Torenspitsen-Gemeenteflitsen
VEENENDAAL
Omstreeks het midden van de 16e eeuw ontstaat in de Rhenense Venen, waar volop turf afgegraven wordt, de nederzetting Veenendaal. In kerkelijk opzicht behoren de turfgravers en de arbeiders die zich met het vervoer bezig houden 'mitsgaders heur wijven en kinderen' tot de Cuneraparochie te Rhenen. Daar de afstand tot de Cunerakerk twee uur gaans is, even groot als naar Ede, gaan velen noch naar de kerk noch naar het biechthoren.
Enerzijds vanwege het feit, dat de dreigende vervreemding van de kerk een 'groot perikel der zielen' inhoudt en anderzijds vanwege de onmogelijkheid om in die omstandigheden voldoende werkvolk aan te trekken, wordt het de veeneigenaren toegestaan een eigen parochiekerk te bouwen. Op 1 mei 1566 wordt de 'nijeuwe veenkercke', gewijd aan St. Salvator — Christus als Verlosser van de wereld en van alle heiligen — compleet met altaar, doopvont en 'sacramentshuis' geconsacreerd door de bisschop van Groningen namens de aartsbisschop van Utrecht. Geld voor een toren, laat staan een torenspits is er niet, wel voor een luidklok. Niemand minder dan Filips II zorgt er via zijn stadhouder Willem van Oranje voor, dat er een jaargeld komt om de pastoor te onderhouden.
Ruim vier maanden later woedt ook in de Noordelijke Nederlanden de beeldenstorm. Deze laat de Veenendaalse Salvatorkerk aan het marktplein nog onberoerd. Nieuwe tijden breken echter aan. In 1580, veertien jaar en drie pastoors later, verbieden de Staten van Utrecht de rooms-katholieke eredienst. De hervorming zet langzaam door, want het Sticht zal nog decennialang overwegend rooms-katholiek blijven. Weer elf jaar later, in 1591, gaat 'die olde pastoor van 't Veen'.
Nadat pogingen om een nieuwe pastoor aan te trekken mislukt zijn, stellen de Staten van Utrecht in 1592 Ds. Dirck Rogge uit Leerdam aan als eerste predikant. De Veenraad benoemt — en zal dat nog tot 1823 doen — kerkmeester, koster en voorzanger. Prins Maurits geeft, terwijl hij 'in 't leger voor Coevorden' verblijft, toestemming, dat het jaargeld van de voormalige pastoor toevalt aan 'den jegenwoordighen minister ofte kerckendienaer tot Venendaal..omme hem des te beter met wyff ende kinderen te moghen onderhouden'.
In het begin van de 17e eeuw komt er toch een torenspits als schenking van Frederik van de Palts. Hij laat in Rhenen een klooster afbreken, omdat hij op die plaats een paleis wil bouwen; het kloostertorentje wordt op de Veenkerk gezet. Het kerkgebouw wordt in 1687 gerepareerd en daarna nog drie keer uitgebreid. In 1753 wordt de zaalkerk een kruiskerk. De volgende vergroting vindt plaats in 1835. Het ledenverlies tengevolge van de Afscheiding is kennelijk klein, want in 1839 bezet Ds. E. W. H. Molemans voor het eerst de tweede predikantsplaats. Van de 4700 Veenendalers zijn er dan 4000 hervormd, waarvan 900 belijdend.
Veenendaal groeit. Grootschalige industrialisatie sinds 1850 maakt het tot het 'Eindhoven van het Noorden'; in plaats van de voormalige turfstekers komen de wolkanners en sigarenmakers. Dit betekent niet, dat er meteen van welvaart sprake is. Zuinigheid en vlijt is steeds het kenmerk van de Veense bevolking geweest. Wel komt er een einde aan het eeuwenlange voorzangerschap en krijgt de 'Oude kerk' voor het eerst een orgel, maar dan wel een tweedehands achttiende-eeuws voor de som van ƒ 3.150, - . Ds. W. Sijpkens (1865-1867) preekt bij ds ingebruikname over Op. 15 : 2b en 3a, hoe de overwinnaars aan de glazen zee op hun citers het lied van God en van het Lam aanheffen.
