Uit de pers
Zwijgen en bezwijken
Je verhaal niet kwijt kunnen kan in je leven verstikkende gevolgen hebben. Dat geldt niet minder als je je verhaal niet kwijt wilt. David biecht het ons eerlijk en openhartig op in één van zijn bekende boetepsalmen, de tweeëndertigste uit ons oudtestamentisch liedboek. 'Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de ganse dag' (Ps. 32 : 3). David vertelt hóe er ruimte kwam: Mijn zonde maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheden bedekte ik niet... en Gij vergaf de ongerechtigheden van mijn zonde'. De werkelijkheid van de belijdenis èn vergeving van schuld is een centraal gegeven in de Schrift. Het bezwaar tegen de Roomse biecht in de tijd van de Reformatie had te maken onder andere met de praktijk dat de bevoegdheid tot vergeven al te veel in handen van een mens i.e. de priester kwam te liggen. In Soteria (Kwartaalschrift voor evangelische theologische bezinning) 13e jrg. nr. 2 juni 1996 stelt dr. R. R. Ganzevoort het thema 'Biecht en pastoraat' uitgebreid aan de orde. Ook hij deelt en kent genoemde bezwaren uiteraard tegen de zogeheten 'oorbiecht'. Maar zegt dan: Toch is er in de praktijk van elke pastor sprake van biechtgesprekken. Op gezette tijden maak je het mee dat bijvoorbeeld gemeenteleden de behoefte voelen om hun bezwaard gemoed te ontlasten. Dat wordt dan niet direct een biecht genoemd door de betrokkenen, maar het heeft er wel alle kenmerken van' (p. 14). Dr. Ganzevoort geeft een historische schets over de biecht. Hij probeert ook het theologisch en psychologisch belang van de biecht duidelijk te maken. Inhoud en praktijk van wat hij in zijn pleidooi voor een bijbels gevulde biecht bedoelt, komen tenslotte aan de orde. Wat hij bedoelt, is het volgende: er bestaat een behoefte aan een vorm van pastoraat, waarbij er ruimte is om aan een mede-christen de zonden te belijden.
'Het doelt van de biecht kan in geestelijke/bijbels-theologische zin op verschillende punten gezien worden. Bonhoeffer heeft hier een aantal belangrijke opmerkingen over gemaakt. Hij sluit aan bij de schriftgedeelten die al eerder genoemd zijn en beklemtoont dan het belang van de vergeving. God roept mensen als zondaar, maar wil hen van die zonde ook bevrijden. Daarvoor is de belijdenis van schuld noodzakelijk, als overgave en toewijding aan Hem. In de waarheid van Gods recht en barmhartigheid leeft de gemeente en daarom krijgt de gemeente ook het mandaat om de zonde aan het licht te brengen en Gods vergeving te delen met elkaar. De gemeente als lichaam van Christus vertegenwoordigt Christus zelf.
Het eerste doel ligt dan ook hierin, dat in de biecht een doorbraak plaatsvindt naar het kruis. Natuurlijk gebeurt dat ook in de persoonlijke schuldbelijdenis in het gebed, en kan het ook plaatsvinden wanneer in de eredienst van de gemeente collectief schuld wordt beleden en genade wordt verkondigd.
Toch heeft de biecht hier een extra functie. De kern van de zonde ligt volgens Bonhoeffer in de hoogmoed, die ertoe leidt dat we alleen met onszelf willen rekenen en onze eigen eer hoog willen houden. De biecht voor een broeder of zuster is een diepe verootmoediging, waardoor we die per gaan beseiïen dat onze vernedering nodig is om opgericht te worden. De vraag kan gesteld worden of een belijdenis in de stilte van het gebed of in de algemeenheid van de eredienst ons wel voldoende aanspreekt op de noodzaak de afschuwelijke werkelijkheid van onze zonden onder ogen te zien. Christus schaamde zich niet om onze zonden op zich te nemen. Als onze schaamte voor de zonde ons brengt tot een uiterlijke vroomheid en we de zelfvernedering van de biecht moedwillig ontlopen, dan kan dat een teken zijn dat we de hoogmoed in ons hart blijven dragen.
