Het risico van 'verdorsten' bij de theologische opleiding
'Voor God geleerd?'
Het is uiterst zorgwekkend dat de voorwaarden waaronder kerkelijke hoogleraren en docenten moeten werken zodanig zijn, dat geen wetenschappelijk resultaat kan worden geboekt, dat zich in kwaliteit en kwantiteit meten kan met de staatsfaculteiten. Dat is gebleken bij onderzoeksvisitaties. De conclusie van die visitaties was: 'er wordt relatief te weinig gepubliceerd'.
Dit staat te lezen in een discussiestuk van de Commissie voor het Theologisch Wetenschappelijk Onderwijs (TWO), getiteld 'Voor God Geleerd? '. Dank zij een nieuwe structuur voor de kerkelijke opleiding, in een nieuw zogeheten Hervormd Theologisch Wetenschappelijk Instituut, kan voor het eerst in de geschiedenis vanwege de Hervormde Kerk een eigen, zelfstandig beleid worden gevoerd, zonder daarbij direct afhankelijk te zijn van het ministerie en de betrokken universiteiten.
Ter verklaring van de geringere wetenschappelijke productiviteit stelt de nota, dat kerkelijke hoogleraren (en docenten) ten opzichte van hun staatscollega's een aantal extra taken hebben: pastoraat, de beoordeling van de geschiktheid van de studenten en 'werkzaamheden ten behoeve van onderdelen van de kerk.' En dan volgt een cruciale zin: 'Eigenlijk zou hier ook het onderhouden van het eigen geloofsleven middels meditatie, gebed en studie, aan moeten worden toegevoegd, want wanneer daar structureel geen tijd voor kan worden ingeruimd loopt iedereen het risico te verdorsten (curs. van mij, v. d. G). Juist diegenen die de toekomstige dienaren des Woords opleiden dienen hen in dit opzicht voor te leven'.
'Spiritualiteit'
Wat betreft de studenten, die kiezen voor de kerkelijke opleiding — zegt de nota — is het opmerkelijk, dat de keuze 'óm wel of niet naar het ambt te staan' steeds later blijkt te worden gemaakt. 'Meer en meer komt het voor, dat studenten tot kort voor het kerkelijk examen onzeker zijn met betrekking tot het ambt.' Daar komt bij, dat, gegeven nieuwe wetgeving op het terrein van de studiefinanciering, studenten 'als nooit tevoren' gericht zijn op het op tijd behalen van studieresultaten. Tijd voor vorming van de persoonlijkheid buiten het studieprogram is voor slechts weinigen nog weggelegd. Eén en ander betekent ook, dat studenten binnen de opleiding als zodanig vragen om meer 'spiritualiteit', meer pastoraat en meer vorming voor de praktijk van de arbeid in een gemeente.
Om aan de behoefte naar meer spiritualiteit te voldoen stelt de nota, dat het mogelijk moet zijn om bestudering van de spiritualiteit in het studieprogram op te nemen. De reformatorische traditie heeft, zo wordt gezegd, 'een herkenbare spirituele rijkdom'. Verder zou, onder leiding van de kerkelijke docenten, 'het georganiseerde en gestructureerde geloofsgesprek' een plaats kunnen krijgen. En voorts mag verwacht worden van een kerkelijke opleiding, dat zij een christelijke vorm van time management (zeg: tijdbewaking, v. d. G.) heeft, die door de hoogleraren en docenten wordt voorgeleefd en aan de studenten wordt geleerd'.
In dit verband vroeg tijdens de bespreking ter synode ds. J. A. Schilt, Minnertsga welke visie op geloof hier achter stak. Moeten we het geloof kunnen overbrengen en onderhouden? Het geloof is toch een wonder! Onderhoudswerkzaamheden verricht men aan een monument. Hij wees hier wel op het nut van de studentenverenigingen. Verder stelde hij, dat de predikant geen wetenschappelijk onderzoeker wordt maar wèl wordt opgeleid om iets met het wetenschappelijk onderzoek te dóen.
Ds. Schilt zei ook tijdens de opleiding maar één keer samen met andere studenten te hebben gezongen.
Ds. E. Westrik, Dordrecht stelde, dat de waarheid 'straalt' en dat wetenschap als zodanig in dienst van de waarheid dient te staan. Het gaat dan niet alleen om reflexie ('terug naar de bronnen') maar ook om viering in het heden, met name ook op bepaalde plekken aan de universiteit, een kapel bijvoorbeeld, zoals het geval is in Engeland, in Oxford en Cambridge.
Praktijk
De discussienota ging ook in op de praktische vorming in de opleiding. Wanneer men 'een verantwoord wetenschappelijk peil van de opleiding en het onderzoek' (in vergelijking met de staatsfaculteiten) wil handhaven, zal het niet lukken om binnen het huidige tijdstraject van de opleiding tot verantwoorde praktische vorming te komen. De nota zegt: 'Duidelijk is dat hier de vraag van de studenten op gespannen voet staat met de wens van de kerkelijke hoogleraren en docenten om de vakgebieden waar zij voor verantwoordelijk zijn op een behoorlijk niveau te handhaven'. Niet alleen studenten wijzen hier overigens op een manco. Datzelfde geldt voor beginnende predikanten.
In dit verband wordt nu gepleit voor een tweejarig vicariaat voor de aanstaande predikanten. Dan kan ook beter de geschiktheid voor het ambt worden getoetst.
Wat de praktische vorming betreft vroeg ds. E. J. Hefting, Kollum, aandacht voor conflictbeheersing. Ook wilde hij 'Kerk en Israël' in het studieprogram.
Ds. H. Boersma, Heerenveen vroeg aandacht voor de boer en de timmerman. Godgeleerden zijn, als ze de pastorie in gaan, niet altijd op de hoogte van het gewone leven.
