De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Marnix en het Wilhelmus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Marnix en het Wilhelmus

10 minuten leestijd

Nederlands volkslied

ledere Nederlander kent het Wilhelmus bij naam en kan ook de eerste twee regels wel meezingen. Daarna wordt het moeilijker: sommigen kennen het hele eerste couplet, anderen - met name uit het christelijk volksdeel - ook het zesde:

Myn Schilt ende betrouwen Sijt ghy / O Godt mijn Heer /

Maar dan houdt het voor de meesten wel op. Weinigen zullen de overige dertien coupletten kennen. Niet velen zullen beseffen dat de slotregels van het eerste couplet ons al direct confronteren met een immense 16e eeuwse problematiek, het al of niet toelaatbare van het recht van opstand tegen de van God gegeven vorst:

Den Coninck van Hispaengien
Heb ick altijd gheeert.

Weinigen ook zullen weten dat het Wilhelmus - dat is overgeleverd in het zogenaamde 'Geuzenliedboek', waarvan de oudstbekende druk die onlangs in de Bibliothèque Nationale te Parijs is ontdekt uit 1577/'78 stamt - een uitgebreid opschrift bevat, dat zo luidt:

Een nieuw Christelick Liedt gemaect ter eeren des Doorluchtichsten Heeren / Heere Wilhelm Prince van Oraengien / Grave van Nassau / Patris Patria, mijnen G[enadigen] Forsten ende Heeren. Waer van deerste Capitael letteren van elck veers / syner F[orstelijcke] G[enade] metbrengen.

Kennis van dit opschrift is zeker niet onbelangrijk, omdat het duidelijk maakt dat het Wilhelmus geschreven is ter eeren van Prins Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands.

Het opmerkelijke van dit geuzenlied dat ons volkslied werd, is dat er onderhand een kast vol over geschreven is en dat het niettemin nog altijd wordt omhuld door raadsels en problemen. Het gaat om vragen als: Wanneer is het precies geschreven? Wie heeft het gemaakt? Wat is de hoofdstrekking? Deze vragen, die nauw samenhangen, zijn nog altijd niet bevredigend beantwoord, ondanks een berg literatuur, waaronder ook een aantal dissertaties, waaronder die van Ad den Besten in 1983.

Het meest recente proefschrift verscheen begin 1996. Het is een doorwrochte studie van A. Maljaars, docent aan de Driestar te Gouda, met als titel: Het Wilhelmus: auteurschap, datering en strekking; een kritische toetsing en nieuwe interpretatie (uitg. Kok, Kampen 1996). Deze studie is de aanleiding tot dit artikel.

Auteurschap

Het Wilhelmus verscheen anoniem in de periode eind 1568-midden 1572. In 1602, dus pas zo'n 30 jaar na verschijnen, duikt in ons overgeleverde bronnen voor het eerst de naam op van een mogelijke auteur: Philips van Marnix, Heer van Sint Aldegonde (1540-1598). Dertig jaar na dato is laat. Een tijdsafstand van drie decennia is niet gering. Andere bronnen zijn van nog aanzienlijk later datum. Daar komt nog bij dat de formulering van dat eerste getuigenis - in een boek van Jacob Verheiden, rector van de Latijnse school in Nijmegen, die een korte levensbeschrijving geeft in het Latijn bij een portret van Marnix - niet eenduidig is. In de vertaling van een jaar later - 1603 dus - lezen we:

Men acht oock dat van desen man, dat Liedeken eertijts gesongen ter eeren vanden Prince Guilielmus van Nassouwen, sy ghemaeckt ende uytghegeven [..].

'Men acht': het is algemeen bekend of er wordt beweerd? Daar zit nogal wat betekenisverschil tussen.

Alles bij elkaar genomen is het begin van de Marnixtraditie dus niet zo sterk, zoals Maljaars terecht constateert. Toch is Marnix in het Wilhelmusonderzoek langzamerhand de meest voor de hand liggende auteur geworden op grond van de volgende redenering: de auteur van het Wilhelmus kan geen tweede-of derderangs dichter zijn, hij moet behoord hebben tot de omgeving van de prins, hij was een diepgelovig mens, een gematigd calvinist die - in overeenstemming met de tolerante houding van de prins - geen anti-rooms maar een voluit 'Christelick Liedt' (zie het opschrift) schreef. Marnix past uitstekend in dat plaatje, zeker als men het ontstaan van het lied rond 1571 plaatst: eind 1570 of uiterlijk januari 1571 trad hij in dienst van de prins en hij heeft sindsdien getoond een gematigd calvinist te kunnen zijn, ondanks verschillen congeniaal met de prins. Zo groeide in het Wilhelmusonderzoek de communis opinio - ook door Ad den Besten verdedigd - dat Marnix wel de dichter zal zijn. Voorzichtige onderzoekers voegden er overigens steeds aan toe dat een spijkerhard bewijs ontbreekt.