Het tweede doel ligt er in dat de biecht een doorbraak naar de gemeente is. Ook als we onze zonden slechts voor een enkele zuster of broeder belijden, dan nog wordt het isolement van de zondaar opgeheven. Bonhoeffer schrijft: "De zonde wil met de mens alleen zijn. Zij onttrekt hem aan de gemeenschap. Hoe eenzamer een mens wordt, des te verwoestender wordt de macht van de zonde over hem en naarmate de binding aan de zonde weer sterker wordt, des te wanhopiger wordt dan nog weer de eenzaamheid."
De zonde heeft geen bestaansrecht in het licht van het evangelie en leidt onherroepelijk tot een verstoring in de relatie met de gemeente. Daarom is de biecht een openbreken van dit geestelijk isolement. In de relatie met een broeder of zuster wordt de belemmering van de zonde aan het licht gebracht en de vergeving van God ontvangen. Zo wordt de gemeenschap hersteld.
Het derde doel ligt in het gegeven dat we als volgelingen van de Heere Jezus te maken hebben met een geestelijke strijd. Het is belangrijk dat serieus te nemen, omdat daaruit duidelijk wordt dat er grote gevaren bestaan voor het geestelijk leven. De satan gaat rond als een briesende leeuw en zoekt wie hij kan verslinden. De gemakkelijkste prooidieren zijn zij, die afdwalen van de kudde, die losraken van Christus en die door wonden en zonden vertragen.
Om stand te houden in de strijd is het dan ook belangrijk om alle last en zonde af te leggen (Heb. 12). Dat kan uiteraard in de persoonlijke belijdenis voor de Heere God. Toch is het goed ook hier het nut van de biecht te noemen. Immers, in veel gevallen is het niet voor honderd procent duidelijk of er sprake is van zonde, van wonden, van aanvechting, of van nog iets anders. Voor veel kinderen van de Heer bestaat de strijd er nu juist in dat ze niet precies weten hoe ze een bepaalde zaak geestelijk moeten duiden. Dan is het belangrijk de verborgen strijd voor een broeder of zuster aan het licht te brengen en zo ook samen te zoeken naar de weg die God daarin wil wijzen.
Het vierde doel ligt in de eschatologische verwachting. Als we beseffen dat de wederkomst van Christus aanstaande is en dat de redding ook door het oordeel heen zal zijn, dan is het ook belangrijk dit oordeel in ons geloofsleven serieus te nemen. Daarom is het goed om zoveel als mogelijk ook al tijdens het leven de zonde te belijden. Wie bezwaard is door zijn zonden kan daardoor angst hebben voor de dood en het oordeel. De belijdenis voor een broeder of zuster en het aanzeggen van Gods vergeving, kan dan ook een belangrijk element zijn in de voorbereiding op sterven, oordeel en wederkomst. Hierbij gaat het er niet om dat we met de biecht als het ware Gods oordeel voor zijn. Het gaat er veel meer om dat we het oordeel zo serieus nemen dat het al in dit leven aan de orde komt en tegelijk dat we de genade zo serieus nemen, dat die ook al tijdens ons leven ontvangen mag worden.'
Dr. Ganzevoort citeert in dit verband een uitspraak van Luther uit diens 'Grote Catechismus' waar hij van de geheime biecht ten aanhoren van één broeder onder andere dit zegt: 'deze moet daartoe dienen om ons te helpen als ons iets bijzonder bezighoudt of ons tot aanvechting is waartegen wij moeten strijden en als wij geen rust hebben en ons in het geloof niet sterk genoeg vinden'.
Zonden en wonden
Als dr. Ganzevoort over de inhoud van de biecht het een en ander opmerkt, dan stelt hij dat het in biechtgesprekken niet alleen maar om zonden hoeft te gaan. Er zijn niet alleen zonden die ons kunnen hinderen, er kunnen ook wonden zijn die we hebben opgelopen in het leven en die ons zoveel pijn kunnen bezorgen.