Drs. M. Burggraaf, Ede meende dat de opleiding te weinig op het ambt, dus op de praktijk is gericht; een euvel dat zich overigens bij alle opleidingen voordoet. Er is, meende hij, ook te weinig samenhang tussen de kerkelijke opleiding en het seminarie.
Ds. J. van den Berg, 's Gravenhage betreurde het, dat er voor studenten geen 'concilium abeundi', een advies om te vertrekken bestaat. Verder dient het studieverlof van predikanten ook als zodanig te worden benut.
Ds. H. W. van den Toorn, Nieuwegein vroeg of het tweejarig vicariaat financieel ten laste zou komen van de kerk of van de gemeente, waar de vicaris komt te werken. De vicaris zelf mag niet met een appel en een ei worden afgescheept. 'Kan het niet in één jaar? ', vroeg hij.
Mevr. ds. H. A. Keur, Driel informeerde naar de rechtspositie van de vicaris. En: wordt zo iemand wel bevestigd?
Oud. H. C. A. Vandenbriel, Delft (Waalse gemeenten) miste Frans als taal in de opleiding. De synode van Dordt was tweetalig: Nederduytsch en Frans.
Drs. J. A. Schilt, Minnertsga vroeg aandacht voor de route van het traject tussen 'aankomend student' en 'beginnend predikant'. Welke predikant verwachten we als kerk; een Schriftgeleerde, een liturg, een agogisch werker, een allrounder?
De kwestie van een eventueel tweejarig vicariaat zal nader worden onderzocht. De kerkelijke hoogleraren achtten het ook zeer gewenst, dat dit punt in studie wordt genomen.
Helder
Het rapport, dat hier ter tafel lag, was helder, zowel in de analyse van de knelpunten als met betrekking tot de richting, waarin het met de kerkelijke opleiding zal moeten gaan.
Terecht is aandacht gevraagd voor de spiritualiteit (liever, want bijbelser: het geestelijk leven) van de kerkelijke docent en van de aanstaande predikanten. Terecht is ook door één der synodeleden gezegd, dat geloof een wonder en als zodanig niet overdraagbaar of te onderhouden is. Hier geldt ten diepste, dat met name een theoloog - een Godgeleerde of Godzegger (Van Ruler) - 'van God geleerd' dient te zijn. De titel van de nota 'Voor God geleerd? ' is hierop kennelijk een variant.
Het adagium van Voetius was: wetenschap met Godsvrucht. Maar geloof vraagt ook oefening, oefening in, Godsvrucht. Dat vraagt om meditatie, gebed, en ook studie in de vragen van het geestelijk leven. Wanneer de studie in de theologie louter (vak)wetenschappelijk wordt en er geen tijd meer is voor geesteljke oefening, is er het 'risico van verdorsting', zoals het in het rapport trefzeker wordt genoemd. En de gemeente zal dat merken!
De gemeente zal het enerzijds merken wanneer de aankomende predikant alleen maar heeft gestudeerd om zo snel mogelijk de pastorie te halen, of dat hij ook echt theologie heeft gestudeerd. Maar de gemeente zal het anderzijds ook bemerken of theologie met het hart is gestudeerd. Als zodanig is het ook een groot voorrecht wanneer de kerkelijke docenten liefde voor de theologie weten over te dragen, doordat aan hen te merken is, dat theologiebeoefening voor hen geen puur vakmatig bezig zijn is maar ook harts-tocht En dat ze daarbij een pastorale attitude hebben. In het verleden gingen (bepaalde) hoogleraren in de zomer per fiets langs de pastorieën, waarin hun oud-studenten intrek hadden genomen.
Intussen valt niet te veronachtzamen, dat docenten en studenten - en wie vandaag niet - ook gestempeld zijn door de tijd waarin we leven, een tijd van stress, nivellering, zogeheten mondigheid en zeker ook van secularisatie, die niemand onberoerd laat. Heeft de gemiddelde dominee in zijn ambtelijk bezig zijn vandaag nog dezelfde uitstraling als de gemiddelde dominee van veertig jaar geleden? Dat geldt ook van de hoogleraren. Daarom temeer mag oefening in het geestelijk leven zeker wel centraal staan. 'Tijd-management' kan hier een goede zaak zijn, vooral als het gaat om meditatie.
En wat de praktische vorming betreft, het is zeker ook een goede zaak, wanneer er meer aandacht zou komen voor de praktijk van het gemeentewerk tijdens de studie. Of dat alleen met een tweejarig vicariaat wordt ondervangen? Dan moet er wel voor worden gewaakt, dat de vicaris niet twee jaar lang een onbezoldigd of onderbetaald hulpje van de predikant wordt.
Maar moet er vooral tijdens de opleiding vanaf het begin niet het zicht zijn op de gemeente(praktijk)? Ooit zei iemand ter synode, dat 'een beetje veearts' tijdens zijn opleiding wel eens een koe heeft gezien. Moet dan zeker de student in de theologie niet van meet af vertrouwd worden ge maakt met 'de andere kant' van het gemeentewerk dan die hij als gemeentelid kent? Er zijn vandaag helaas schipbreuken in pastorieën, zodat een meer op de praktijk gerichte opleiding gewenst is.
Verdorsten
Op zich zal de studie in de theologie geen wapen zijn tegen de secularisatie of tegen geestelijke verschraling. Maar tijdens de studie mogen wel wapens tegen de secula risatie worden aangereikt en geestelijke bronnen worden aangeboord.
Welke wapenrusting is hier beter dan de geestelijke uitrusting van Efeze 6? En verder, wanneer kerkelijke docenten en aanstaande predikanten 'verdorsten', zou dan op den duur ook de gemeente niet verdorsten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's