UIt de pers
Hier wordt de rust geschonken
Wie bij de psalmberijming van 1773 is opgegroeid, herkent bovenstaande woorden terstond: Psalm 36 : 2. We zingen dat in de kerk en we denken erbij (als we tenminste niet gedachteloos hebben meegezongen): we zitten goed, hier. Soms hebben we het misschien ook wel heel bijzonder ervaren dat God ons inderdaad Zijn rust schonk na veel strijd en aanvechting. Toch kun je ook de nodige vragen stellen als je de wereld buiten de kerk en die binnen de kerk naast elkaar zet. In De Wekker van 17 en 24 mei 1996 haakt redactielid D. Koole in op een vraag die iemand juist op dit punt aan hem voorlegde. Hij schrijft boven zijn bijdrage in de rubriek Nader bekeken: welke werkelijkheid ervaren mensen 's zondags in de kerk?
'Mijn gesprekspartner wilde wel eens weten wat voor rust kerkgangers ervaren als zij elke zondag, één of twee keer, komend uit een wereld vol onrust, de rust van het kerkgebouw opzoeken. Welke werkelijkheid ervaart u daar en hoe verhoudt zich dit tot uw, tot onze werkelijkheidservaring van elke dag? Wordt de accu, leeg of bijna leeg door inspanning, zorgen, emoties, teleurstellingen, verdriet, irritaties en onbeantwoorde vragen weer opgeladen om er weer een weekje tegenaan te kunnen? Schuift over de harde werkelijkheid van zes hectische dagen, voor zeg een dik uur, een werkelijkheid heen die niet van hier is, zodat je de dingen van elke dag even kunt laten voor wat ze zijn? Begeef je je even in een andere wereld als je in de kerk luistert, bidt, zingt en offert, om daardoor een beetje op verhaal te komen? Zijn vraag was eigenlijk: staat wat dagelijks in de samenleving op je toekomt, niet vreselijk ver af van dat waarmee je zondags in de kerk bezig bent? Kan men deze dingen eigenlijk wel in relatie met elkaar zien? Vroeger misschien meer dan nu, dacht hij. Hij opperde ook nog de gedachte dat deze vraag voor veel kerkmensen misschien niet eens relevant is, eenvoudig omdat zij over de werkelijkheid van elke dag en die van de zondag niet echt diep plegen na te denken.
Ga de dingen van elke dag eens een week lang na - was zijn suggestie - en bezie ze vervolgens eens in relatie tot het zondagse gebeuren. Kom er daarna nog eens over praten.'
Dhr. D. Koole zet dan een aantal gebeurtenissen van een week op een rij: het proces tegen de Bosnische Serviër Tadiz, de autofraude waar in heel Europa zo'n 17 miljard gulden mee gemoeid zou zijn per jaar. En verder: Nederland heeft nog voor 25 jaar aardgas in de grond, de verkiezingen in Rusland etc. etc. De persoon met wie dhr. Koole in gesprek raakte over de kerk(dienst), is van mening dat de mensen in de kerkdienst alleen maar abstracte verhalen te horen krijgen die oneindig ver afstaan van de werkelijkheid die ze elke dag in deze wereld ervaren.
'Bij de tweede ontmoeting zette mijn gesprekspartner dan ook bij dat gebeuren in. "Als jij vanuit jouw riant ingerichte leven naar de vertroosting van de preek zit te luisteren, drukt dat dan het besef van alle ellende waaronder miljoenen medemensen op deze wereld moeten leven even bij je weg? Vraag je je dan niet af waarom de God, in wie jij zegt te geloven, voor jou goed zou zijn, terwijl anderen, kreperend, kennelijk buiten zijn gunst vallen. Vallen die door jou zo hoog geprezen goedheid van God en het feit dat jij en ik in een geïndustrialiseerde welvaartscultuur zijn geboren als je eerlijk nadenkt eigenlijk niet samen? Houdt de kerk zich met zulke vragen wel bezig? Wordt in de kerk bij echte zingevingsvragen die hier mee samenhangen, wel eens stilgestaan", was de moeilijke vraag van mijn opponent.
