Wat zegt de Bijbel over de kerk: mag afscheiden?
Een reactie in briefvorm
Verwarring
Met enige verbazing heb ik kennisgenomen van de lezing, die je op de conferentie van het C.O.G.G. gehouden hebt, gepubliceerd in de Waarheidsvriend van 9 mei jl.
De wijze waarop bijbelse gegevens werden gebruikt omtrent de vraag of afscheiding mag, is mijns inziens op zijn minst verwarrend.
Wat je onder punt 1.1. te berde brengt over opdracht voor de discipelen om niet te scheiden van Jeruzalem, lijkt me irrelevant ten aanzien van je vraagstelling of afscheiding mag.
Verder wringt er wat aan het slot van punt 1.4. Je hebt eerst zoveel nadruk gelegd op de continuïteit tussen Jodendom en Christendom, dat de christelijke gemeente haast een modaliteit wordt van het Joodse geloof. Dat is het volgens jou toch weer niet. Je gaat van nogal wat vooronderstellingen uit: Men hield zich in de eerste christengemeente aan besnijdenis en pascha. Er was geen sprake van een breuk met de tempel. Maar is dat wel zo?
Daarbij, is het niet wat al te gemakkelijk om te zeggen in het derde punt van je betoog, dat er geen breuk kwam met Israël, omdat er een diepe eenheid bestond tussen Joden-christenen (uit Jeruzalem e.d.) en heidenchristenen? Het is wel zaak om hier zuiver te formuleren!
Hartelijke instemming betuig ik met je interpretatie van de gegevens uit de apostolische brieven omtrent de worsteling om gemeenten bij het ware Woord van God te bewaren. De apostelen schreven gemeenten niet zomaar af. Maar wat te zeggen van nieuw gestichte gemeenten, waar de waarheid van het Evangelie geweld werd aangedaan? Riepen de apostelen hun gemeenten op om zich daar maar bij aan te sluiten, met de bedoeling om daar dan te proberen de leer van het Evangelie tot gelding te brengen? Dat dacht ik toch niet. Vergelijk Col. 2:8: Ziet toe, dat niemand u als een roof meevoere door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld en niet naar Christus. En wat te denken van 1 Johannes 2 : 19 en 24. Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet, want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn, maar dit is geschied opdat zij zouden openbaar worden dat zij niet allen uit ons zijn. Hetgeen gij dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. (...)
Uitgangspunt en doel
Toegespitst richt mijn bezwaar zich op het volgende: Uitgangspunt en doel van het werk van de apostelen heb je door elkaar gehaald. Niemand zal het je betwisten, dat de apostelen geroepen waren om het Evangelie te prediken onder alle volkeren, beginnende van Jeruzalem. Telkens werd eerst in de synagoge de ene Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid verkondigd. Pas daarna aan de heidenen. Het doel was dus onmiskenbaar om eerst de Jood en dan ook de Griek te bereiken met het Woord van Christus.
Echter, daarmee is niet gezegd, dat de apostelen de eenheid met de synagoge bewaarden. De apostelen en degenen die tot bekering en geloof kwamen met Pinksteren, volhardden immers in de leer van de apostelen en in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden?
Betekende dat geen breuk met de synagoge en met de leer van de Farizeeën en de Schriftgeleerden? Betekende dat geen breuk met de priesters van Israël en met de offerdienst in de tempel? Vanwege Christus Jezus de Heere en Zijn zaligend werk? De apostelen werden nota bene vanwege hun spreken en preken gevangen gezet en ter verantwoording geroepen! En toen men hen wilde dwingen om de Naam van Jezus niet meer te prediken, antwoordden zij: oordeelt gij of het recht is voor God, u meer te horen dan God. En: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen.
