De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De ware eenheid van de kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De ware eenheid van de kerk

Een laatste reactie in briefvorm

10 minuten leestijd

Beste collega Blenk,

Blijvende verwarring

Je reactie op mijn schrijven heeft de verwarring m.i. niet opgeheven. Dat brengt me ertoe om toch nog een keer te reageren. In je verlangen om de continuïteit tussen jodendom en christelijke gemeente te onderstrepen blijf je bijbelse gegevens van verschillend soortelijk gewicht met elkaar vermengen. Het onderscheid tussen uitgangspunt en doel van de arbeid van Christus en Zijn apostelen, door mij in mijn vorige schrijven aangereikt, heb je niet verwerkt. Toch ligt daar een heel wezenlijk onderscheid. Het is een groot verschil of je praat over de mensen (jood en heiden) die je met de boodschap des heils wenst te bereiken, of over de gemeente, met wie je dezelfde inhoud van het geloof gemeenschappelijk belijdt.

Nogmaals wil ik onderstrepen, dat de dure roeping van de apostelen was om het Evangelie te verkondigen aan alle creaturen. Waarbij zonder enige twijfel men zich éérst had te wenden tot de leden van het joodse volk. Dus: men verachtte de eigen volksgenoten niet, die de éne Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid (nog) niet erkenden. Men was en bleef bewogen met de grote massa van het eigen joodse volk. Men zoch telkens de plaatsen weer op, waar men de schare bereiken kon met het Evangelie van genade door Christus. Dus bij de tempel!

Terecht schrijf je een en andermaal, dat jodenchristenen nog de nodige joodse wetten onderhielden. Met name om 'zwakken in het geloof' uit het eigen volk niet te bezwaren. Vgl. Rom. 14. Mogelijk ook om volksgenoten niet bij voorbaat af te stoten door een veranderde levenswandel.

Maar te beweren, dat priesters, die tot geloof gekomen waren, hun ambt niet zouden hebben neergelegd? Dat lijkt me toch een veronderstelling die te betwisten valt. Moeten we ons dan voorstellen dat priesters die Christus omhelsden in geloof, er nog toe bereid waren om offers van toewijding en van verzoening te brengen, hoewel God Zelf het voorhangsel van de tempel had gescheurd? Ik kan het me zomaar niet voorstellen.

Een breuk met het joodse geloof

Het ligt niet in mijn bedoeling om te herhalen wat al geschreven is. Laat ik een citaat uit Bavincks Gereformeerde Dogmatiek deel IV, paragraaf 53 opnemen: 'En Jezus was Zich niet alleen van de aanvang Zijn Zoonschap, Zijn messianiteit en Zijn toekomstig lijden bewust, maar Hij verkoor ook een aantal jongeren en vergaderde hen rondom Zich. Hij zond hen uit, om te prediken en discipelen te winnen. Hij gaf aan Zijn volgelingen andere wetten, dan die in de kringen van het joodse volk golden (Matth. 5-7 en 18 enz.). Zo kwam er allengs een schare van discipelen rondom Hem te staan, die zich onderscheidde en afzonderde van het volk der joden. (...) In de discipelen, die Jezus Zelf rondom Zich vergaderde, zijn reeds de aanvangen aanwezig van de Nieuwtestamentische gemeente. (...) Na Jezus' heengaan sluiten zij zich terstond nauwer aaneen en ontvangen op de Pinksterdag in de Heilige Geest een eigen levensprincipe, dat hen zelfstandig maakt tegenover het volk der joden, en hen onderling ten nauwste verbindt. Dan wordt de gemeente van Christus in beginsel losgemaakt van Israels nationaal bestaan, van priester en wet, van tempel en altaar; zij wordt een eigen, zelfstandige, godsdienstige vergadering.'

Met andere woorden: de breuklijn liep over Christus' prediking en over Zijn plaatsvervangend lijden. De eenheid onder de joden brak op Christus. Er is een kloof tussen het joodse geloof en het christelijk geloof.

De waarheid in het geding

Wat ik heb willen onderstrepen is, dat je uit de Bijbel niet alleen lezen kunt, dat je zomaar niet een bepaalde plaatselijke gemeente, (en ook een landelijke kerk) loslaten mag. Ook niet als er best het nodige aan te merken is op de betreffende kerk. Dat geven ook de tien citaten die je opgediept hebt uit de Institutie van Calvijn wel aan! Zoals hij schrijft: 'We matigen ons te Veel van Calvijn aan, wanneer we ons terstond aan de gemeenschap der kerk durven te onttrekken, wanneer niet aller zeden overeenkomen met ons oordeel of ook met de christelijke belijdenis'. Dat is wat jij met name benadrukt. Daar kan ik me van heler harte in vinden!

