De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het dogma in prediking en geloofspraktijk (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het dogma in prediking en geloofspraktijk (1)

Lezing jaarvergadering Gereformeerde Bond

12 minuten leestijd

Genade alleen

Laat ik beginnen met een sterfbed-verslag.

Het betreft Augustinus. Hij was een theoloog van weergaloos formaat, aan wie een rijkdom aan denkkracht was geschonken. Hij stierf echter als een arme van geest, louter op genade aangewezen. Hoor maar hoe het levenseinde van de kerkvader was, de man die 35 jaar bisschop was geweest, een honderdtal boeken op zijn naam had staan en zo'n 6000 preken had gehouden. In augustus van het jaar 430 voelde hij zijn einde naderen. Hij was bijna 76 jaar oud, opgebrand in de dienst van zijn God.

En weet u wat zijn verzoek was, toen hij het bed niet meer verlaten kon? Hij vroeg zijn vrienden de zeven boetepsalmen over te schrijven en de beschreven vellen aan de wanden van de ziekenkamer op te hangen, zodat hij die vanaf zijn bed kon lezen. Dit laatste deed hij voortdurend, onder tranen en gebed. Om hierin niet te worden gestoord, verzocht hij tien dagen voor zijn dood, hem alleen te laten. Slechts de artsen die hem behandelden en het personeel dat hem voedsel bracht, mochten worden toegelaten. Men respecteerde die wens.

Zo lag de doctor gratiae (genadeleraar) tien dagen en nachten alleen met God en zijn ziel (A. Sizoo, Het leven van Augustinus). Al lang geleden - kort na zijn bekering - had de kerkvader, die veelweter met zijn ontembare honger naar kennis, het geschreven: 'God en de ziel wil ik kennen.

Verder niets? Nee, verder in het geheel niets!' Daar cirkelde zijn leven blijkbaar om. En nu, na heel die overrijke, geleerde en godvruchtige loopbaan, nu restte hem niets anders dan de woorden van de boetepsalmen. Om er iets van te noemen: 'O Heere, straf mij niet in Uw toorn' (Ps. 6). 'Welgelukzalig wiens overtreding is vergeven, wiens zonde is bedekt' (Ps. 32). 'Wees mij genadig, o God, naar Uw barmhartigheid' (Ps. 51). 'Uit de diepten roep ik tot U... Maar bij U is vergeving' (Ps. 130). Zo las en bad hij dagen lang de boetepsalmen, alle zeven. Het verhaal gaat dat men luisterend aan de deur van zijn sterfkamer, menig keer het woord peccavi opving: ik heb gezondigd!

Het doet me denken aan een getuigenis dat me kortgeleden over de in januari overleden dogmaticus G. C. Berkouwer onder ogen kwam. Aan het adres van een van zijn vrienden citeerde hij ooit de ontroerende regels van Gezelle: 'Heer, mijn hart is boos en schuldig, maar Gij zijt barmhartig, en duizend malen meer verduldig dan ik boosaardig ben'. Klaarblijkelijk ligt ook voor grote theologen het houvast niet in hun dogmatische kennis, maar in genade alleen. Mensen voor wie de doordenking van het dogma en de doctrina van de kerk geen hobby, maar een passie is, staan als het erop aankomt evenzeer met lege handen en een verlegen hart als de simpelste christenmens die dogmatisch ongeschoold is.

Waar het me thans om gaat is het volgende. Als de zaak er nu zó voorstaat, dringt zich dan de vraag niet op, wat de zin en noodzaak is van dogma en kerkleer? Is heel die vaak ingewikkelde en problematische bezinning op de leerstellige verbanden van het "klare" Woord van God wel gewenst en geboden? Of is ze op de keper beschouwd overbodig en wellicht verboden? Het is deze kwestie die ik met u onder ogen wil zien.

Ondogmatisch christendom?

Er is in het verleden niet zelden gepleit voor een ondogmatisch christendom. Het dogma zou aan het Evangelie vreemd zijn; het zou de boodschap ervan maar verduisteren of versluieren in plaats van verhelderen. Prediking en geloofsleven kunnen dus beter zonder. Deze geluiden zijn niet verstomd. De motieven achter zo'n kritische distantie tot het dogma zijn verscheiden. Ik noem er drie, en ik begin met een motief dat denkelijk het verst van ons afstaat, en zal er vervolgens twee vermelden die me meer herkenbaar lijken.

Praktisch

Het eerste motief is dat christendom en dogma elkaar daarom uitsluiten, omdat het christendom een praktische godsdienst zou zijn. Het is geen zaak' van denken en formuleren, maar van doen en dienen. Een preek moet dan ook, als ze al zin heeft, toerusting en inspiratie bieden om het leven van alledag in te richten naar het model van Jezus. Dogmatische stellingen en overwegingen zouden maar theoretische stoorzenders zijn, die de levensechte eenvoud en toepasbaarheid van de boodschap onnodig vervormen en schaden.

