzinniger', als hervormde gereformeerden vormen we nog steeds een gedoogde minderheid en een gereformeerde kerk is de Hervormde Kerk niet geworden.

De Hervormde Kerk verkeert thans zelfs in een crisis als niet eerder in haar geschiedenis. Professor Severijn sprak in zijn dagen over het samengaan van midden-orthodoxie en gematigd vrijzinnigen. Vandaag spannen midden-orthodoxie en gedé-confessionaliseerde gereformeerden samen. 'Bredere vrijzinnigheid', gematigde vrijzinnigheid binnen de Gereformeerde Kerken is hierbij ingesloten (ik verwijs naar het artikel van Arie L. Molenaar). En opnieuw stelt een verbrede midden-orthodoxie de koers veilig. Het resultaat is hetzelfde: een kerk van midden-orthodoxe snit, die geen echte en hechte geloofsgemeenschap is in de traditie van het gereformeerde voorgeslacht. Vandaag heet dat plurale kerk.

Hier is vandaag een delegatie van het moderamen van onze synode aanwezig. Daarvoor zijn we dankbaar. We vragen u vanaf deze plaats of u onze diepste zorgen begrijpt en deelt.

We zeggen vanaf deze plaats nog eens openlijk wat we in alle toonaarden hebben gezegd, namelijk dat de huidige synode verantwoordelijk is voor de diepe crisis, waarin de kerk is komen te verkeren.

De synode is in eerste instantie verantwoordelijk voor het feit, dat her en der vervreemding dreigt op te treden.

We kunnen niet anders dan ook hier nog eens een hartstochtelijk appèl doen op de synode: laat de kerk niet scheuren, laat vooral het kostbaar kleinood van de gemeente niet scheuren. We hebben het al zo vaak gezegd: liefde valt niet over te planten. Dwing duizenden van uw zonen en dochteren niet mee naar een kerk, die de hunne niet is en waar zij in ballingschap komen te verkeren. Keer terug voor er te diepe wonden zijn geslagen.

Aangrijpend is intussen vooral de kerkelijke neergang. In de Hervormde Kerk wordt gesproken over een sterfteoverschot. Er sterven meer mensen dan er geboren worden. De Gereformeerde Kerken kennen nog een geboorteoverschot, maar binnenkort zal ook daar sprake zijn van een sterfteoverschot. Hoe men de cijfers ook wil interpreteren, feit is, dat de Hervormde Kerk in 1995 een kleine dertigduizend (28.848) belijdende leden en doopleden verloor en eveneens een kleine dertig duizend geboorteleden (27.601). De Gereformeerde Kerken verloren 13.000 leden. In totaal werden zo 70.000 leden uitgeschreven uit wat de Samen op Wegkerken heet. De kerk is niet alleen niet-wèrvend meer, ze staat permanent op groot verlies.

In zulk een tijdsgewricht permitteren we ons als kerk een proces, dat leden van de kerk vervreemdt. In een tijd bovendien, waarin het individualisme hoogtij viert en alom de gemeenschap onder spanning staat, mag men er gerede twijfel over hebben of nog de rechte koinonia, de rechte gemeenschap op zal bloeien bij een geforceerde eenheid van de kerken.

Waar is de tijd gebleven, dat de Hervormde Kerk in ieder geval nog met zaken bezig was, die inhoudelijk van aard waren, die het belijden der kerk raakten? SOW verdringt de inhoudelijke bezinning. De kerk vervreemdt zo meer en meer van haar eigen wezen, van haar bijbelse gestalte.

Betrokken

Maar daarmee is niet alles gezegd. We zijn ook vandaag als hervormde gereformeerden mede betrokken in de nood der kerk, in haar neergang en haar verbrokkeling. We staan niet boven en buiten de nood van de kerk. De secularisatie raakt ook ons diep. Het individualisme en de moderne mondigheid slaan ook onder ons hard toe, De gemeente als geloofsgemeenschap staat ook onder ons onder spanning. Moeten we niet in alle eerlijkheid erkennen, dat we ook als hervormde gereformeerden niet altijd meer door één kerkdeur kunnen en metterdaad ook gaan?

En hoe is het met het geestelijk gehalte van de gemeenten gesteld?

