Welke is het voortreffelijkste schepsel op de aarde?
De interpretatie van een omstreden bijbelse voorstelling in het 19e-en 20e-eeuwse Nederland
Zo luidt de titel van het proefschrift, waarmee dr. H. J. van Soest promoveerde aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Kampen. We willen hem daarmee van harte gelukwensen.
Dr. Van Soest heeft onderzoek gedaan naar de interpretatie in bovengenoemd tijdperk van verschillende teksten (met name Gen. 1 : 26-28 en Gen. 2 : 15) met het oog op het milieu. De inzet van zijn studie is de vraag of deze teksten uitgelegd zijn als zou de mens onbeperkte heerschappij over de aarde hebben (de leer van het dominium terrae) en daarom het christendom en jodendom als de hoofdschuldige aangewezen zouden moeten worden voor de milieucrisis?
Het is met name de Amerikaan Lynn T. White (geb. 1907) geweest die dat gezegd heeft en velen hebben dat hem nagezegd. Overigens had vóór White de filosoof Schopenhauer (1788-1860) al gezegd dat in het 'joden-christendom' de dieren een gebruiksvoorwerp voor de mens zijn en joden en christenen daarom verantwoordelijk gesteld moeten worden voor wreedheid jegens de dieren. Van Soest ontkent dat. Hij acht zulk een redenering oppervlakkig en een onverantwoorde generalisatie. Om dat aan te tonen richt hij zich in zijn studie op de uitleg van genoemde teksten in de 19e en 20e eeuw, het tijdperk van de enorme industriële en technische ontwikkelingen. Hij beperkt zich daarbij niet tot wat men de 'officiële' theologische literatuur zou kunnen noemen, maar deed ook onderzoek naar de opvattingen hieromtrent in kinderbijbels, catechisatiemateriaal en (bid-en dankdag)preken.
Van Soest zegt: De milieucrisis is een gecompliceerd proces van sociale verhoudingen, bevolkingsgroei, industrialisatie e.a. Het is te simpel om dat het jodendom of christendom aan te rekenen of te stellen dat de idee van een niet-goddelijke natuur (God als Schepper, transcendent boven de natuur), zoals de Bijbel het zegt, ertoe zou leiden de natuur uit te buiten. Voordat Israël op het wereldtoneel verscheen, hadden Babyloniërs en Egyptenaren ondanks hun vergoddelijking van de natuur al een hoogontwikkelde cultuur. Bovendien wordt, wat de joods-christelijke visie op de mens en de natuur betreft, dikwijls veel te achteloos over de 'joods-christelijke' traditie gesproken, alsof men slechts één visie op de omgang met de natuur heeft.
Opbouw
De opbouw van zijn studie is als volgt: Na een inleidend hoofdstuk volgt een hoofdstuk over de opvattingen over het dominium terrae bij verlichte theologen, de Groningers en enkele Reveilmannen. Daarna volgt een hoofdstuk over de periode 1850-1920, waarbij onder andere de opvattingen van en reacties op Darwin brede aandacht krijgen. Hoofdstuk 4 gaat over de opkomst van verenigingen die zich inzetten voor de belangen van het dier en de rol van de theologie daarin. In dit hoofdstuk krijgen onder andere teksten die als natuur-en diervriendelijk te boek staan een plaats. In hoofdstuk 5 wordt gekeken naar de uitleg van de genoemde teksten uit Genesis 1 en 2. Terwijl het laatste hoofdstuk naar het thema 'heerschappij over de aarde' in kinderbijbels, catechisatieboekjes en (bid-en dankdag)preken kijkt.
Beeld Gods
Het is uiteraard niet mogelijk een weergave van de gehele studie te geven. Een paar dingen haal ik eruit.
In de eerste plaats: de interpretatie van het 'beeld Gods' (hoofdstuk 2). Voor de verlichte theologen betekende het 'beeld Gods' dat de mens fysiek superieur is aan het dier. Het menselijk denkvermogen en zijn opgerichte gestalte verheft hem boven het dier en maakt hem tot gebieder over de natuur. Binnen de Groninger theologie heerste de gedachte dat in het 'beeld Gods' een aanknopingspunt ligt voor opvoeding van de mens. Het Reveil (Heldring) beklemtoonde dat de macht van de mens over de natuur zijn grenzen heeft en dat bijvoorbeeld landverbetering niet ten koste mag gaan van bodemuitputting.