Het gevaar van een noodzakelijke breuk was er ook telkens voor de christelijke gemeente: in het Nieuwe Testament lezen we meermalen, dat we niet met iedereen in broederlijke gemeenschap kunnen leven. Ook niet al doet men zich voor als volgeling van Christus. De Heiland Zelf heeft meerdere malen gewezen op het grote gevaar dat de kerk van binnenuit bedreigt (Matth. 7 : 15; Matth. 24 : 5 en 24; Joh. 10 : Ivv; Joh. 16 : 2vv). Daarnaast zijn er allerlei vermaningen van de apostelen bekend op dit terrein: Hand. 20 : 29 en 30; 2 Petr. 2:1; 1 Joh.4:1.
Calvijn
Maar laat ik Calvijn sprekende invoeren. Hij heeft eens een geschrift opgesteld, om de handige voorstellen van een roomse kardinaal te ontzenuwen, die er op uit was om de kerk der reformatie weer terug te brengen in de schoot van de roomse kerk. Daarin beroept ook hij zich op de Heilige Schrift. Je kunt het citaat vinden in A. D. R. Polmans De Nederlandse Geloofsbelijdenis, deel III, pag 317 e.v. (historische achtergrondinformatie bij artikel 29):
'Gij Heere, hadt ons door de Zoon en door de apostelen tevoren vermaand, dat op deze plaats der kerk zouden opkomen lieden, met wie men allerminst mocht samenstemmen. En dit had Hij niet voorzegd van mannen van buiten, maar van hen, die zich voor herders zouden uitgeven; roofzuchtige wolven en valse profeten zouden komen. En tot waakzaamheid had Hij me opgeroepen (Matth. 7 : 15). Waar Hij waakzaamheid beval, zou ik ze daar de hand reiken? De apostelen kondigden aan, dat er geen erger vijandem voor Uw kerk zouden optreden dan van binnenuit, die zich onder de titel van herders zouden verschuilen (Hand. 2 : 29; 2 Petr. 2:1; Joh. 2 : 18). Hoe kon ik aarzelen mij van hen te scheiden, van wie zij verklaarden dat zij voor vijanden gehouden moesten worden?
Mij stonden de voorbeelden van Uw profeten voor ogen, van wie ik zag in welke zware strijd zij gewikkeld waren met de priesters en de profeten van hun eeuw, die toch zeker onder het Israëlitische volk de leiders der kerk waren. En toch worden Uw profeten daarom niet voor scheurmakers gehouden, dewijl zij voor hen, die hen met het hoogste geweld bestreden, niet weken. Zij bleven dus in de ware eenheid der kerk, toen zij door misdadige priesters met zware banvloeken getroffen werden en onwaardig geoordeeld werden een plaats onder de mensen, laat staan onder de heiligen te bezetten.
Hun voorbeeld sterkte me tot volhouden, zodat me hun beschuldigingen van desertie der kerk en hun bedreigingen geenszins verschrikten om minder standvastig en onverschrokken door te gaan met het weerstaan van hen, die onder het mom van herders door een meer dan goddeloze tyrannie Uw kerk vernietigden.' (...)
Uit een geschrift over de noodzaak om de kerk te reformeren citeert Polman vervolgens: Zo hij de eenheid van de kerk scheurt, die alleen door Gods waarheid gesteund zich tegen de gewone macht stelt, dan zal de profeet Jeremia een scheurmaker zijn (Jer. 18 : 18). Al de overige (profeten) getuigen dat zij dezelfde strijd gevoerd hebben, terwijl goddeloze priesters, om hen in verwarring te brengen, de titel van kerk misbruikten.
Hoe was het met de apostelen? Was het voor hen geen noodzaak als Christus' belijders de synagoge de oorlog te verklaren? En toch hadden de priesters de hoogste trap en ere nog niet verloren. De knechten des Heeren waren niet gewoon zich door de titel van kerk te laten weerhouden. Zo is het niet voldoende met de kerk te pochen, maar men moet klaar weten, wat de ware kerk is, en hoedanig de eenheid daarvan.
Met broederlijke groet,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's