We staan als hervormde gereformeerden niet alleen niet buiten de nood van de kerk, we staan ook niet buiten haar schuld.

Wie, welke kerk overigens ook, staat er vandaag wèl buiten de nood en de crisis van deze tijd? Waar is ook de kerk, de herkenbare, heilige, katholieke kerk van Christus, buiten de Hervormde Kerk vandaag? En hoe is het gesteld met het geestelijke gehalte van andere kerken?

Gereformeerde Gezindte

Als hervormde gereformeerden hebben we ons alle jaren van het bestaan van de Gereformeerde Bond, en ook al daarvóór, verbonden geweten met de Gereformeerde Gezindheid buiten de Hervormde Kerk. Dat is mede aan Groen van Prinsterer te danken, die de Gereformeerde Gezindheid onderscheidde maar ook bijeen hield buiten en binnen de - Hervormde Kerk. Wat is ervan geworden? Vanuit die gezindte buiten de Hervormde Kerk zal bepaald niet de aandrang worden gevoeld om aan te sluiten bij, of terug te keren tot de kerk der vaderen. Die kerk is immers niet teruggekeerd tot haar belijdenis. Die terugkeer, ooit mede uitgesproken in de Acte van Afscheiding en Wederkeer, wordt nu zelfs geheel geblokkeerd doordat de Hervormde Kerk op dreigt te gaan in een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. Overigens wagen we het te zeggen, dat terugkeer van afgescheidenen tot de Hervormde Kerk samen zou (moeten) gaan met het opheffen van de Gereformeerde Bond. Daarvan is het verre.

Anderzijds moeten we zeggen, dat we als hervormde gereformeerden de katholieke, gereformeerde kerk niet ontwaren kunnen in kerken, die vandaag samen de Gereformeerde Gezindheid uitmaken. We ontwaren slechts kerkelijke groeperingen, maar niet de algemene christelijke kerk, kenbaar aan de gereformeerde symbolen, ofwel de gereformeerde belijdenisgeschriften, die het hart van één levende kerkelijke gemeenschap zouden moeten zijn.

Zeker, we hebben als hervormde gereformeerden tot die Gereformeerde Gezindte gemengde, zeg ambivalente gevoelens. In de belijdenis verbonden, zijn we immers kerkelijk principieel gescheiden. En omgekeerd: kerkelijk gescheiden zijn we in de belijdenis met elkaar verbonden.

Als hervormde gereformeerden hebben we de planting Gods niet mogen prijs geven, vanwege het volk in de kerk, omwille van het verbond. In de belijdenis zelve en in de religie ervan weten we ons echter met velen buiten de Hervormde Kerk hartelijk verbonden.

Maar de Gereformeerde Gezindte is de kerk niet. Net zo min als de bond een kerkje in de kerk is of mag zijn, zo min is de Gereformeerde Gezindte de kerk of een alternatief ervoor. Het is eerder de pleister op een diepe wond, een alibi om aan de kerkelijke nood te ontsnappen, een gewetenssusser. En verder valt er kerkelijk gezien niets goeds van te zeggen.

Verzuiling

Het is er zelfs bepaald ook niet beter op geworden sinds die Gereformeerde Gezindte goeddeels is verzuild. Sindsdien is de verzuiling binnen de zuil op gang gekomen. Met het gevolg, dat er sprake is van toenemende verbrokkeling. Het Reformatorisch Dagblad heeft de laatste tijd openhartig naar buiten gebracht hoe hier sprake is van een zorgwekkende ontwikkeling.

Ds. M. C. Tanis, preses van de christelijke gereformeerde synode, zei bijvoorbeeld, dat er alleen sprake mag zijn van isolement als je daartoe gedrongen wordt. Maar tevens zei hij: 'er is een toenemende verbrokkeling en het kost steeds meer moeite om met elkaar het gesprek aan te gaan'. En dan spreekt hij nog slechts of vooral over de vele en velerlei organisaties, die zijn opgericht. Hij zegt er echter wel bij: 'Ik denk dat het oprichten van organisaties nogal eens verband houdt met de kerkelijke strijd, het benadrukken van sommige geloofswaarheden, terwijl men niet kan aangeven dat de anderen niet op Schrift en belijdenis gegrond zijn. Dat vind ik triest en zeer verontrustend.'

