De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Lezen en verstaan

In de bestseller van de Amerikaanse schrijfster Donna Tartt 'De verborgen geschiedenis' (binnen drie jaar méér dan dertig drukken!) maakt iemand de opmerking dat de Divina Commedia van Dante onbegrijpelijk is voor iemand die geen christen is. 'Als je Dante wilt lezen en begrijpen, dan moet je christen worden, al is het maar voor een paar uur' (blz. 185). Daar moest ik aan denken bij het lezen van de Reflexen van de hand van dr. J. de Gier in Theologia Reformata (jrg. 39, no. 2, juni 1996) onder het kopje Culturele armoede. Dr. De Gier signaleert in onze samenleving wat hij noemt 'maatschappelijke armoede' omdat velen zo ver weg zijn geraakt van een bijbels gestempelde visie op het leven. Maar er is nog een andere vorm van 'armoede'.

'Naast de maatschappelijke armoede, heeft het verdwijnen van de meest elementaire bijbelkennis en christelijke waarden nog een ander gevolg: culturele armoede. Onze West-Europese cultuur is voor een belangrijk deel gegrondvest op twee pijlers: de joods-christelijke, met de bijbel als voornaamste tekst, en de klassieke. De bagage aan bijbelkennis - bijbelse figuren, verhalen en grondlijnen - is bij vele leerlingen in het voortgezet onderwijs en studenten aan universiteit en in het HBO zó minimaal dat een groot deel van onze cultuurschat - schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur - ontoegankelijk dreigt te worden, ja dat veelal reeds is. Vragen als: 'Discipelen, wat zijn dat? ' en 'Wat zijn aartsvaders? ' zijn geen zeldzaamheid meer Ik las ergens dat in Nederland minstens de helft van de bevolking geen flauw benul meer heeft bij welk bijbelverhaal het paasfeest hoort en een hoogleraar vertelde onlangs dat een student middeleeuwse letteren hem vroeg: 'Ik weet wel zo ongeveer wat met God en Jezus wordt bedoeld, maar wie is Christus eigenlijk? ' De hoogleraar dacht dat hij beetgenomen werd, maar de vraag was bloedserieus.

Een dramatische ontwikkeling. Voor velen van de huidige generatie jongeren raakt een aanzienlijk deel van de kunst der eeuwen buiten het gezichtsveld. Grote dichters uit het verleden - Vondel, Huygens, Revius - en uit onze eeuw - Martinus Nijhoff, Gerrit Achterberg, Ida Gerhardt - worden onverstaanbaar. Nadat de bijbel als geloofsboek teloor ging, volgde de teloorgang als cultuurboek.'

In het mei-nummer van Wapenveld uitte Kees Fens, tot voor kort hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen bijna bittere kritiek aan het adres van het paarse kabinet omdat het uit louter budgettaire overwegingen snijdt in het onderwijs van de geestelijke waarden van onze cultuur. In Nijmegen, aldus Fens, is de leerstoel voor oud-christelijk Latijn en Grieks gewoon verdwenen. Toch zijn er genoeg studenten binnen de letterenfaculteit die colleges over de bijbel zeer zouden toejuichen. Dr. De Gier meldt overigens dat er al jaren geleden universiteiten zijn gestart met cursussen 'kennis van de bijbel en christendom'.

Verder valt recent de aandacht op die de bijbel krijgt als unieke bron om kunstwerken te kunnen verstaan.

Ruimen en verdwijnen

Dr. De Gier vraagt in zijn Reflexen ook aandacht voor de in 1994 verschenen roman van de schrijver Nicolaas Matsier Gesloten huis. In de eigentijdse literatuur komen kerkverlating en geloofsafval meer dan eens aan de orde. In genoemd boek eveneens, zij het zeer summier maar juist daarom zo indringend. Matsier, pseudoniem van Tjit Reinsma, komt uit een gereformeerd gezin. Maar net als zijn generatiegenoten Maarten 't Hart en Maarten Biesheuvel en de al oudere Jan Wolkers, is hij daarvan weggegroeid. Er is één verschil: Matsier schopt niet tegen zijn gereformeerd verleden, maar de afrekening is er overigens niet minder diepgaand om.

