Dogma en canon
Het dogma in prediking en geloofspraktijk (2)
In ons vorige artikel zagen we dat het dogma ten diepste niets anders beoogde dan de hele Schrift in haar samenhang te eerbiedigen. Hiermee is gezegd dat het kerkelijk dogma geen gezag opeist voor zichzelf, maar voor het Woord van God. Achter deze gedachte schuilt natuurlijk een overtuiging. Zij is van vérstrekkende betekenis, namelijk dat het criterium van het rechte christengeloof niet is gelegen in geïsoleerde Schriftteksten of - fragmenten, maar in de eenheid van Gods bijzondere openbaring in de Heilige Schrift. Op het proces van de canonvorming ga ik hier niet in. Ik volsta met de opmerking dat die, zoals bekend, niet berustte op een selectie van de kerk, waarmee zij haar subjectieve voorkeur voor bepaalde Bijbelboeken uitsprak, maar op het geestelijk gezag dat die boeken zelf onweerstaanbaar in zich droegen. De stelling valt te verdedigen dat de canon niet is gemaakt, maar is gegeven. Zij diende zich aan. En al bestond er over sommige Bijbelboeken geruime tijd aarzeling, de geldingskracht van de Tenach en de apostolische geschriften drong tot erkenning.
In deze erkenning van de canoniciteit van een vast getal aan Bijbelboeken is de aanleiding, de grond en de grens van confessie en dogmavorming gelegen. Zij ging als grondbelijdenis aan het dogma vooraf, in die zin dat de kerk ermee beleed dat deze 66 boeken, uit verschillende tijden en van verscheiden hand, in al hun diversiteit ons het ene beslissende Godswoord betuigen. Men voelt de spanning: veelheid en toch eenheid! Onvermijdelijk leidde dit tot de vraag waarin dan die eenheid bestaat en wat nu het ene ondeelbare middelpunt is waar al de lijnen samenkomen. De kerk zou geen christelijke kerk zijn geweest, als ze niet had geantwoord: dat is Christus. De kern van de canon is niet een theorie, maar een Persoon..
Inhoud van het dogma
Hiermee was echter nog niet de vraag beantwoord wie deze Christus precies was. In de Schriften komt Hij op ons toe als een levensecht mens; wat is immers menselijker dan geboren worden, lijden en sterven? Maar tevens openbaart Hij zich daarin als God de Zoon, het eeuwige Woord, door Wie de Vader alle dingen heeft gemaakt, en in Wie al Gods volheid woont (Joh.1, Kol.1, Hebr.1). Zonder te vergeten dat in de dogmavorming ook kardinale uitspraken vielen over God de Vader als Schepper en over God de Heilige Geest Die Heere is en levend maakt, mag toch worden gezegd dat de diverse grote oecumenische concilies, waar de dogma's van Gods drie-eenheid en van Christus' tweenaturen werden gesmeed, zich eigenlijk in hoofdzaak met déze vraag bezig hielden: hoe verhoudt zich Christus tot God, en hoe verhouden zich in Christus het goddelijke en het menselijke tot elkaar (zie vooral C. Graafland, Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Over de Persoon van Jezus Christus)! Toen nu de kerk daarop gedurende de vierde en de vijfde eeuw (m.n. Nicea 325, Constantinopel 381, Chalcedon 451) ten antwoord gaf, dat Christus eenswezens is met de Vader, dat er trinitarisch dient te worden gesproken van één Wezen en drie Personen, en dat Christus zowel waarlijk God als waarlijk mens is, matigde zij zich daarmee niet aan, het geheimenis te doorgronden en doorzichtig te maken, maar eerbiedigde zij een paradoxale werkelijkheid die alle verstand te boven gaat. Bekend is Augustinus' bescheidenheid inzake de kwaliteit van de formuleringen in het trinitarisch dogma: 'Wij zeggen dit om niet geheel te zwijgen'!
Waarom zweeg men dan niet liever? Omdat de canon noopte tot spreken. Want wie weigert de Bijbel te versnipperen tot een onsamenhangend veelvoud van afzonderlijke berichten, en wie belijdt daarin met één samenhangend Godswoord van doen te hebben, die zoekt in dogmatische bezinning naar de verbanden en grondlijnen van die ene boodschap. Niet uit lust tot rationele doorzichtigheid, maar vanuit de roeping om het Evangelie ongeschonden te bewaren en evenwichtig te vertolken. Toegesneden op de beide fundamentele dogma's uit de Vroege Kerk betekent dit ten eerste, de afwijzing van een Godsleer die slechts de Vader als God erkent, zonder de Zoon en de Heilige Geest in deze goddelijkheid te laten delen, en ten tweede, de verwerping van iedere christologie die Christus slechts als God of slechts als mens beschouwt. Het dogma brandmerkt deze schijnoplossingen als ketterij. Zoals de meeste ketterijen berusten zij op een versimpeling van het Evangelie, op een ongepaste opheffing van de paradox, die het geheimenis van God in Christus eigen is (vgl. W. Aalders, Antwoord op de Godsverduistering, 154). Het dogma handhaaft de spanning van de paradox, hoe ontoegankelijk deze voor de rede ook is: God is één en toch drievuldig; Christus is God, en toch ook voluit mens.
Reformatie en dogma
Hoe nu ging de Reformatie met het oudkerkelijk dogma om? Men kan beginnen met te constateren dat zij dit dogma volledig onderschreef. Maar er is ook reden om te stellen dat zij het heeft uitgewerkt en toegespitst. Kenmerkend voor de reformatorische beweging mag wel heten de zienswijze dat het heil uitsluitend op genade berust, zonder enige tegemoetkoming van 's mensen kant. Ofschoon zij hiermee de hoofdstroom van de rooms-katholieke traditie weersprak en vastberaden stelling nam tegen de verbastering van de genadeleer in de Romana, dient toch niet over het hoofd te worden gezien dat de reformatorische genadeleer geen vondst is van de hervormers, maar diep verankerd ligt in de geschriften van de (latere) Augustinus.