Maar daarnaast zegt de Schrift óók, dat we niet met allen een eenheid kunnen vormen. Dat kan daar niet, waar de waarheid van het Evangelie in het geding komt! Vergelijk Johannes 17.

Prof. dr. W. Balke heeft in zijn artikel over de eigenschappen van de kerk (opgenomen in 'De Kerk', uitgegeven bij De Groot, Goudriaan, 1990) opgemerkt: 'Bij de vraag naar de eenheid en de waarheid heeft Calvijn beide verbonden door eenheid in de waarheid. Aan de vage eenheid zonder grenzen, zonder helder uitgesproken theologische inhoud heeft hij nimmer gedacht. "De kerk stemt nooit overeen dan in de waarheid van Gods Woord", lezen wij in de Institutie'.

Calvijn over de eenheid en de vrede der kerk

Ook ditmaal weer een citaat uit een boekje van Calvijn, in het Nederlands getiteld: Om de eenheid en vrede der kerk (1549). Geschreven toen het met het protestantisme in Duitsland er uiterst kritiek voorstond. De roomse keizer deed zijn uiterste best om door een schijn van toegeeflijkheid te pogen de protestanten te doen terugkeren in de Roomse kerk. Het Augsburgse Interim was net opgesteld. Daarin was een leer en kerkinrichting vastgelegd, die als basis voor de hernieuwde eenheid dienen moest. Daarin werden nauwelijks concessies gedaan in de richting van de protestanten.

Calvijn schrijft dan:

'Omdat immers godvruchtige en bezonnen mensen een afkeer hebben van onenigheden en twisten en krakelen zelfs verafschuwen, ligt het voor de hand dat iedere rede, waarin betoogd wordt dat deze uit de weg moeten worden geruimd, bij het eerste horen met instemming zal worden ontvangen. (...)

Hier staat echter tegenover, dat listige lieden niet zelden onder dit voorwendsel binnensluipen, wanneer zij de zuivere leer van Christus willen vervalsen; en daarom zal er wel niemand zijn, die ontkent, dat wij met voorzichtigheid moeten onderzoeken van welke soort de vrede is die ons wordt aangeboden. Gelijk immers Christus ons overal het bewaren van de vrede als een eerste plicht op het hart bindt, zo leert Hij ons ook, dat de waarheid van Zijn Evangelie de enige band daarvan is. Daarom moeten we ons met het woord "eendracht" geen zand in de ogen laten strooien door hen, die ons van de zuivere belijdenis van het Evangelie trachten af te voeren. Wat moeten wij dan doen? Wij moeten zeker naar vrede verlangen en met inspanning van alle krachten daarnaar streven. Beter echter is het dat desnoods de hemel en de aarde ineenstorten, dan dat enige schade aan de godsvrucht de prijs zou zijn, die hiervoor betaald wordt. (...) Mijn verhandeling is gericht tegen hen, die een soort van bedriegelijke vrede tot stand willen brengen, die ons een halve Christus op deze manier laten behouden, dat er intussen geen enkel stuk van Zijn leer overblijft, dat zij niet verduisteren of met de een of andere smet van leugen bezoedelen. (...) Bedriegen zij ons niet met de schone schijn, met een ijdele belofte van vrede, terwijl zij ons heimelijk wegvoeren van Hem Die de Auteur van de vrede is?

Ze zullen echter nooit met zoveel succes kunnen veinzen dat hun voornemens niet bekend worden. Zonder twijfel koesteren zij de hoop, dat de kerken, die de zuivere leer van Christus omhelsd hebben - als zij eenmaal van de rechte weg zijn afgeweken en zich op het een of andere punt hebben laten omkopen - er gemakkelijk toe zullen komen om vervolgens ook het goede, dat zij nog overgehouden hebben, te laten verloren gaan. En hierin vergissen zij zich stellig niet. Dit immers is de zeer rechtvaardige vorm waarin de wraak van God Zich gewoonlijk openbaart: degenen, die willens en wetens toelaten, dat Zijn heilige waarheid door leugenachtige voorstellingen bezoedeld wordt, worden van het bezit van een zo groot goed geheel en al beroofd.