'In 1994 verscheen Gesloten huis, wat betreft taalbehandeling, vormgeving en thematiek een knappe roman. Matsier is een schrijver van formaat. De hoofdpersoon - Tjit Reinsma! - in de sterk autobiografische roman, sluit het ouderlijk huis af na het overlijden van de laatste bewoner, zijn moeder Daarmee sluit hij een levensperiode definitief af. Bij het 'ruimen' van het huis roepen voorwerpen allerlei herinneringen op. Zo komt de jeugdperiode in brokstukken boven, de jeugd in een gematigd gereformeerd gezin, eerst in Krommenie, daarna in Den Haag.

Op p. 62 staat in één zin de geloofsafval beschreven, ingeleid door de omschrijving van 'het afschaffen van God':

God verwierp ik tijdens een pauze, in de derde klas van het's-Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium, in het gezelschap van Gerard.

En dat was het dan... In één zinnetje. Een criticus typeerde het raak: 'waarschijnlijk de kortste breuk met het gereformeerde geloof in de Nederlandse literatuurgeschiedenis'. God 'afschaffen': de formulering spreekt boekdelen. God is een voorwerp geworden. Een voorwerp kun je aanschaffen, je kunt het ook afschaffen, dat wil zeggen, wegdoen, buiten dienst stellen, afdanken. Vanaf het tijdstip van dat 'afschaffen' beschouwt Tjit zich als een 'ongelovige'. Hij heeft 'een streep gezet (...) onder het restant van een opvoeding'. Hij evolueerde tot een 'logisch-positivist', die alleen rekening houdt met wat de zintuigen kunnen waarnemen.

Wat bewoog Matsier tot die stap? In interviews wees hij op twee factoren: de culturele en levensbeschouwelijke blikverbreding op het gymnasium èn de geloofsbeleving thuis die - in zijn ogen - gekenmerkt was door strakke patronen in denken en handelen die vastigheid moesten geven, leidend tot het angstig vermijden van discussies en het stellen van vragen. Met wat hij noemt 'het vreselijke schema van zonde, schuld en genade' kon hij niet uit de voeten. Drie dingen vallen mij hierin op. Allereerst het grote belang van positief-christelijk onderwijs, ook na de basisschool. Blikverbreding is goed en onmisbaar, maar als daarbij het bijbels fundament wordt weggeslagen, dan is er iets goed fout. Uiteraard kan ik over het gymnasium van Matsier in de jaren vijftig niet oordelen. Het is naar mijn idee ook fout als in een gezin geen discussie kan plaatsvinden. De bijbel bevat wel het 'profefische woord dat zeer vast is', maar geeft niet direct pasklare antwoorden op alle levensvragen en praktische problemen waarvoor wij in onze tijd worden geplaatst. In discussies met jongeren getuigt het van wijsheid als we ook eens durven te zeggen: 'Ik weet het niet' en 'De bijbel is daar niet duidelijk in'. De mond snoeren met clichés als: 'Daar praten we niet over' of 'Onze grootouders deden het ook al zo', lijkt me niet de juiste methode. In een interview zei Matsier: 'Mijn ouders waren gelovigen (...) die niet bij machte waren er buiten het gezang en de schriftlezing om iets over te zeggen'. Mocht dit waar zijn - we horen het hier maar van één kant - dan was dat geloofsleven toch wel erg povertjes. Ik heb de hier geciteerde pagina in Matsiers boek nog eens opgezocht. Hij beschrijft de ontspannenheid waarmee hij formeel afscheid nam van het idee waarmee hij groot was gebracht. Hij was in opleiding geweest voor gelovige, maar was het toch niet geworden. 'Het meest frapperende was de rustige ongeschoktheid waarmee ik een hendel leek te hebben overgehaald en het besluit had genomen tot een afwezigheid: ik had God afgeschaft.'