Als in 1884 beide predikantsplaatsen vacant raken, achten sommige gemeenteleden de beroepen predikanten W. A. Houbolt (1885-1890) en A. J. Loois (1885-1889) onvoldoende zuiver in de Gereformeerde belijdenis en krijgt de Doleantie haar beslag. Bijna 300 lidmaten verlaten in de jaren 1887-1892 de hervormde gemeente.
In 1906 krijgt de 'Kerk op de Markt', zoals hij in de hervormde volksmond ook wel heet, zijn de finitieve vorm, al zal er in 1962 deels op kosten van Monumentenzorg nog een aanzienlijke restauratie volgen, waarbij het torentje vervangen wordt door een luistoel, zij het wel met spits! Is het gehecht zijn de traditie — een ander Veens kenmerk — de oorzaak, dat in deze kerk in 1974 een grotendeels nieuw orgel geplaatst wordt in een nagemaakte 18e-eeuwse kast?
In 1927 aanvaardt Ds. N. van der Snoek het beroep naar de nieuwe derde predikantsplaats. In 1928 wordt een tweede kerkgebouw in gebruik genomen, de Julianakerk, ditmaal voorzien van een echte toren en torenspits. Ds. Jongebreur (1904-1930), die op dat ogenblik de 2e predikantsplaats bezet, gaat deel uitmaken van de nieuwe kerkenraad.
Ook in de volgende decennia komen er nieuwe kerkgebouwen; nieuwe torenspitsen ontbreken, maar nieuwe predikantsplaatsen niet. Ondanks het feit, dat er in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een confessionele deelgemeente ontstaat, wordt er in 1947 een vierde predikantsplaats gesticht, voor het eerst bezet door Ds. A. Vroegindeweij en wordt in 1949 de Vredeskerk in gebruik genomen. Ds. D. van den Berg neemt in 1959 het beroep aan naar de vijfde predikantsplaats en in zijn Zuidwijk verrijst op de plaats van een 17e-eeuwse rooms-katholieke schuilplaats als een soort afspiegeling van de Anglicaanse kathedraal van het Engelse Coventry in 1965 de Sionskerk. Soms laat hervormd Veenendaal het breed hangen, ook al heeft men het niet zo breed!
In 1970 krijgt de wijkgemeente 'De Engelenburg' een wijkcentrum met kerkzaal 'De Hoeksteen'.
Veenendaal blijft groeien: het inwoneraantal, dat pas in 1936 de tienduizend overschrijdt, is na een aanzienlijke grenscorrectie in 1960 en door de aanleg van geheel nieuwe wijken gezien het karakter van Veenendaal als opvanggemeente randje randstad een halve eeuw later al bijna vervijfvoudigd. In de Westwijk wordt in de jaren tachtig een noodkerkje vervangen door de Westerkerk. In 1969 bezet Ds. T. Langerak voor het eerst de zesde predikantsplaats; in 1978 Ds. P. Vermaat de zevende en in 1992 Ds. G. J. van Steeg de achtste.
Predikanten zijn al ruim vier eeuwen lang naar hervormd Veenendaal gekomen, weer vertrokken of overleden tijdens hun ambtsbediening.
Sommigen van hen stonden heel lang in Veenendaal: Ds. J. Brinkhuys (1652-1693) maar liefst 41 jaar, het was zijn eerste en enige gemeente; Ds. D. van Leeuwen (1762-1804) zelfs 42 jaar; derde in de reeks is met 31 jaar tot dusver Ds. A. Vroegindeweij (1947-1978) geweest.
Sommige werden later professor, mannen van naam: Dr. Philippus Jacobus Hoedemaker (1868-1873) van 1880-1887 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en Dr. Cornells Graafland (1963-1968) van 1972-1993 vanwege de Gereformeerde Bond aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.
Onder hen bevonden zich merkwaardige lieden. Ds. Rogge voerde een naamsverbetering door, toen hij zich in het Latijn Theodorus Siligineus (= fijne tarwe!) liet noemen. Op de Utrechtse synode van 1606 klaagde hij erover, dat de zondagen werden ontheiligd door markten en geopende herbergen, maar zelf werd hij daar berispt vanwege een onstichtelijk leven.
Ds. H. J. Keyenberg, een gewezen monnik, werd in 1700 uit zijn ambt ontzet, omdat hij na het overlijden van zijn vrouw een kind verwekt had bij zijn schoonzuster, hetgeen toen als 'bloedschande' gold.