We zaten daar samen, pratend en kijkend naar passerende mensen, die je waarschijnlijk één keer en daarna nooit weer zult zien. Mensen, ergens vandaan en naar iets of iemand onderweg. Ouderen, stokouden, jongeren, welgestelden en op het oog minder bedeelden, uiterlijk bevallige figuren en door de natuur misdeelden, invaliden en sportieve figuren, conventioneel geklede lieden en mensen in een uitmonstering, die niet van deze wereld lijkt te zijn; mensen die nog in de volle kracht van het leven staan en mensen die naar je inschatting "aan hun laatste restje toe zijn", om het met een regel uit een bekend gedicht te zeggen. Allen met een eigen geschiedenis van vreugde en verdriet, van voorspoed en tegenspoed, van succes en nederlaag, van wilskracht en geestelijk onvermogen, van liefde en haat, van eenzaamheid en geborgenheid, van bedrog en rechtschapenheid, van humaniteit en onmenselijkheid, van intelligentie en geringe begaafdheid, van zonde en - wie weet bij hoevelen - van vergeving ook. Eén straat van de vele straten in een stad; één stad onder duizenden steden, waarin miljoenen dagelijks op en neer, heen en weer gaan, waarin geleden en gestreden, geprofiteerd en gecrepeerd wordt, waarin geboren wordt en waarin men sterft, soms met duizenden tegelijk vóór het eerste levensjaar is voltooid, met miljoenen in korte tijd als de voorwaarden om gezond verder te leven onbreken, met duizenden in de vele kleinschalige oorlogen die overal ter wereld worden gevoerd.
En dichtbij: de langzaam wegstervende mens in de stampvolle verpleegimichtingen voor demente bejaarden, onder alle decorumverlies waarmee de ontluistering van de dementerende mens in vakterminologie wordt aangeduid.'
Uiterst herkenbare vragen, denk ik, voor veel kerkgangers. De relatie tussen dagelijkse werkelijkheid èn de boodschap van de prediking is lang niet altijd duidelijk. Nu gaat het er niet om dat je daarom van de weeromstuit als voorganger stukjes krant moet gaan citeren. Dergelijke goedkope kretologie vergroot alleen nog maar de afstand om niet te zeggen dat je jezelf belachelijk maakt. Krant lezen en het journaal volgen kunnen volwassen mensen in 1996 zelf nog wel. Het gaat meer om de vragen die er achter liggen en die in het volgende citaat gesteld worden door Koolle's gesprekspartner.
'Hoe zie jij God in dit alles, wilde mijn opponeemt weten. Hoe ga je in jouw geloof met deze dingen om? Geloof jij echt en gelooft jouw kerk werkelijk, dat er een God is, die aan al dat gewemel en gewriemel op deze planeet leiding geeft? Zou het nu echt zo zijn dat God aan het leven van al die mensen, kort of lang van duur, in miserabele of optimale omstandigheden (wat is in dit verband overigens optimaal), levend in primitieve staat of in een geïndustrialiseerde cultuur, van nog in volledige primitiviteit levende indianen tot de meest gecultiveerde Westeuropese burgers, van de hongerende inwoners van Opper-Volta tot de weldoorvoede burgers van de welvaartslanden op het westelijk halfrond, van de wieg tot het graf leiding geeft? Mag men er werkelijk vanuit gaan dat het leven van elk mens op aarde, hoe ook bedreigd en kwetsbaar, hoe ook massaal geleefd in situaties, waarin van een laatste deel van leven bijna geen sprake meer lijkt te zijn, onder Gods directe zorg staat en dat daar, waar wij in leven van miljoenen mensen slechts absurditeit en zinloosheid kunnen ontdekken, van een zingeving sprake kan zijn, die ons ontgaat maar die voor God wel bestaat? En welke zou dat dan wel mogen zijn? En bij wie nadenkt, komt er dan over deze vragen nog een heel klemmende vraag heen. Is het geen inbeelding, in elk geval een overschatting van onze eigen situatie, als we binnen het westerse christendom Gods Vaderlijke zorg over ons, belijden en beleven in de geest van zondag 10 van de Heidelbergse catechismus, terwijl "loof en gras, regen of droogte, vruchtbare tijden en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede", zaken lijken te zijn die voor de mens gewoon samenhangen met de vraag waar zijn wieg stond, in welke cultuur hij of zij opgroeide en tot ontwikkeling kwam? Koesteren christenen op dit punt geen idealen en verwachtingen die haaks staan op alle werkelijkheidszin, die op zijn minst overtrokken, misschien wel een fictie, in elk geval al te pretentieus zijn? In de vanzelfsprekendheid waarmee wij met de dingen van ons geloof plegen om te gaan, komen we aan het doordenken van deze dingen in de regel maar weinig toe, maar hier liggen de vragen die bijvoorbeeld in het gesprek met de niet-gelovige medemens een hoge drempel blijken te zijn om de God, zoals die in het christelijk geloof door ons wordt beleden, toe te vallen. Het zijn dezelfde vragen die jonge mensen een zó sterk geval van irrationaliteit (strijdigheid van de dingen) geven, dat zij erdoor worden losgeweekt van het christelijk geloof. Kunnen deze vragen elke gelovige, die het met de dingen om zich heen te kwaad heeft, niet dikwijls benauwen? Als ze ons nooit eens benauwen is het dan met dat geloof van ons eigenlijk wel helemaal in orde? '
We moeten oppassen niet al te snel ons gereformeerde woordje klaar te hebben, willen we de vervreemding die bij jongeren en ouderen merkbaar is niet nog verergeren. De vrienden van Job hadden hun antwoorden op Jobs leed ook standaard voorradig. Maar ze sloegen nergens op. Dat vond niet alleen Job, maar God Zelf reageerde ook met: U hebt niet recht van Mij gesproken.