Laten we echter vooral niet menen, dat we als Gereformeerde Bond niet mede in deze ontwikkeling zijn betrokken. De toenemende verbrokkeling en de moeite om met elkaar in gesprek te gaan is er niet alleen in de Gereformeerde Gezindheid buiten de Hervormde Kerk. Het individualisme en de versnippering verzwakken ook onze positie.

Onze ambivalentie inzake het hervormd zijn en het rechtens, maar in toenemende mate ook feitelijk, tot de Gereformeerde Gezindheid, vandaag reformatorische gezindte, gerekend worden, brengt met zich mee, dat we niet alleen deel hebben aan de nood, de schuld en het verval van de Hervormde Kerk, maar ook aan de schuld en de nood van de verbrokkeling van het gereformeerde leven in Nederland.

Spanning

In 1906, bij de oprichting van de Gereformeerde Bond, was er zeker ook sprake van ambivalentie. De oprichters stonden in de Hervormde Kerk maar, zei dr. Ph. J. Hoedemaker, méér dan zij beseften of wilden weten stonden zij ook onder de invloed van Kuypers Doleantie. Die analyse is niet onjuist. Het was dan ook in de Gereformeerde Bond gaande en komende man in de beginjaren. Men wist niet direct de rechte koers te vinden als gereformeerden in de Hervormde Kerk. Pas in 1909 werd de eigenlijke Gereformeerde Bond opgericht: 'tot verbreiding en verdediging van de waarheid in de Nederlandse Hervormde (gereformeerde) Kerk.' Het woord gereformeerd, dat tussen haakjes werd gezet, spreekt boekdelen. Men sprak de kerk niet aan op wat voor ogen was, maar op wat in haar ziel verzonken lag en weer tot ontplooiing moest komen. Langzaam maar zeker groeide de overtuiging, dat hervormde gereformeerden wezenlijk hun plaats en roeping in de Hervormde Kerk hadden. Men liet de Doleantie achter zich.

In het gedenkboek van 1931 werd dan ook uiteindelijk de kerk opvatting van Kuyper radicaal bestreden. Die deed het voorkomen — ik citeer letterlijk — 'alsof niet de Hervormde Kerk, maar wel de Gereformeerde Kerken, wars van alle afscheidingsgedachten, de voortzetting zijn van de aloude Gereformeerde Kerk, - omdat men dan z. g. n. niet met de Kerk, maar alleen met de Synodale Organisatie gebroken heeft'. 'Maar feit is — ik citeer nog steeds — dat men in onze Gereformeerde kringen, hetzij meer bewust hetzij meer onbewust, voor die redenering niet vatbaar bleek'.

Zo hebben de hervormd gereformeerden in de jaren na de oprichting van de bond geworsteld om een weg te vinden tussen het concreet hervormde en het belijdend gereformeerde. In de ambivalentie, die ons in zekere zin eigen is vanwege enerzijds de verknochtheid aan de belijdenis en anderzijds de verknochtheid aan de kerk zelve op grond van het verbond, staan we vandaag, aan het eind van de twintigste eeuw, voor een nieuwe worsteling om de weg te vinden in de kerkelijke verwarring van deze tijd. Het begin en het eind van de twintigste eeuw zouden elkaar hier wel eens kunnen raken. In de ambivalentie van het hervormde en het gereformeerde wordt de spanning wel groter, nu het hervormde dreigt weg te vallen. We staan dan ook in de huidige kerkelijke strijd in een nieuwe spanning tussen het geding enerzijds om de grondslag der kerk en anderzijds om de roeping vanwege het verbond. Die spanning valt niet weg te organiseren. We zijn vandaag ook als hervormde gereformeerden diep verlegen om de leiding van de Heilige Geest God om in die spanning een begaanbare weg te vinden. Hoe zullen we, luisterend naar de Schriften de Heere volgen.