U zult u misschien afvragen waarom dat allemaal nu zo nodig in ons blad aan de orde moet komen. Omdat er naar een bekend woord van Miskotte zoveel 'nihilisten-in-spé' in de kerkbank en het catechisatielokaal zitten. Nicolaas Matsier zegt het zo: 'Vanaf nu zou er een ongelovige op school en in de kerk en op catechisatie zitten' (p.63).

Beleefde herinnering

Dit opschrift zet Teunard van der Linden in 'In de Waagschaal' van 28 juni 1996 boven zijn aanbeveling om in de zomervakantie Matsiers boek te lezen. Ik citeer het eerste deel van Van der Lindens motivatie voor de keus van 'Gesloten huis'.

'Wie nog een boeiend boek zoekt voor deze zomer, kan ik de autobiografische roman Gesloten huis van Nicolaas Matsier aanbevelen. Het is geen klassieke roman met een ingewikkelde intrige. De verhaallijn is eenvoudig. Het boek gaat over een man van middelbare leeftijd (de ik-figuur) die in de verwerking van de dood van zijn ouders opnieuw zijn jeugd beleeft. Aanleiding is het uitruimen van de ouderlijke woning. Bij de verschillende schoonmaakexercities passeert een eindeloze stoet gebruiksvoorwerpen de revue, die met de ogen van de nabestaande bezien worden in het licht van de kleine geschiedenis, waarin ze allen hun eigen plaats innamen. Ze verleiden de ik-figuur tot mijmeringen over hoe de dingen in zijn jeugd geweest zijn en voeren ons mee naar het stille, besloten leven van een gereformeerd gezin in de jaren Vijftig.

Dia's

Het boek is geen doorlopend verhaal. Het heeft meer weg van een diaverzameling. Dia's die een keer uit de bak op de grond getuimeld en willekeurig in het rek teruggeplaatst zijn. Als kruiend ijs glijden de beelden van het verleden - herinneringen, associaties, redeneringen - langs en over elkaar heen. Matsier laat de dingen hun verhaal vertellen en focust geduldig op de meest onbenullige dingen, waar voor de verteller niettemin een wereld van betekenis aan vastzit. De schrijver stelt voortdurend de Jens op scherp om het beeld van zijn jeugd uit het wazige vlak der herinnering dichterbij te halen. Het geheel resulteert in een 'zelfportret met ouders' (de ondertitel van het boek), dat mede door de scherpe karaktertekening een geslaagd portret mag heten. Onder de trefzekere pen van Matsier komen vergeten jaren tot leven.

Stille patronen

De tijd van Matsiers jeugd is de gesloten, vlijtige en deugdzame tijd van de jaren Vijftig. Het gezinsleven voegt zich als vanzelf naar de stille patronen van het huiselijk en kerkelijk leven. Matsier schetst een vitaal en ironisch beeld van het gezinsleven der 'kleine luyden' - de moeder kampioen van de deugd en altijd poetsend onderweg, de vader een mannenbroeder: Trouw, De Spiegel, de School met de bijbel en de VU. Beiden goed gereformeerd, wat de ik-figuur niet voor het geloof bewaart. Hij kan de onderworpenheid van het vrome leven niet verdragen en neemt als middelbare scholier het drastische besluit god vaarwel te zeggen... (vroeger: geloofsopvoeding - daar hadden we nog nóóit van gehoord!).

Junk art

De jaren Vijftig zijn de jaren van zuinigheid met vlijt. Meubilair en gebruiksvoorwerpen gaan mee tot ze versleten en ook voor hergebruik ongeschikt geworden zijn. Het is de tijd van nette armoede, waarin alles nog een keer opgelapt wordt. Weggooien is zonde. Een fraai voorbeeld zijn de truien die door de ik-figuur en zijn broers gedragen worden. Toonbeelden zijn het van zuinigheid en vlijt. Een afgedragen trui, waar de gaten al inzitten, gooi je niet weg, maar haal je uit. Tegenwoordig zouden we dat junk art noemen. De restjes vormen de grondstof voor nieuwe creaties (theologen spreken hier van continuïteit in discontinuïteit): 'Er kwam in principe namelijk geen einde aan, wol (...).