Gemeene Gratie
Voor de voorstelling van het dominium terrae is de leer van Abr. Kuypers 'Gemeene Gratie' essentieel (hoofdstuk 3). Kuyper is ambivalent. Aan de ene kant is er door de 'gemeene gratie' een positieve houding ten aanzien van de cultuur en het bewerken van de aarde: Het cultiveren van de aarde is opdracht en blijk van eerbetoon aan de Schepper. Aan de andere kant heeft de techniek zich kunnen ontwikkelen als 'werktuig van het kwaad' en raakte de mens door de toegenomen natuurbeheersing het gevoel van afhankelijkheid van God kwijt. De mens moet enerzijds de wereld 'die in het boze ligt' vermijden, anderzijds moet hij de wereld liefhebben, omdat zij een kunstwerk van Gods almacht is. Veelzeggend is ook dat Kuypers ARP-partijprogramma 'Ons Program' (1879) problemen als stedelijke vervuiling en stankoverlast aan de orde stelt, maar met als doel niet het behoud van de natuur, maar de verbetering van de volkshygiëne.
Eenzelfde gedachte, met een iets ander accent, vindt men ook bij B. Smytegelt. Deze zegt bijvoorbeeld in zijn catechismuspreek over het zesde gebod (zondag 40), dat het doden van dieren niet met wreedheid of hoogmoed mag geschieden en wijst volksvermaken, waarbij dieren het moeten ontgelden, af. Maar het motief is daarbij niet zozeer de zorg voor het geschapene, maar, aldus Van Soest, naast sympathie voor het dier, vooral losbandig gedrag, ijdelheid, overtreding van goddelijke geboden en dergelijke.
Darwin
Het evolutiedenken in de 19e eeuw (Darwin) riep de vraag op wat voor unieks er aan de mens is als hij 'toch maar een product van de natuur' is. Hij kan zich nu immers niet (meer) op het recht, om over de natuur te heersen, beroepen. Ook Darwin is ambivalent. De gedachte van het overleven en recht van de sterkste geeft vrij spel aan de heerserspositie van de mens. Kuyper stelde dan ook tegenover het 'Evolutiedogma van het recht van de sterksten' de christelijke leer van de ontferming van Christus, en tegenover de natuurlijke selectie de goddelijke selectie.
Dierenbescherming
Een apart hoofdstuk (4) is gewijd aan opvattingen van theologen over dieren en de dierenbescherming. In de tweede helft van de 19e eeuw valt de oprichting van Vereniging(en) voor dierenbescherming. De Rooms-Katholieke kerk stond daar niet positief tegenover: de mens zou geen bijzondere verplichting jegens de dieren hebben; het dier zou geschapen zijn om de mens te gehoorzamen en te dienen. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er in de Rooms-Katholieke kerk een kentering. Wreedheid jegens de dieren wordt een misvorming van het 'beeld Gods' genoemd.
Gereformeerde theologen (Kuyper, Bavinck) namen een genuanceerder standpunt in. Kuyper betoogt naar aanleiding van Gen. 9 : 9: Niet alleen de mensheid, maar ook het dier deelt tot op zekere hoogte in de gemeene gratie.' Opvallend is, dat in 1920 enige dissertaties, die voor de dierenbescherming belangrijk waren, juist aan de VU werden verdedigd.
Oude Testament
Na 1970 volgt, onder invloed van de milieucrisis, een opmerkelijke verschuiving in de uitleg van bijbelteksten die spreken van 's mensen heerschappij over de natuur. Het woord 'heerschappij hebben' (Gen. 1 : 26 en 28) wordt uitgelegd als (bege)leiden, weiden, als herder rondtrekken, waarbij de notie 'verantwoord rentmeesterschap' beklemtoond wordt. Van Soest acht die uitleg niet juist en volgt de oudtestamentici Valeton en Van Selms, die in het woord 'heerschappij hebben' (Gen. 1 : 28) een ongunstige klank (in de zin van vertrappen, vertreden) beluisteren: et beeld van een koning die zijn voet zet op de nek van een overwonnen vijand (Psalm 8 : 7).