De kerk nodig

De jaren door heeft men vanuit de breedte van de kerk gezegd, dat de kerk de bond niet missen kon. En men zegt het ook vandaag in alle toonaarden. Ik weet dat dit in vele gevallen oprecht is bedoeld geweest en bedoeld wordt. Al herinner ik mij het woord van wijlen ds. L. Vroegindewey, die, toen men hem ter synode toevoegde, dat hij 'het' vooral moest zeggen, want er werd naar hem geluisterd, antwoordde: 'wanneer wordt er geluisterd met effect? '

De midden orthodoxie — ik herhaal het — bleef en blijft de koers bepalen.

Maar ik leg nu de klemtoon toch ook anders. De kerk heeft de bond nodig? Zeker ook en méér nog heeft de bond de kerk nodig. De bond is zonder de kerk niets. De bond is ook buiten de kerk niets, een organisatie, meer niet. De kerk heeft een belijdenis, de bond een statuut. De kerk stoelt op het verbond, op de trouw en de beloften Gods, ongehoorzame kinderen ten spijt. De bond wil slechts de kerk aan haar belijdenis en aan het verbond als dragende grond voor het kerk-zijn herinneren. De bond mag sterven, maar de kerk zal leven. Als de Gereformeerde Bond echt geen kerkje in de kerk is en wil zijn, zou dan de bond buiten de kerk niet een kerkje worden gelijk vele andere en in sterke mate mede onderhevig zijn aan de verbrokkeling van de Gereformeerde Gezindte? Zou dat dè kerk worden?

Als het ooit zou komen tot 'het organiseren van de kerk der belijdenis', zo werd door de Gereformeerde Bond in de twintiger jaren gezegd, toen zich het 'Convent van Gereformeerde Kerkenraden' presenteerde, 'zou men zelfs in onze Gereformeerde Gemeenten slechts een zeer klein gedeelte losmaken uit het synodaal verband, terwijl een groot deel daardoor des te vaster gebonden zou worden, zodat daardoor de reformatie der Kerk opnieuw tot een mislukking zou worden'. Zulks kon alleen worden gezegd vanwege diep roepingsbesef.

                                                                        * * *
Ook vandaag is er de roeping tot reformatie der kerk. De doelstelling van de Gereformeerde Bond is tot heden ongebroken: de kerk opheffen uit haar diep verval. Daarom zijn we ook vandaag geroepen ons te verzetten tegen een plurale kerk, die zich in de richting van de VPKN principieel aftekent. De grote moeite, die we als Gereformeerde Bond met SOW hebben, raakt de vaderlandse kerk als zodanig maar ook het karakter van de kerk. De vraag is of we nog geloven in en jagen naar herstel van de vaderlandse kerk, als kerk der Reformatie, op grond van belijdenis en verbond. Of hebben we de hoop opgegeven en ons ingenesteld en geschikt in het onvermijdelijke, naar welke kant dan ook?

Als het goed is zijn we als Gereformeerde Bond in dit alles meer beweging dan organisatie. Alleen als beweging zouden we de ambivalentie te boven kunnen komen en zo vruchtbaar kunnen blijven voor de Hervormde Kerk alsook voor het geheel van het gereformeerde leven in den brede in Nederland.

Intussen is het alom geestelijk laag tij. Is het onder ons hoogtij? We kunnen immers ook zelf worden meegenomen in een geestdodende stroom van het kerkelijk leven, dat geheel door SOW wordt bepaald!

Inhoudelijk

De kerk heeft de bond nodig, de bond heeft de kerk nodig. De bond heeft de concrete kerk nodig om haar roeping tot herstel van de kerk der Reformatie te kunnen uitvoeren.

De kerk permitteert het zich om aan het eind van de twintigste eeuw, nu de secularisatie de kerk tot op het bot afstroopt, zich te verliezen in een geestdodend en gemeenschapsondermijnend proces. Intussen geeft ze haar identiteit prijs 'in een kleurloze protestantse denominatie' (deze woorden gebruikt prof. dr. R. Boon) zonder reformatorisch merg.

Er klinken vandaag in de kerk overigens alom bezorgde stemmen inzake geestelijke verarming of verschraling van de kerk. Tijdens de jaarlijkse predikantenvergadering in Utrecht zei prof. dr. H. W. de Knijf, dat hij het het trieste van het Samen-op-Weg proces vond, dat het organisatorisch zo ingewikkeld en ook zo omstreden geworden is, dat het ons al sinds jaren van de eigenlijke taken afhoudt.