Restjeswol, zo heette - als ik mij niet vergis - de wol van een uitgehaalde trui. Het was wol die als zodanig altijd herkenbaar bleef aan de windingen van het voormalige breiwerk: die typische kroezende spiralen, die je ook in de nieuwe creatie waarvoor de oude wol was gebruikt kon blijven zien. Wol heeft een sterk geheugen. De restjeswollen truien (...) waren volgens een heel eenvoudig patroon opgebouwd: laagje wit, laagje rood, laagje blauw, laagje geel, laagje zwart - in die trant. Naar ik meen zonder verdere structurerende principes daar weer binnen, het waren geen Mondriaans, op truiengebied.'

Ook de vele voorwerpen die het ouderlijk huis tevoorschijn brengt komen tot leven. Ze zijn in de beschrijving van Matsier levensecht, bijna tastbaar, als op een stilleven. Minutieus beschreven worden het miniaturen van literaire kleinkunst, de stille getuigen van een tijd waarin de dingen er nog toe deden en zich in de algemene belangstelling mochten verheugen.

Vlekken

Matsier is de historicus van het huishouden van zijn ouders. Een hoogtepunt is het vergeelde 'vlekkenschrift' dat tussen de kookboeken uit de keukenkast te voorschijn komt. Hierin heeft de vader des huizes allerlei knipsels en plaksels verzameld die goede raad verschaffen om vlekken te lijf te gaan. De ik-figuur laat dit document van huisvlijt door z'n handen gaan, mijmerend over de (verloren) wereld van deugden en weetjes, die zo weinig te maken heeft met de nieuwsberichten van het wereldgebeuren op de achterkant van de knipsels. Kleine wereld, grote wereld. De huiselijke wereld in de jaren Vijftig is nog niet die van het achtuur-Journaal.

Drama

Matsier is een heerlijke verteller. Trefzeker en in vlotte bewoordingen schetst hij het beeld van zijn jeugd. We treffen bij hem niet de rancune die we van Maarten 't Hart en Jan Wolkers kennen. Matsier schrijft de kroniek van zijn jeugd verrassend congeniaal. Hij heeft er definitief afscheid van genomen. Toch geeft hij het een plaats, in de wetenschap dat het verleden unumgünglich is. Elk mens moet vroeg of laat zijn verleden verwerken. De ik-figuur in de roman heeft dit in alle hevigheid ervaren. Hier wordt het boek plotseling een zeer emotioneel geladen egodocument. Dramatisch. De ik-figuur is niet ongeschonden uit zijn jeugd te voorschijn gekomen. Er zijn vlekken, die er niet meer uitgaan. Het verleden laat sporen na in de menselijke geeft. Het kerft krassen in de menselijke ziel. De herinnering is niet altijd beleefd, maar breekt soms bruut en bruusk een mensenleven binnen. Dat is de dramatische diepgang van dit schijnbaar zo rustige boek. Het uitruimen van het ouderlijk huis is een geladen gebeuren.'

Wie er zelf voor kwam te staan om het ouderlijk huis leeg te halen of om moeders kamer in het verzorgingstehuis te ontruimen na het overlijden, die weet welk een emotioneel gebeuren dit veelal is. Het doet denken aan het ontroerende document van Inez van Dullemen 'Vroeger is dood' waarin ze de aftakeling en de dood van haar ouders beschrijft. Het ruimen van vroeger is tegelijk een ruimen van eigen verleden met alles wat er van kindsaf zit aangekoekt en vastgeplakt. Niet ieder zal als Matsier daarbij ook het 'geloof der vaderen' wegruimen, al kunnen belevingsvormen en geloofspraktijk anders zijn geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's