De zielszorg
Zielszorg in gereformeerde zin (2)
1. Wat verstaan we onder zielszorg?
Ik meen dat je zielszorg - kort gezegd - het best kunt omschrijven als: 'elkaar als gelovigen bijstaan om te leven in deze wereld met het oog op Gods grote toekomst'.
Die zorg is dus in de eerste plaats een taak van de gemeente als geheel.
Daarbij gaat het er dan om dat een christen zijn leven leeft voor Gods aangezicht, in feitelijke onderwerping aan Hem, en in volkomen afhankelijkheid van Hem.
'Ieder die in oprechte zorg voor zijn naasteĀ persoonlijk spreekt met die ander, met zijn vriend of zijn vriendin, zijn echtgenoot of zijn kind, zijn collega of zijn ondergeschikte, zijn buurman of zijn speelgenoot, zijn medelid in vereniging of club, zijn medewerker in maatschappelijk werk of kerkenwerk, is bezig zielszorg aan die ander uit te oefenen. Die zielszorg is soms zeer indirect, soms oppervlakkig, als het slechts met het uiterlijk gedrag van de ander te maken heeft. Soms is die zielszorg zeer diepgaand, als het de wortel van het christenleven raakt' (P. J. Roscam Abbink).
Als het goed is, geschiedt deze vorm van zielszorg op velerlei wijzen binnen de gemeente.
Zo is de gemeente het Lichaam van Christus met de vele leden die elkaar gegeven zijn, in het bijzonder met het oog op de zwakke leden. Het gaat erom dat mensen voor het eerst of opnieuw de weg van de Heere God gaan. Altijd staat de zielszorg in het teken van de liefde zoals de apostel Paulus dat laat zien in 2 Cor. 5 : 'De liefde van Christus dringt ons'. In dat licht van de liefde wordt in alle omstandigheden duidelijk dat het in de zielszorg gaat om het eeuwig welzijn van hen die op onze levensweg komen; aan onze ambtelijke zorg worden toevertrouwd. De insteek daarvoor kan met de meest alledaagse dingen te maken hebben. Zaken die wij misschien niet eens 'geestelijk genoeg' vinden.
2. Een variant op professionele hulp?
Iemand vroeg mij: moet de gemeente soms over gaan doen - of 'beter' gaan doen - wat anderen ook al doen. Nee, het is niet een kwestie van 'over-doen' of 'beterdoen'. Integendeel.
Want de gemeente heeft meestal niets in huis aan de zo nodige deskundigheid. Versta mij dus goed dat ik hier niet pleit voor het afschaffen van allerlei goed werkende vormen van professionele hulpverlening.
Ik pleit voor het er-zijn-voor-de-ander-binnen en vanuit de christelijke gemeente.
De 'nieuwe nood' biedt daarvoor vele openingen. Met weinig pretenties, zonder opdringerigheid kunnen we veel meer er-dienend-zijn-voor-de-ander.
Te snel en teveel wordt een beroep gedaan op wat wij professionele hulp zijn gaan noemen. Er kan binnen de gemeente veel meer worden gedaan dan wij voor mogelijk houden.
3. Zielszorg en de kern van Christus' werk.
De boodschap mag doorgegeven worden dat er Een is die voor je instaat. Christus is gekomen om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen (Mark. 10 : 45).
We vatten de betekenis van Zijn persoon en werk wel samen als 'de dienst (diakonia) van de verzoening'.
De verzoening is het hart, de kern van Zijn heelmakende werk. Dat betekent immers Zijn Naam Jezus: Zaligmaker van zonden. 'Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden' (Matth. 1 : 21).
Hij is de Heiland: Hij die heel maakt wat door de zonde en haar gevolgen verbroken is. Daarmee bedoel ik de breuk tussen God en mens met als gevolg de breuken in de schepping, de breuken tussen mensen onderling en de beschadigingen in het innerlijk van mensen.
Het heilswerk van de Heere God door Christus heeft met al die 'breuken' te maken. Door Hem is er verzoening met God; ook worden verbroken relaties tussen mensen in Christus' Naam geheeld, verzoend.
'Wie in Christus is, is een nieuw schepsel' (2 Kor. 5:17).