Hij spreekt over 'de geloofsbedreigingen van deze tijd, politiek en persoonlijk'. 'Wat zeg ik tegen mijn kinderen? Wat betekent het gebed? Hoe houd ik het uit op mijn werk? '.

De Knijff pleitte voor eenheid, die we in de eenvoud en in de concentratie moeten zoeken. In de samenleving raken de meest bekende noties uit de Schrift weg. Een generatie zonen van de verloren zoon groeit op. Hebben we als hervormd gereformeerden, aan het eind van deze twintigste eeuw, met al haar verschrikkingen vanwege machten en ideologieën, niet vooral de roeping om te getuigen van het sola, het alléén van de genade, als alleen-zaligmakend en heilbrengend voor mensen vandaag? Ook wij zelf hebben nodig concentratie op het eigenlijke. Concentratie op de genade. Genade maakt klein, verheft zich niet. Wie vier eeuwen hervormd kerkelijk leven overziet kan alleen maar de gebedsroep overhouden: ga uit van ons, wij en onze vaderen hebben gezondigd. De roep om genade.

Wie negentig jaar Gereformeerde Bond overziet moet zeggen: schuld, schuld, schuld; schuld jegens de Heere, schuld jegens elkaar — vanwege innerlijke strijd — en schuld jegens de kerk. Machtig, zoveel schuld! Alles wat er meer is dan schuld is genade, op grond van de schuldvergéving door onze Borg en Middelaar. We hebben samen het oordeel verdiend. We hebben in alle jaren, waarin de Gereformeerde Bond bestaat, vaak de psalm aangeheven 'Herdenk de trouw aan ons voorheen betoond'. Die trouw staat tegenover menselijke ontrouw. Daar is ook de kleine kerkgeschiedenis van de Gereformeerde Bond vol van.

Met beven En nu, aan het eind van de twintigste eeuw, pleiten we temeer met vrezen en beven op Gods trouw. Zou het ook kunnen zijn, om met Jeremia 45 te spreken, dat de Heere uitrukt wat Hij heeft geplant? (ds. L. de Liefde in Woord en Dienst) Terwijl wij bezig zijn de kerk, de planting Gods te ontwortelen, zou de Heere ons daarin dan echter aan onszelf kunnen overlaten. Dat zou wel Zijn oordeel betekenen. Dan is er alle reden om te smeken of de Heere in de toom aan Zijn ontferming wil gedenken. Wie onder het oordeel buigt, weet zich mede in het oordeel begrepen. Dan mag slechts 'nochtans' worden gesmeekt om ontferming.

Zou het kunnen zijn, dat de Heere Zijn trouw nog slechts doet blijken in de ballingschap? Zoals ook Baruch onder het oordeel werd getroost, dat God met hem zou gaan waar hij ook heengaan zou. Volgen waar Hij leidt! Want de kerk als planting van Christus zal overleven!

Aan het eind van de twintigste eeuw verkeert de kerk in de diepte van de beproeving. Dat vraagt om diepte van verootmoediging. Zo kunnen we niet verder, de kerk niet, maar ook wij als hervormde gereformeerden niet.

Bij ons is de beschaamdheid der aangezichten. Alleen als wij het woord genade weer leren spellen, voor het persoonlijke en kerkelijke leven, en we ons vlees, ook ons kerkelijke vlees kruisigen, zou er nog een weg kunnen zijn. Hebben we niet allen, aan het eind van de twintigste eeuw, aan het eind der tijden nodig een spade regen des Geestes, die opwelddng en kracht geeft, als door een nieuwe geboorte heen?

2006

Haalt de Gereformeerde Bond het jaar 2006? Die vraag is niet beslissend. Beslissend is het jaar, waarin onze gezegende Borg de hals boog op een heuvel buiten Jeruzalem en vervolgens gloriërend uit de dood verrees.

Beslissend is de dag, waarop de Geest werd uitgestort op alle vlees. Zal er in het jaar 2006 in dit land nog een levende kerk van Christus zijn? De bond mag sterven, als — God geve het — de kerk maar leven mag.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Negentig jaar Gereformeerde Bond en de kerk aan het eind van de twintigste eeuw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's