Bij het tweede motief waait de wind uit een andere hoek, nl. die van de verinnerlijking. Daarbij gaat het eveneens om de praktijk, maar nu om de praktijk van de subjectieve ervaring. Preken moeten beschrijven en ook voorschrijven wat er in het binnenste van de vrome omgaat. Inmenging van het dogma zou een voorwerpelijke en daarom verwerpelijke inbreuk zijn op de innigheid van de beleving, die zich voltrekt in de gewijde ruimte van de ziel. Het dogma zou deze ruimte maar ontwijden.

Het derde motief is weer van andere aard. Het komt uit het kamp van de wetenschappelijke exegese. Preken zou louter berusten op accurate uitleg van de Bijbelse grondtekst en zijn historische context. Die tekst moet correct worden verklaard in zijn oorspronkelijke betekenis en zinvol worden toegepast in zijn actuele bedoeling. De vraag hoe die ene tekst of pericoop zich verhoudt tot het geheel van de Godsopenbaring wordt met achterdocht bejegend, uit angst voor een zogeheten dogmatische exegese, waarbij men van te voren al weet wat er staat, of liever: wat er behoort te staan.

De motieven bevatten alle drie waarheidselementen. Wie immers zou willen ontkennen dat de prediking een bron van inspiratie heeft te zijn voor het dagelijks christenbestaan in huwelijk en gezin, in de klas en in de kas, in de staat en op de straat, in de kerk en in de kantine, op het werk en in de vrije tijd? Of wie zou willen afdingen op de noodzaak van persoonlijkbevindelijke leiding in de veelkleurigheid van de geloofservaring met haar boete en bevrijding, haar aanvechting en uitredding, haar vrees en verrukking? Om over de onopgeefbare voorwaarde van zorgvuldige exegese maar te zwijgen! Daarover hoeft geen discussie te zijn. Maar: zodra deze elementen worden uitgespeeld tegen de zin van het dogma, dus wanneer het dogma zijn waarde wordt ontzegd, vindt er een kortsluiting plaats die even naïef als gevaarlijk is. Naïef, omdat het een fictie moet heten dat men de Bijbelse boodschap praktisch of bevindelijk of exegetisch verantwoord zou kunnen vertolken zónder dogmatische vooronderstellingen. Een vertolker kan desnoods zijn dogmatische handboeken van de hand doen en zelfs de kerkelijke confessies bij het antiek plaatsen, maar hij brengt zonder mankeren altijd en overal zijn eigen aard, komaf, gevoelen, scholing en context mee. Zijn pretentie van anti-leerstelligheid blijkt in werkelijkheid niets anders te zijn dan de vooringenomenheid van eigen inzicht.

Deze naïviteit is gevaarlijker naarmate men zich er niet van bewust is. Om de eenvoudige reden dat men voorheeft - èn voorgeeft - in de prediking objectief-Bijbelse informatie te verschaffen, terwijl men de gemeente in feite een subjectiefbepaalde uitleg opdist. Wanneer men consequent was, zou men volstaan met een Bijbelgedeelte letterlijk voor te lezen. Maar dat doet men niet. Terecht, want dan hield men zich niet langer bezig met preken. Wie preekt, vertolkt. En wie vertolkt, doet dat m.b.v. grondovertuigingen. Daarbij staat men voor de keuze: of deze overtuigingen te ontlenen aan eigen beperkte willekeur, ofwel aan de samenhang van de Godsopenbaring. Het eerste is vermetel en eigenzinnig, het tweede gelovig en bescheiden. En het is nu juist deze laatstgenoemde keuze die wij doen, wanneer wij het dogma respecteren. Ik geloof dus niet dat het dogma slechts onnodige ballast zou zijn, die de vaart van het schip der kerk bemoeilijkt, maar, integendeel, dat de kerk zonder deze lading de nodige diepgang verliest en een speelbal van de wind zal blijken (H. J. Iwand). Laat ik deze stelling pogen toe te lichten.

Het dogma

Ik noemde de drie modellen met hun pleidooi voor een ondogmatisch christendom ten eerste onnozel en ten tweede riskant. Ik voeg er een derde beoordeling aan toe.

Ze zijn tevens onbillijk. Want ze werken alle drie met een onzuivere opvatting over de plaats van het dogma, als zou deze de prediking en de geloofspraktijk van hun oorsprong vervreemden. Maar op die manier doet men het dogma geen recht. Wat immers is onder de positie en de functie van het kerkelijk dogma te verstaan ?

We zouden die stellig overschatten door het dogma te beschouwen als de broedplaats van de kerk. Dat is het niet. De kerk is niet uit het dogma geboren, maar uit de prediking. Het apostolisch Evangelie deed naar de opdracht en belofte van de Heiland zijn hartveroverend werk, begonnen bij leruzalem, voortstuwend naar de einden der aarde. Deze prediking in betoon van Geest en kracht leidde tot geloof en schiep de kerk, als creatura verbi (schepping van het Woord). Dat geloof nestelt zich inwaarts in het hart. Maar zoals elke binnenkant een buitenkant heeft, zo ook hier. Romeinen 10 laat dit duidelijk zien: e apostel maakt daar niet alleen gewag van het geloof met het hart, maar ook van het belijden met de mond. Tot dit belijden werd Petrus al opgeroepen: Wie zegt gij, dat Ik ben? ' En Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God' (Mt. 16 : 16). De ontmoeting met Christus en Diens Woord wekt dus geloof, maar dit in het hart verborgen geloof vraagt om openbaarheid in de vorm van het belijden.