Deze nieuwe schepping krijgt ook nu al enige vorm, overal waar de diakonia der verzoening plaatsvindt, waar tekenen van genezing, heling, vergeving verwacht mogen worden.
4. Zielszorg is concreet werk
'Gelijk Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u' (Joh. 20 : 21), zo zegt Jezus tot Zijn discipelen. De discipelen, en wij met hen, worden betrokken in Zijn dienst der verzoening. Maar: dienen is concreet. De dienst van Christus in de wereld is concreet.
Zijn heelmakende werk vanuit de verzoening krijgt o.a. gestalte in de persoonlijke heling van het psychische, maatschappelijke of relationeel geschonden leven.
We zien in de Bijbel hoe de dienst van de verzoening door Christus mensen ook innerlijk en uiterlijk heelt, geneest, reinigt.
Ik verwijs naar de Samaritaanse vrouw (Joh. 4), Maria Magdalena, de bezetene (Mark. 5 : 1-20).
De machten van het kwaad verwoesten het leven; zo heelt omgekeerd Christus' dienst de mens.
Dat gebeurt daar waar Christus' werk gekend wordt. 'Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven en opgewekt is' (2 Kor. 5 : 15).
Dat leven voor Hem mag er zijn in de gemeente.
Van daaruit heeft zielszorg ook de noties in zich van: er-zijn, trouw blijven, bijstand geven, vergezellen, ondersteunen, ten dienste van de ander aanwezig zijn.
De gemeente is dus in Zijn Naam geroepen om de Heere Jezus present te stellen temidden van mensen die in nood zijn.
De zielszorg en de bijzondere ambten
1. Het ontstaan van de ambten
Dat de gemeente zorg heeft voor een gemeentelid - en allen wie op haar weg worden gebracht - , komt het meest nadrukkelijk tot uiting in het werk van de ambtsdragers.
In het N.T. zien we hoe het werk van de Heere Jezus, de Grote Leraar en Herder uitwaaiert over de verschillende ambten.
Hij is de grote Profeet, Hogepriester en Koning.
In de Gereformeerde traditie is altijd gesteld: Vanuit Jezus Christus gaat Zijn bediening naar de predikant (profeet), de ouderling (koning) en de diaken (priester). Deze - je zou bijna zeggen gevestigde orde - was er niet bij de eerste gemeente. Vanuit de omgang met de Heere Jezus hebben toen de apostelen - samen met de heidenapostel Paulus - het werk gedaan.
Daar zijn profeten bij gekomen (denk aan Agabus).
Daar zijn evangelisten gekomen als medewerkers van de apostelen. In de plaatselijke situatie gaf de Heere de ambten van: ouderlingen, opzieners en diakenen.
Daarbij is duidelijk dat aan het herder-en leraar-zijn vooraf is gegaan het ambt van ouderling en diaken. In een latere fase heeft het ambt van ouderling zijn verbijzondering gekregen.
2. Ambten en de Grote Ambtsdrager
Ik zei dat je zielszorg - kort gezegd - het best kunt omschrijven als: 'elkaar als gelovigen bijstaan om te leven in deze wereld met het oog op Gods grote toekomst'. Een ander woord voor zielszorg is herderlijke zorg.
Het moge duidelijk zijn dat deze herderlijke zorg dient te staan in het teken van de Grote en de Goede Herder der schapen.
Hij heeft laten zien wat het betekent om met innerlijke ontferming bewogen te zijn over hen die zonder herder zijn.
Bewogen. Bewogen-zijn wil eigenlijk zeggen: jij gaat mij aan.
Jij gaat mij ook langer dan twee of drie gesprekken aan....
Bewogen-zijn wil zeggen: elkaar bijstaan, gaandeweg, om de weg naar de Heere God toe open te houden. Om doorzicht te houden, om te helpen keuzes te maken, verliezen te verwerken, ziekte, ouder worden en dood onder ogen te zien.
Dat vraagt een warm hart van predikanten, ouderlingen en diakenen.
Een warm hart voor de Heere en Zijn dienst. Wat is het dan volstrekt nodig dat - waar we tot een van deze ambten geroepen zijn - de stem van de Goede Herder kennen. Zielszorg is niet mogelijk daar waar we zelf niet eerst een schaap van de Goede Herder geworden zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's