Hetzelfde geldt voor de woorden 'bebouwen' en 'bewaren' in Gen. 2 : 15. Bebouwen zou de betekenis hebben van 'dienen' (Buber-Rosenzweig), in de zin van 'zorgzame dienst aan de aarde', een gedachte die Van Soest niet geheel terzijde schuift, hoewel hij meent dat, als men aan deze teksten een verstandig milieubeleid wil ontlenen, men ze een gewicht geeft die zij niet hebben.
Kinderbijbels, catechisatieboekjes, preken
Ook voor kinderbijbels, catechisatieboekjes en preken geldt, dat er een omslag heeft plaatsgevonden. In de oudere literatuur en preken is sprake van de centrale plaats van de mens in de natuur. De laatste decennia komt meer het behoud van de aarde naar voren. In veel catechisatiemateriaal zijn voor de omgang van de mens met de natuur en in het bijzonder voor de milieuproblematiek afzonderlijke lessen ingeruimd, iets wat jongeren zal aanspreken. In de bid-en dankdagpreken verschoof het thema van 'de voorzienigheid
van God' naar zaken als sociale gerechtigheid en zorgzame omgang met de natuur. Van Soest zegt: de interpretatie van de teksten kan tot op zekere hoogte gezien worden als een spiegel van de tijd waarin de uitlegger leeft.
Conclusie
Van Soests conclusie is, dat op goede grond betwijfeld moet worden dat de joods-christelijke godsdienst (mede) schuldig is aan een verkeerde omgang van de mens met de natuur. Als de theologische vooronderstellingen en de omgang met de natuur toch zo nauw verweven zijn als White stelt, dan moet de stelling eerder omgedraaid worden: niet het christelijke gods-en mensbeeld veroorzaakten de milieucrisis maar juist het manco van de laatste eeuw om de werkelijkheid godsdienstig te duiden. De interpretatie van de bijbelse voorstelling van het dominium terrae wordt problematisch wanneer zij los komt te staan van haar theocentrische context.
Interessante studie
Van Soest heeft ons een interessante studie geboden. Ook een belangwelckende studie. Komt onze houding ten aanzien van de natuur in prediking, catechese en bijvoorbeeld kringwerk (voldoende) ter sprake? Juist als christenen, die geloven in God de Schepper, zullen we oog voor het geschapene moeten hebben.
Ik heb twee vragen. Is uit de voedseltoewijzing in Gen. 1 : 29-30 toch niet af te leiden, dat mens en dier oorspronkelijk vegetariërs waren, ook al wordt er geen motief gegeven? Het antwoord op die vraag is best belangrijk, omdat dat iets te zeggen zou kunnen hebben over de oorspronkelijke verhouding van de mens tegenover het dier.
De tweede vraag is: ls 'heerschappij hebben' in Gen. 1 : 26 en 28 inderdaad uitgelegd moet worden in de zin van 'vertrappen, vertreden', zoals Van Soest zegt, heeft White dan toch geen gelijk met zijn stelling over wie de schuld heeft aan de milieucrisis?
Dr. Van Soest heeft ons een historische studie gegeven. Hij zegt daarin onder andere: de teksten krijgen teveel gewicht als we aan de Bijbel een verstandig milieubeleid willen ontlenen; we moeten er voor oppassen uit de uitleg van de dominium terrae-passages al te haastige conclusies te trekken voor de werkelijke omgang van de mens met de natuur. Heeft de Bijbel dan niets te zeggen over onze omgang met de natuur? Misschien dat Van Soest daar nog eens een studie aan zou kunnen wijden. De vragen van de natuur en het milieu (en het dier!) mogen ons als christenen ter harte gaan. Niet zozeer om te overleven. Maar omdat de natuur (het geschapene) werk is van God de Schepper. Door deze studie heeft dr. Van Soest ons daar de ogen nog eens voor geopend. Daar mogen wij hem dankbaar voor zijn.
N.a.v.: Hendrik-Joost van Soest, 'Welke is het voortreffelijkste schepsel op aarde? ' Ondertitel: De interpretatie van een omstreden bijbelse voorstelling in het 19e-en 20e-eeuwse Nederland. Uitgeverij Eburon, Delft. 294 blz.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's