De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

In het Kerkblad voor Nederlands Gereformeerde Kerken plaatst ds. Z. G. van Oene een verhaal bij 'een prachtig verhaal':

'In zijn boek: Uit de middagpreek, van ds. H. J. de Groot schrijft deze Ned. Herv. predikant in zijn "Woord vooraf" over twee stiefkinders van de kerkgaande christenheid: de vroegpreek en de middag kerk. Ik neem een deel van zijn "Woord vooraf" over dat handelt over het tweede stiefkind, zoals hij het noemt: De MIddagkerk.

"Bijna een eeuw geleden zei ds. L Vroom, toenmaals het oratorisch Zwolsch Orakel, ervan: wat knipmutsen en wat keukengereedschap. Hoe doelde op het ingeburgerd gebruik: De mevrouwen togen op ter hoofdbeurt, 's morgens halftien. Aaltje de keukenmeid kreeg het overschot: de Catechismus, met de burgerjuffrouwen, getooid met de knipmuts. Intusschen: niet ieders waardering gaat in dezen trant. Een oude historie, mij zelf overkomen, dwarrelt mij door het hoofd. Is het wonder? "

"Vorige maand, Sept. 1938, herdacht ik, in gezegende vergetelheid, mijn 30-jarig verblijf te Voorst. De historie, waarop ik doel, speelt in den allereersten tijd daarvan. Als pasgetrouwd man kwam ik hier. Met de lieve jonge vrouw, die haar lot aan het mijne verbonden had. Wij hadden ons mooie huis, waarmee wij gedurig troetelden, en den overheerlijken parkachtigen tuin. Wij zochten niets anders. Intusschen, anderen oordeelden dit simpel bestaan onvoldoende. Op een keer krijgen wij bezoek van twee deftige dames: de eene, bewoonster van een groot kasteel alhier, met exotische pracht ingericht; de andere, eigenaresse van een kapitale villa. De dames beknorren mij. Is dat nu manier? Een mooie en lieve jonge vrouw dusdanig op te sluiten, dat ze als verloren daarheen leeft, niets van de wereld ziet? Ik sta beduusd. En vraag wat er dan wel gebeuren moet? De dames oordeelen: mijn vrouw moet wat meer in de wereld gebracht worden. Ik begrijp het niet; en onderzoek hoe zij vinden, dat ik daarmee aan moet. De dames zeggen: zij willen mijn vrouw eens meenemen op een avond, naar opera of comedie, in de naburige stad. Of ik dat goedvind? - Natuurlijk vind ik het goed. Als mijn vrouw eenig plezier kan hebben gun ik het haar van harte. Wanneer ik zelf maar niet mee hoef. - Het wordt afgesproken. Die en die avond dan gebeurt het. 's Middags: mijn vrouw wordt per rijtuig (auto's waren er toen nog vrijwel niet) afgehaald. De kamenier van het groote slot zal haar kappen en kleeden. Na het diner, dan zal het groote feit plaats grijpen. Ik conditioneer: de dames moeten even aan de pastorie aankomen. Ik moet mijn vrouw bewonderen, eer dat ze den geestelijken tocht gaat maken. - In den vooravond: het groote rijtuig rolt de pastorielaan op. Mijn vrouw stapt uit, omzichtig. Met groote oogen bewonder ik haar. Die kamenier dan toch! Wat een levend kunstwerk staat hier voor mij! - Mijn vrouw lacht. De twee douairières lachen. Dan rolt het rijtuig weg, door de donkere laan. 't Is over middernacht, als ik het knarsen hoor van de wielen op het grint. Daar zijn ze! Ik open het portier. Alle drie stappen de gang binnen, de huiskamer in. 'Nou Doortje, ' zegt hoopvol de oudste Mevrouw, 'en hoe vond je het? ' Mijn vrouw, glunder, verklaart: 'het was prachtig.' Maar de ander is nog slechts half voldaan. 'Prachtig!' zegt ze, 'prachtig! Dat is nog heelemaal niets! Noem eens wat! Vergelijk het eens met wat anders!' En dan zegt mijn vrouw, met haar prettige, eenvoudige gezicht: 'Het was bijna zoo mooi als wanneer mijn man de Catechismus preekt.' Meteen als in afgrijzen, greep de eene douairière de andere bij den arm. 'Vort ermee', zeiden ze. Ze stoven het rijtuig in; verdwenen in de nacht. Dit was boter aan de galg gesmeerd. Sedert heb ik nog grooter eerbied voor den Catechismus gekoesterd, dan ik toen reeds had. Eerbied en liefde".'

­In Opbouw (Nederlands Gereformeerd) geeft ds. O. Mooiweer een verhaal door over ds. J.­ Voerman en vertelt er zelf nog een verhaal bij uit 'Gedenkt uw voorgangers' ( van ds. Joh. den Haan):

Spreekbeurt

'In de oorlogsjaren stond in Joure nu wijlen ds. Voerman. Deze predikant stond bekend om zijn bijzonder mooie preektrant, maar ook om zijn humor In of omstreeks 1946 was er in de provincie Groningen een commissie, die een dominee had gevraagd voor de één of andere gelegenheid een spreekbeurt te verzorgen, maar deze liet een paar dagen van tevoren weten, niet van huis te kunnen, omdat de ooievaar eerder kwam dan verwacht was. Wat nu? De commissie zat met de handen in het haar, want alles was georganiseerd: de zaal was afgehuurd, advertenties geplaatst, enz. Eén van de commissieleden kwam met het idee ds. Voerman van Joure te vragen. 'Als die vrij is, dan komt hij en hij schudt zoiets uit zijn mouw', aldus de zegsman.

En hij kwam! Hij hield een gloedvolle rede en ieder was meer dan tevreden. Maar wellicht door de spanning en de daarop gevolgde ontspanning vergat men ds. Voerman zelfs te bedanken voor zijn komst, laat staan dat men hem vroeg om opgave van honorarium en onkosten. Enfin, ds. Voerman ging weer met de door hem gehuurde taxi naar Joure en dacht bij zichzelf: at komt wei goed. Als ik tenminste de gemaakte onkosten maar vergoed krijg. Hij wachtte: én, twee, drie weken en zie, er gebeurde niets. Hij hoorde taal noch teken. HIjschreef het commissielid waarmee hij contact had gehad, toen een briefkaartje met daarop Esther 6:3 en ondertekend met: Mordechal Voerman.

Het commissielid, nieuwsgierig geworden, nam meteen de Bijbel ter hand (toen nog de Statenvertaling) en las aldaar: 'Toen zei de koning: Wat eer en verhoging is Mordechai hiervoor gedaan? En de jongelingen, des konings dienaren, zeiden: Aan hem is niets gedaan.

Prompt kreeg ds. voerman de week daarop zijn honorarium en onkostenvergoeding toegestuurd.'
J. Muller, Marum

Voor een tijd werkte hij in de Noordoostpolder. De arbeiders, die haar in cultuur moesten brengen, zaten in ongezellige houten barakken en V. bezocht ze, om wat fleur in hun leven te brengen. Hij wist hoe hij met het ruige volk moest omgaan. De eers keer vroeg hij of zij konden zingen. Het enthousiasme was niet groot. Of ze de Internationale kenden Ja, die kenden ze en ze zouden het eens laten horen. Luid klonk het door het zaaltje, dat morgen de proletariërs zouden heersen. Toen vertelde hij hen dat hij nog een andere internationale kende: 'Er ruist langs de wolken'.

En... hij kreeg hen mee. En hij mocht de volgende keer weer komen.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's