Het geldt hier immers een zaak van zo uitzonderlijke waarde, dat hetgeen naar menselijke schatting het kostbaarste is, te duur betaald wordt, wanneer men het verwerft ten koste van haar allerkleinste vermindering. Ik weet wel dat goddeloze en onheilige mensen niet met Gods oordeel rekenen, wanneer zij overwegen wat geschieden zal. Dit neemt echter niet weg, dat zij, al kennen zij de oorzaak dan niet, toch een juist oordeel hebben over het gevolg.

Het is echter wonderlijk, dat sommigen zo lichtzinnig - of moet ik zeggen "onzinnig" - zijn, dat zij aan hetgeen door dergelijke lieden gezegd wordt, geloof hechten. Het is mij natuurlijk niet onbekend door welke overwegingen zij zich laten leiden: Wanneer zij nu een weinig toegeven, zo redeneren zij, zullen zij later, wanneer zich de gelegenheid voordoet, grotere vorderingen maken. Waar zal echter die gelegenheid, waarmee zij zich vleien, eensklaps vandaan komen? Ik zie nu, dat zij van de weg afwijken. Hetgeen wij dus moeten hopen, is niets minder dan dit, dat zij al dwalende hun doel zullen bereiken? Het staat echter veel meer te vrezen, dat God hen zal tegemoet treden om hen voor een zo trouweloze afval te straffen door ook de helft, die zij bewaren, van hen weg te nemen. Welke echter ook de verwachting moge zijn, die zij zich voorspiegelen, zij veroorloven zich te veel, ja meer dan teveel, wanneer zij bij verdrag willen vaststellen in hoeverre de eeuwige en onveranderlijke waarheid Gods moet gelden. Indien maar de hoofdzaak behouden blijft, zo zeggen zij, kan men verdraagzaamheid betrachten als het andere verloren gaat. En dit zeggen zij dan alsof Christus Zich aan hen had overgegeven om Zich door hen naar hun goeddunken te laten verdelen.

Ik stem wel toe, dat het van groot belang is, - als de algehele vernieuwing van de leer der godzaligheid niet terstond op één dag tot stand kan worden gebracht - , dat wij althans de voornaamste stukken daarvan ontvangen. Hierbij dient dan echter niet uit het oog te worden verloren, dat wij zonder ophouden moeten blijven streven naar hetgeen er nog aan ontbreekt.

Wanneer de Zoon van God ons echter de volledige leer van Zijn Evangelie te genieten heeft gegeven - welk een schandelijke heiligschennis is het dan om deze bij verdrag zo te verminken, dat wij er slechts een deel van behouden.

Laat ons daarom oppassen om niet onder de bekoring te komen van die leuzen, waarmee men ons als met een sirenengezang betoveren wil, als bijv.: "Dit is van weinig belang" en: "Daarvan zullen door een gepaste verklaring de scherpe kanten wel worden afgeslepen", of: "Dit kan gemakkelijk blijven rusten", of: "Dit kunnen wij zonder veel gevaar toegeven".

Laten wij liever luisteren naar Christus, Die ons vermaant: Wandelt, terwijl gij het licht hebt". Joh. 12 : 35. Indien wij namelijk toelaten, dat enige wolkjes voor het heldere licht geschoven worden, zal de duisternis ons sneller overvallen dan wij denken. Er is maar één deur, waardoor wij moeten ingaan tot het eeuwige leven; en er is slechts één weg, waarlangs wij tot haar moeten komen. De minste afwijking van deze is een doolweg, die overhelt naar de dood. Hier komt bij dat tegelijk de eer van Christus wordt aangerand door haar als het ware op bedekte manier te ondermijnen.

Toen vroeger Gajus Caliluga bevolen had, om zijn standbeeld te plaatsen in de tempel van Jeruzalem, - zijn de joden als bijenzwermen overal vandaan te hoop gelopen naar de stadhouder niet om met wapengeweld en de sterke arm een dergelijke heiligschennis te verhinderen, maar om door hun halzen aan te bieden aan het zwaard, de majesteit van de tempel te beschermen. (...) Zullen wij dan, die niet langer een stenen tempel hebben, waarin God aangeroepen wordt, maar de Zoon van God, in Wie de gehele majesteit des Vaders woont - , stilzwijgend dulden, dat Hij op zo schandelijke wijze wordt onteerd? Er wordt immers geen afgod opgericht, die de uitwendige gedaante van het heiligdom onteert, maar één die de gehele heiligheid der kerk bezoedelt en verderft, die de gehele dienst van God aan het wankelen brengt, die niets in onze religie onbevlekt laat.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De ware eenheid van de kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's