Weliswaar hebben de sporen van diens genadeleer in de augustijnse traditie van de Middeleeuwen niet geheel ontbroken, maar het is toch met name Luther geweest die haar herontdekte en vruchtbaar maakte in de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen.'
Wat ik nu zou willen onderstrepen is het feit dat deze vrije-genadeleer rechtstreeks samenhangt met het trinitarisch en christologisch dogma. Wanneer immers wordt beleden dat onze zaligheid God zelf zozeer ter harte ging, dat Hij Zijn Eniggeborene niet spaarde, maar Hem neer deed dalen in ons menselijke vlees, om de doodschuld te dragen, de doodsmacht te overweldigen en ons dit heil van het verzoende leven toe te eigenen door Zijn Geest, dan is iedere verdienstelijke bijdrage onzerzijds achterhaald. Vooral het aandeel van de Heilige Geest is in de Reformatie van uitzonderlijk gewicht. J. Koopmans heeft in zijn dissertatie (Het oudkerkelijk dogma in de Reformatie, bepaaldelijk bij Calvijn, 1938) betoogd, dat dogmahistorisch gesproken de betekenis van de Reformatie gelegen is in de herontdekking en uitwerking van de leer omtrent de Heilige Geest. Naar zijn oordeel hebben eerst de reformatoren aan het dogma van de Heilige Geest althans volkomen recht doen wedervaren. Of dit wellicht te boud gesproken is, kan ik inzake de kerkvaders niet beoordelen. Feit is dat naar reformatorisch besef het heil compleet aan God-drie-enig toe te schrijven is.
De Vader nam het ter hand, de Zoon bracht het tot stand en de Geest schept de geloofsband. Met dit laatste is gezegd dat niet alleen het initiatief en de verwerving van ons behoud bij God berusten, maar ook de toepassing ervan. Deze toe-eigening door het geloof hangt niet af van onze gewilligheid en ontvankelijkheid. Dat is uitgesloten, om de "eenvoudige" reden dat die ten enenmale ontbreken. Het is ook overbodig, omdat God op onze afkerigheid volledig is berekend. Hij is driemaal God. Ten eerste als de gewillige Vader, Wiens welbehagen het is om in de toom aan Zijn ontferming te denken. Ten tweede als de offerbereide Zoon, Die in ons menselijke vlees de rekening van onze zonde heeft vereffend. Ten derde als de wederbarende Geest, Die ons van God vervreemde hart herschept door het aan Christus te hechten. Het is dus niet onze gelovige keuze, evenmin ons behoeftige gebed die de beslissende brug slaat naar het heil in Christus. Het is veeleer God Zelf, als de Heilige Geest, Die de laatste hand slaat aan de redding van ons verloren leven, door het radicaal - d.w.z. in de wortel - te veranderen. Veranderde mensen zijn dan ook mensen die van een Ander - van Christus - zijn geworden. Heilshistorisch waren ze reeds van Hem in Zijn geboorte, leven, lijden, sterven en verrijzenis; Hij droeg hen immers in het hart. Heilsordelijk worden zij het, wanneer de Geest dit Christusgebeuren toe-eigent door het geloof.
Dit geloof voegt aan het heil dus niet iets toe. Dat heeft de Reformatie met het sola fide nooit bedoeld. Wat ze ermee beoogde was veeleer elke menselijke toevoeging uit te sluiten. Sola fide betekent dan ook niets meer en niets minder dan de bevestiging van het sola gratia en het solo Christo. In de eerste plaats omdat het geloof niet bewerkend van aard is, maar louter ontvangend; het ontvangt wat Christus door genade verwierf en uitreikt. In de tweede plaats omdat ook dit ontvangen zelf niet op eigen kracht berust, maar op de wederbarende overmacht van Christus' Geest, zodat wij weten met het hart de dingen die ons van God geschonken zijn (1 Kor.2). Zo bevestigen de reformatorische wachtwoorden sola gratia en sola fide met kracht het oudkerkelijk dogma, dat in Christus God Zelf verscheen en dat Hij om onze zaligheid werkelijk mens geworden is en dat het de Geest is die levend maakt.
Het valt daarbij niet moeilijk om in de leer der Reformatie óók de grondovertuiging terug te vinden, dat de canon in dit alles de enige maatstaf is. Dit beleed zij immers in die andere slagzin: sola Scriptura. Alleen, zo ergens van een reformatorische radicalisering sprake was, dan hier. Want terwijl globaal gesproken in de traditie van de Romana de norm van de Schrift werd geflankeerd en vaak gedomineerd door het gezag van de paus en de kerkelijke overlevering - al kwamen kritische tegenstemmen nooit tot zwijgen - , legde de Reformatie de volle nadruk op het solagezag van de Schrift. Daarin alleen wist zij bron en norm voor prediking, confessie, dogma en geloof gelegen. Maar meteen moet duidelijk zijn dat zij met dit wachtwoord niet wilde verhelen dat het dogma - juist omdat het in zichzelf niet normatief was, maar aan de Schrift ontsprongen - een legitieme en onontbeerlijke leesregel vormde bij het verstaan en vertolken van de Schrift.
In overeenstemming met de titel van ons verhaal wil ik in een derde en laatste artikel ingaan op de consequenties die deze optiek heeft voor prediking en geloofsleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1996
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1996
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's