Altijd duurt die boze droom nog voort
Dichters en schrijvers hebben soms het talent om de vragen van ons mensen onder woorden te brengen. Bovenstaande regel komt uit een gedicht van de vorig jaar (1995) overleden dichter en historicus J. W. Schulte Nordholt dat de titel 'Opstanding'draagt.
'Zeggen ze dat Hij is opgestaan
waarom is de wereld dan dezelfde,
lijdt Hij zelf dan nog in al de zijnen,
scherft Hij dagelijks nog duizend doden,
altijd door zoals het immers is ?
Weegt het lijden deze korte tijd
ook niet op tegen de heerlijkheid
die eens komen zal, is duizend jaar
als de dag van gisteren, als een droom,
altijd duurt die boze droom nog voort,
roept het bloed van Abel van de aarde,
wordt de stem in Rama weer gehoord,
altijd weer hetzelfde. Rachel weent
om haar kinderen die niet meer zijn.
En daar blijft mijn ongeloof bij staan,
dat ik net als Thomas telkens twijfel,
enkel in Zijn wonden Hem herken.'
(Uit: Verzamelde Gedichten, Baarn 1989, blz. 186.)
Koole geeft aan dat er in de kerk wel degelijk aandacht aan deze vragen wordt gegeven in prediking en pastoraat. Vooral omdat de Schrift er zelf ook van getuigt hoe de grote en verheven God Zich nochtans inlaat met de kleine en nietige mens.
'De allesomvattendheid van Gods aandacht voor ons menselijk leven wordt wel op bijzondere wijze beschreven en bezongen in psalm 139. "Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Uw ogen zagen mijn vormeloos begin; in uw boek waren ze alle opgeschreven, de dagen die geformeerd zouden worden, toen nog geen daarvan bestond." Vanaf het begin tot het einde van ons leven binnen Gods waarneming en aandacht, geen levend schepsel op deze planeet uitgezonderd, het is bijna niet te geloven. Als ik er zelf over nadenk, er met anderen over spreek of erop aangesproken word, grijp en verwijs ik graag naar de monumentale woorden die Paulus op de Areopagus tot de mannen van Athene sprak. "De God die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt en laat zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslaclit gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij... "
Dit woord voor waar en het voor vast en zeker voorhouden aan degene die je erop bevraagt, is niet eenvoudig bij het zien van de door honger uitgemergelde lichamen in een derde-wereldland; er houvast aan hebben bij de aanblik van honderden lijken van neergeschoten mensen langs de weg, er troost uit putten als de kanker in eigen land naar het cijfer 1 op 4 lijkt te gaan, er verwachting voor de toekomst uit overhouden in een samenleving, waarin de zondigheid van de mens steeds sneller naar het punt van volgroeidheid lijkt toe te gaan, het is allemaal niet vanzelfsprekend. Het blijft in deze dingen ook voor ons zoeken en tasten.'
Inderdaad, zoeken en tasten. En tegelijk temidden van de vaak chaotische werkelijkheid vasthouden aan de bijbelse belijdenis dat onze tijden in Gods hand zijn, hoe aangevochten en bestreden dit belijden soms is. Enkel in Jezus' wonden herkennen we Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's