Globaal bekeken
Uit de recent verschenen bundel kerkbodenknipsels van wijlen ds. J. T. Doornenbal (Hoogten en diepten, uitgave De Banier, Utrecht), nemen we hieronder over wat hij schreef op 16 december 1950 over De Nieuwe Kerkorde:
'De nieuwe Kerkorde is aangenomen. Een kort bericht in de dagbladen heeft er ons van op de hoogte gesteld. Even een kleine rimpeling aan de oppervlakte van sommiger gemoedsleven en wij gaan weer over tot de orde van de dag. Zo gaat het met de gebeurtenissen in de kerk. Op de twee eerste vergaderingen, die ik meemaakte waar over deze Kerkorde gesproken werd, las de ene Voorzitter de 103e psalm en het leek of de heilzon voor de kerk aan 't dagen was: de ander de psalm over de Moabieten en Hagarenen en Lots ontaarde kinderen, die zich samen opmaakten tegen het arme Sion. En nu na veel moeizaam vergaderen het dan zover is interesseert het 't overgrote deel van het kerkvolk nog niets of allang niet meer en alles gaat gewoon door. Een kerkorde bepaalt ook niet het wezen der kerk, al zal ze er wel mee in verband staan. De kerk rust alleen in Gods eeuwig Verbond, een kerkorde is mensenwerk. Daarom kan een nieuwe orde de kerk zelf nooit aantasten en al is er niets in deze nieuwe kerkorde, dat ons verblijdt, ze verontrust ons voorlopig ook niet al te zeer, al zal in sommige gemeenten wel weer wat stembusnarigheid het gevolg zijn, waardoor het er onmogelijk beter op kan worden. We zullen het af moeten wachten en moeten ons maar niet in een angst-psychose laten meeslapen. En in elk geval niet praten over het verlaten van de kerk. Geen mens prakkizeert er over als bv. de huwelijkswetgeving wat verandert, dat daarmee zijn huwelijk ontbonden is en geen rechtschapen kind, dat het dan geen ouders meer heeft, omdat geen wetgeving het huwelijk en het gezin in wezen aan kan tasten. Wij blijven dus getrouw aan de kerk, onze moeder, ook in haar ouder worden en verval. Ik zou ook werkelijk niet weten, waar we heen moesten! Als nu de kerk onder deze nieuwe orde maar niet aan het "belijden" slaat! Want dat zou een belijden worden los van het geheel der christenheid en de Hervormde Kerk zou er een Calvinistische of Barthiaansche secte-kerk door worden, in niets verschillend van elke afgescheiden kerk. Dat zou zeker noodlottig kunnen worden. Vooral als ze dan ook nog aan "leertucht" ging doen. Maar het is voorlopig gelukkig nog niet zo ver Onze hoop is op Slons Koning, Die Zelf Zijn gemeente bouwt en ik weet, hoe 't vast gebouw van Zijne gunstbewijzen naar 't gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen. Zo is dan de toekomst der kerk verzekerd, ondanks alle verval en afbraak en bedreiging naar alle kanten. "Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen."'
In de recent verschenen memoires van mevr. A. G. van der Klift-Snijder ('Geroepen, gezonden en gezegend', Boekencentrum, Zoetermeer) vertelt deze vrouw van wijlen Hendrik van der Klift, van 1916 tot 1942 zendingsarbeider in Zuidoost-Celebes, het volgende over 'het einde van het landbouwjaar' onder de Toraja's:
'Het einde van het landbouwjaar is natuurlijk de oogst. Vijf dagen van te voren, vóór zonsopgang, gaat men naar de rijsttuin, een mandje met pruimgerei hangt aan een draagband om het voorhoofd op de rug. Men klimt over de omheining en legt behoedzaam de benodigheden aan de voet van de rijsthalmen neer. Dit dient om de rijstgeest gunstig te stemmen zodat hij de rijstziel niet meeneemt. Deze wordt voorzichtig voorbereid, want als zij schrikt dan neemt ze de vlucht. De tweede van de vijf dagen is een verbodsdag. Niemand mag de tuin naderen. Op de derde dag gaan man en vrouw er heen en snijden twee grote en twee kleine bossen rijst, die rechtop tegen elkaar worden gezet, vooraan in de tuin. De vierde dag is weer een verboden dag maar de vijfde dag begint de oogst. Vóór zonsopgang is men aan de slag en onder diepe stilte offert de priester aan de rijstgeesten. In elke aar zit een rijstgeest. Daarom snijdt men één voor één, met een klein mesje, dat als een vulpen tussen de middel-en ringvinger wordt gehouden. Wie eenmaal in de tuin aan het oogsten is, mag er vóór de avond niet uit; ook mag geen laatkomer na zonsopgang er in. Begint de avond te vallen dan houden ze op met snijden, maar vergeten niet van de laatste aren enkele aan elkaar te binden. De bossen worden in het rijsthuisje, dat op de palen staat, gebracht. Na de offerplechtigheden is de stilte overgegaan in vrolijk geroezemoes. Men lacht en praat onder het werk, want zo hebben de rijstgeesten het graag, en geeft elkaar raadsels op.
Ik zal er en paar noemen:
1. Ze zitten met elkaar in één schuitje en kunnen elkaar niet zien. Oplossing: de erwten in een peulvrucht.
2. Zodra het wordt geplant, kruipt het. Oplossing: water
3. Onder uw huis kunt ge niet zien. Oplossing: men kan niet zien onder zijn eigen kin.
4. Wie loopt met zijn rug naar voren en met zijn bruik naar achteren? Oplossing: het been (de scheen is de rug, de kuit is de buik).
5.Men trekt niet de paal uit het gat maar wel het gat uit de paal. Oplossing: een vingerring.
6. Wat is een huis met twee vertrekken die men niet kan binnengaan? Oplossing: de neus.
7. Het spreekt niet maar het waarschuwt wel. Oplossing: een wegwijzer; een gekerfde bamboestaak, waarin een pijltje is gestoken dat wijst naar vallen voor wilde varkens enz.
8. Hij grijpt je aan en je ziet hem niet. Oplossing: de wind.
9. De omheining van uw vader is oud en valt om naar bulten. Oplossing: zijn tanden, die uitvallen.
10. Het maakt een ruim huis en heeft geen kapmes (Mekongga's gereedschap). Oplossing: de spin.
11 Het meisje eet maar éénmaal. Oplossing: als 't kussen eenmaal met kapok is volgestopt, blijft 't vol)l.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's