De visie van Maljaars

Maljaars vindt bovenstaande redenering te simplistisch en veel te weinig onderbouwd met steekhoudende argumenten. Op basis van zijn eigen onderzoek acht hij het auteurschap van Marnix zeer twijfelachtig, ja onmogelijk. De verdienste van het proef­schrift is dat Maljaars zeer grondig te werk gaat en de argumenten die voor Marnix' auteurschap te berde zijn gebracht stuk voor stuk ontleedt en ondermijnt. Maljaars benadert de problematiek zoals een wetenschapper betaamt: kritisch en argwanend, een principieel onderscheid makend tussen zekerheden en schijnzekerheden of onzekerheden.

Het eerste kemhoofdstuk van zijn studie is hoofdstuk 3: 'Stilistische en grammaticale verschillen tussen het Wilhelmus en het werk van Marnix'. Maljaars toont aan dat het Wilhelmus, dat ongetwijfeld prachtige regels en mooie coupletten bevat, naar 16e eeuwse maatstaven als dichtwerk nogal wat steken laat vallen: onder meer onzuivere rijmen - 'bloet-dood' in het eerste couplet, 'Stam-man' in het vijfde, 'gront-bekant' in het dertiende couplet - , iets wat bij een dichter van Marnix' formaat niet voor de hand ligt. Ook wijst hij op aanzienlijke verschillen tussen het Wilhelmus en Marnix' poëzie in spelling, zinsconstructie, naamvallen en woordgebruik. Zo bewandelt Maljaars een andere weg dan bijvoorbeeld S.J. Lenselink en Ad den Besten, twee bekende Wilhelmusspecialisten, deden: zij probeerden overeenkomsten tussen het Wilhelmus en Marnix' taalgebruik aan te tonen - iets wat weinig overtuigends heeft opgeleverd: het taalgebruik van zowel de dichter van het Wilhelmus als dat van Marnix is immers voor een groot deel algemeen 16e eeuws en sterk geënt op de bijbel - , hij accentueert de verschillen. Om slechts één opvallende verschil te noemen: Marnix gebruikte voor het aanspreken van God de oude enkelvoudige vormen 'du' en 'dijn' en niet 'gij' en 'uw', omdat deze voornaamwoorden behalve beleefdheid ook een meervoud uitdrukken en dat achtte hij principieel onjuist voor God als 'enkelvoudig Wezen'. In het Wilhelmus daarentegen worden de genoemde vormen door elkaar gebruikt, en dat is bij Marnix ondenkbaar.

Het tweede kernhoofdstuk van Maljaars' betoog (hst. 4) is gewijd aan datering en strekking van het Wilhelmus. Auteurschap, datering en strekking hangen namelijk nauw samen. In de hiervoor weergegeven communis opinio wordt het Wilhelmus bij voorkeur als een propagandalied voor de prins beschouwd; een opwekking tot het volk der Nederlanden zich als één man te scharen achter Willem van Nassou, de van God gegeven redder.

Als propagandalied kan het dan niet geplaatst worden in 1568/'69 - de prins was toen gedesillusioneerd - , maar wel in 1571/'72, toen de prins weer velerlei activiteiten ontplooide. Dit past bovendien goed in het plaatje van Marnix als dichter: de Marnix van 1568/'69 was sterk antirooms - in 1567/'68 werkt hij aan zijn Biënkorf, een fel anti-roomse satire die in 1569 verschijnt - , de Marnix van 1571/'72 ontwikkelde zich als secretaris van de prins in gematigder richting.

Dat het Wilhelmus een propagandalied zou zijn, geschreven ± 1571, ondermijnt Maljaars ook. Het Wilhelmus heeft niet de strekking van geuzenliederen als 'Help nu u self so helpt u Godt' met een krachtige opwekking tot actie en verzet, onder aanvoering van de prins. Het is, aldus Malaars, allereerst een apologie - een verdediging van de daden van de prins - en in de tweede plaats een troost-en bemoedigingslied. Die troost houdt primair hoop op God in: 'Men zou het lied dus een lied van Godsvertrouwen kunnen noemen' (p. 240).

Het lied biedt weinig zicht op een spoedige, concreet-aardse verlossing uit de tirannie. De blik van de dichter is eerder achterwaarts gericht - de gebeurtenissen in 1568 - dan voorwaarts. Juist daarom pas het lied beter in 1568/69 dan in 1571/'72. Men' heeft het ontstaanstijdstip van het Wilhelmus, stelt Maljaars, te gemakkelijk naar 1571/'72 verschoven: enerzijds omdat men het lied als propagandalied opvatte, anderzijds omdat dit tijdstip goed was in te passen in Marnix' ontwikkeling als calvinist en zijn kandidatuur voor het auteurschap.