De reeds genoemde Ds. Van Leeuwen was in de Franse tijd patriot temidden van een Oranjegezinde kerkenraad.
Ds. D. R M. Huet (1870-1871), die van 1857-1867 predikant in Zuid-Afrika was geweest, werd in Veenendaal beroepen toen hij in dienst stond van de Confessionele Vereniging. Hij hield na zijn korte Veense ambtsperiode opwekkingssamenkomsten in het land, bestreed de calvinistische verkiezingsleer en raakte een tijd lang in de greep van het Spiritisme.
Onder hen bevonden en bevinden zich gedreven lieden.
Ds. Hoedemaker attendeerde in een boekje De Fabriekarbeiders te Veenendaal (1875) op de kinderarbeid van 'de jeugdige fabrieksbevolking... die mijn deernis opwekte'.
Hij en Ds. I. C. de Vijver (1855-1861) voor hem en Ds. Vroegindeweij na hem beijverden zich voor een Tehuis voor Ouden van Dagen. Ds. H. Doornveld (1901-1908), Ds. Vroegindeweij en nu nog Ds. Talsma( 1978-) zetten zich in voor het christelijk onderwijs.
Van de Veense predikanten was Ds. Huet met zijn bundel Afrikaansche Gedichten uit 1867 en zijn vertaling van Bunyans Geestelijke Zinnebeelden uit 1870 de enige dichter, al verschenen er ruim een eeuw later ook wel rijmproeven van Ds. C. A. v. d. Sluijs.
Wie vanuit het heden terugblikt, ziet dat wat het kerkelijk leven betreft, er eigenlijk niets nieuws onder de zon is geweest. Steeds stond de gemeente een middenkoers voor ogen en werd er een zekere pluriformiteit gedoogd.
Terwijl in het Sticht tussen 1610 en 1620 de remonstranten op vele plaatsen de boventoon voerden en de invoering van een gezangbundel Hymni ofte Loff-Sangen beoogden, was de Veense gemeente onder Ds. G. Helmichius (1610-1636) gematigd contra-remonstrants.
Al in 1718 werden er naast de kerkdiensten van de heus niet onrechtzinnige predikanten in Veenendaal en Renswoude bijeenkomsten, gehouden, waarin een predikant van verre die zich meer rechtzinnig achtte voorging. Deze 'conventiculen' verdeelden de gemeenteleden meer dan dat zij hen samenbonden.
Ds. H. Gann Dun (1833-1843) liet tijdens de kerkdienst het verplichte gezang zingen uit de bundel Evangelische Gezangen van 1805.
Wie te ver afweek in leer en leven, stelde zich echter buiten de gemeente en vond er weinig aanhang, zoals 'zwarte Jannetje Hootsen', die zich, nadat zij in 1878 op 18-jarige leeftijd belijdenis had gedaan bij Ds. H. K. Bervoets (1876-1881), schoonzoon van de Réveilman en christen geworden jood Dr. Abraham Capadose, als de bruid van Christus ging beschouwen en een eigen sekte stichtte.
In de landelijke organen heeft hervormd Veenendaal zich niet onbetuigd gelaten.
Ds. Jongebreur (1904-1930) was medeoprichter en bestuurslid van de Gereformeerde Zendingsbond in 1901 en van de Gereformeerde Bond in 1906. Een herdenkingssamenkomst ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van laatstgenoemde bond werd op woensdagavond 15 april 1931 in de Julianakerk gehouden en uitgezonden door de NCRV.
Dr. J. Hoek (1979-1995) was jarenlang lid van het Moderamen der Hervormde Synode.
Soms was de kerk middelpuntzoekend, een letterlijk toevluchtsoord, zoals het kerkgebouw op de markt tijdens de watersnood van 1855. Soms was en is zij middelpuntvliedend: na de uitzending van Van de Loosdrecht als eerste zendeling voor de GZB in 1913 volgden er nog vele andere. Al waren en zijn er in hervormd Veenendaal maar weinig torenspitsen, al waren en zijn er in de gemeente soms flitsen van onenigheid, de eeuwen heeft een trouw kerkvolk zich geschaard onder en rondom predikanten, al of niet van dt markt, maar wel allen verbi divini minister, wier linkerhand op het Woord op de kansel lag en wier rechterhand naar de hemel wees.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's