Prediking en belijden verhouden zich als klank en weerklank. Die belijdende weerklank op de roep van het Evangelie is echter meer dan louter persoonlijke bijval. Deze bijval wordt op zijn beurt eveneens Evangelie-klank, prediking die wil uitzeggen en uitleggen, getuigen en werven.

Zulk belijden had en heeft vooral iets van een lofzang, zoals Calvijn het graag zei. De kerk maakt er God getuigend in groot.

Maar tevens wil zij er de inhoud van het christelijk geloof mee beschermen tegen misverstanden en vertekening binnen eigen gelederen, en verdedigen tegen aantijgingen en afwijzing van buitenaf. Zo groeide Petrus' bondige belijdenis - o.i.v. zowel binnen-als buitenkerkelijke factoren - uit tot trinitarische symbolen (belijdenisgeschriften), het Apostolicum, het Nicaenum (eig. het Nicaeno-Constantinopolitanum!) en het Athanasium, waarin werd beleden dat het heil gelegen is in de gedachten en daden van de drieënige God.

Men moet er de wervende verwondering in horen ademen. Gemeenschappelijk beleed men: dit hebben wij in de Schriften verstaan en omhelsd, als een schat van weergaloze waardij, en aller aanneming waardig! Men kan er óók de onverdraagzame exclusiviteit in horen klinken: zó hebben wij het in de Schriften ontvangen, en niet anders!

Op deze manier dragen de symbolen niet alleen een samenbindend, maar ook een bindend karakter. Ze sluiten in, maar ook uit. De waarheid was immers in het geding, in haar katholiciteit en in haar uniciteit, ten overstaan van ketters binnen de kerk en van critici buiten de kerk. Dat de kerk deze bedijking aanlegde, dient men niet te brandmerken als een verwettelijking van de Evangelische leer. De drijifveer was veeleer door en door evangelisch van aard, geheel in overeenstemming met de Goede Boodschap. Deze Boodschap van de drieënige God had de kerk verstaan als onvervangbare waarheid, zoals haar die in de ene naam van Jezus Christus, God de Zoon, was overgeleverd. Haar eenkennigheid was voluit heilsmatig: in Hem alle heil, buiten Hem geen zaligheid! In het dogma nu werd dit heilzaam-bindende karakter van de overgeleverde leer kernachtig op formule gebracht. Daarin sprak de belijdende kerk uit, wat als waarheid heeft te gelden voor prediking en geloof. Van Ruler noemt de bepalingen van het dogma 'bakens in zee'. 'Ze wijzen de vaargeul aan. Dat wil zeggen: ze wijzen de zandbanken en de klippen aan. Wie zich niet aan de bakens houdt, kan zo maar vast komen te zitten en zich te pletter lopen.

De beeldspraak uitgelegd: de zandbanken en de klippen zijn de ketterijen. Ze zitten onder water. Voor men er erg in heeft, loopt men er op' (Theologisch werk, I, 94).

Laat het inmiddels duidelijk zijn dat deze dogmavorming geen aanspraak maakte op oorspronkelijkheid. Het tegendeel is het geval. Hoezeer de kerk ook met al de haar geschonken creativiteit en tijdgevoeligheid tastend zocht naar juiste formuleringen, het ging haar niet om vertoon van vindingrijkheid. Zij wilde slechts in samengebalde vorm rekenschap afleggen van wat zij uit de Schrift omtrent de Vader, de Zoon en de Heilige Geest had ver­ nomen. Al ging daarmee een massa denkwerk, reflectie en overleg gepaard, zij bedoelde niet anders te bieden dan een getuigende vertolking van de christelijke waarheid. Toen de kerk in haar dogma belijnd en samenvattend zei waar het op staat en wat onomstotelijke geldingskracht bezit, kwam dat qua formulering weliswaar niet rechtstreeks uit de Bijbel, maar wist zij de inhoud ervan toch door de Bijbel opgedrongen. Daarin ontmoette zij immers Christus nu eens als God en dan weer als mens; daar hoorde zij van de ene God, maar ook van de Vader als God, van de Zoon als God en van de Geest als God.

Wat zij in het dogma nu deed, was een gehoorzame poging om de diverse Schriftgegevens, die elkaar ogenschijnlijk uitsluiten, in hun diepe samenhang en eenheid te eerbiedigen. Met losse teksten kon men vele kanten uit. Elke ketter heeft immers zijn letter en elke dweper zijn woordjes.

Maar de kerk zei: wij hebben het Woord, en dit Woord spreekt zichzelf niet tegen, maar legt zichzelf uit, mits wij het uit laten spreken. In een volgende aflevering wil ik hierop verder ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1996

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Het dogma in prediking en geloofspraktijk (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1996

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's