Een gedegen proefschrift

Het bovenstaande is een samenvatting van de belangrijkste elementen in Maljaars' visie. De studie is niet direct voor een breed publiek geschreven. Dat kan bij een proefschrift ook nauwelijks. Het boek bevat een fors taalkundig gedeelte en dat vergt van de lezer minstens enige taalkundige scholing. Elders, in wetenschappelijke tijdschriften binnen de neerlandistiek, zal ongetwijfeld nog indringend worden ingegaan op de wetenschappelijke verdiensten, die de studie ongetwijfeld bezit. Daar horen ook uitvoeriger kritische kanttekeningen thuis. Hier beperk ik me tot enkele opmerkingen.

De verschillen die Maljaars aantoont tussen Marnix' taalgebruik - en verstechniek - en dat van het Wilhelmus zijn niet gering. Het lijkt me het sterkste onderdeel van het proefschrift. Marnix' auteurschap acht ik, op basis van dit onderdeel van Maljaars' onderzoek, een stuk onwaarschijnlijker geworden. Dit is mijn formulering! Maljaars formuleert veel stelliger: de geconstateerde verschillen moeten leiden tot de 'onontkoombare conclusie dat Marnix van Sint-Aldegonde de dichter van het Wilhelmus niet geweest kan zijn' (p. 148; cursivering door mij).

De (te grote? ) stelligheid in formulering viel mij vooral ook op in het vierde hoofdstuk waarin de auteur met beslistheid kiest voor de datering 1568/'69, hoewel de beschikbare gegevens die deze conclusie moeten ondersteunen toch duidelijk minder 'hard' zijn dan de taalkundige in het vorige hoofdstuk. Tenslotte wil ik nog opmerken dat de verhouding tussen Marnix en de prins in de periode 1568-1572 voor mij ondoorzichtiger en ongrijpbaarder zijn - de gegevens zijn schaars - dan voor Maljaars. Bij schaarse gegevens ligt een subjectieve interpretatie altijd op de loer.

Zekerheid en onzekerheid

Het Wilhelmus plaatst ons, ook na dit proefschrift, nog steeds voor problemen. Maljaars reikt ons, nu hij het auteurschap van Marnix afwijst, enkele andere mogelijke auteursnamen aan, zoals een broer van Coornhert, een gematigd calvinist. Ook acht hij het mogelijk dat het Wilhelmus oorspronkelijk in het Duits geschreven is en vervolgens in het Nederlands vertaald, iets wat een aantal Duits aan doende woorden en vormen zou kunnen verklaren. Het blijven toch allemaal hypothesen.

Eén zekerheid hebben we wel: de christelijke boodschap die het lied ons doorgeeft. Dominant is, zoals Maljaars terecht opmerkt, de hoop op God. Het is het lied van twee vaderlanden: het aardse en het hemelse (Hebreeën 11). In een naar de mens gesproken hopeloze situatie is er het christelijk perspectief.

Dat Godsvertrouwen vind ik het meest indrakwekkende van het Wilhelmus. Terugziend op het debacle van 1568 - de verloren slag bij Jemmingen in Groningen, de tocht langs de Maas die op een mislukking uitliep - legt de dichter de sprekende prins deze regels in de mond:

Soo het den wille des Heeren
Op die tijt had gheweest /
Had ick gheem willen keeren
Van u dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert /
Diemen altijt moet loven
En heeft het niet begheert.

Regels vol Godsvertouwen en volkomen overgave aan Gods wil en leiding. Het zijn regels waar je stil van wordt. En datzelfde geldt voor het slotcouplet, waarin nogmaals de houding tot de koning ter sprake komt, nu als definitieve standpuntbepaling:

Voor Godt wil ick belijden
End zijner grooter macht /
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan [Maar] dat ick Godt den Heere
Der hoochster Majesteyt/
Heb moeten obedieren [gehoorzamen] /
Inder gherechticheyt.

Dit is geen oproep tot goedkope rebellie. Geen oproep tot kraakacties en burgerlijke ongehoorzaamheid. Hier klinkt door wat we in Handelingen 5 : 29 lezen: en moet Gode meer gehoorzamen dan mensen, in het uiterste geval ook als het de wettige vorst betreft. Dat is de slotconclusie van het Wilhelmus, het lied dat ons terugvoert naar de grondslagen van onze natie, de wordingsgeschiedenis van de staat der Nederlanden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Marnix en het Wilhelmus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's