'Het lijkt mij zinvol hier ook het terrein van de geestelijke verwondingen bij te nemen. Wanneer dat in het gesprek aan de orde komt zal er wel een andere richting mee worden gegaan, omdat de zonden vergeven en de wonden genezen moeten worden.
Toch zijn deze twee velden niet zo makkelijk van elkaar te onderscheiden. Enerzijds is het zo dat veel zonden uit wonden voortkomen. Alle zonden, zo maakt de bijbel duidelijk, komen ten diepte uit ons hart voort. Het begint bij onze gevoelens die niet zuiver meer zijn, omdat er gif is binnengedrongen. Dat speelt al een rol vanaf Adam en Eva, waar het verlangen naar macht, hoogmoed, trots het punt is waar ze verleid worden. Haat, begeerte, hebzucht, wrok, al deze zonden vinden hun oorsprong in de fundamentele gevoelens van het mensenleven. We zullen rekening moeten houden met het feit dat een geschonden hart de bron is van allerlei problemen, zwakheden en zonden.
Anderzijds zijn er veel wonden van ons hart die uit zonden voortkomen. Door Gods heilzame leefregels te overtreden kom je ook als dader in een situatie terecht die pijn en verdriet met zich meebrengt. Concreet kan dit bijvoorbeeld zichtbaar worden bij het verbreken van een huwelijk, waar een van de partners overspel pleegt, omdat hij/zij niet in staat is met de eigen zwakheden of die van de ander om te gaan. Dat heeft vaak diepe wortels, die eerder als wonden dan als zonden moeten worden gezien. De concrete daad van ontrouw is echter wel degelijk een zonde en die kan vervolgens weer pijn, eenzaamheid en verdriet tot gevolg hebben bij beide partners.
Een andere situatie waar de zaken door elkaar lopen is aan de orde waar mensen innerlijk zo verwond zijn, dat ze niet in staat zijn vergeving te ontvangen. We kunnen hier denken aan mensen die het slachtoffer zijn geworden van misbruik of mishandeling, of die in hun jeugd zoveel afwijzing hebben ervaren, dat ze zichzelf niet zullen kunnen aanvaarden en ook de aanvaarding door God niet kunnen aannemen. Dat heeft als gevolg dat ze hun zonden wel in het gebed belijden, maar niet kunnen geloven dat ze werkelijk vergeven worden.
In het pastorale gesprek zal dit complex van zonden en wonden aan de orde mogen komen, en ontrafeld mogen worden. Als het aan het licht komt, dan is er ruimte om onder ogen te zien voor welke onderdelen de ander verantwoordelijk en schuldig is, en in welke onderdelen hij of zij eerder slachtoffer is. Alleen een zuivere onderscheiding kan helpen om vergeving en heiliging te vinden en meer volwassen en verantwoordelijk in het leven te staan. Dit betekent ook dat het pastorale biechtgesprek ook een adviserend element kan bevatten. De pastor functioneert (of hij dat nu wil of niet) ook als een symbolische gids, een raadgever in geloofszaken. Dat houdt in dat de pastor geacht wordt de medegelovige bij te staan in het onderscheiden en in het bepalen van de eigen positie tegenover God en de medemens. Zonder daarin dwingend of belerend te zijn mag de pastor zo helpen om enerzijds verwerking en genezing te vinden en anderzijds de zonden te belijden voor God en vergeving te vragen en te ontvangen.'
Aan het eind van zijn uitvoerige verhandeling waarschuwt dr. Ganzevoort er terecht voor dat nimmer de indruk mag worden gewekt als zou bijv. de pastor de vergeving tot zijn beschikking hebben. Tegelijk mag en moet soms de vergeving wel nadrukkelijk en zelfs met ambtelijk gezag kunnen worden aangezegd. 'Dat kan waarschijnlijk het beste gebeuren door niet alleen om vergeving te bidden (en dat blijft dan toch een menselijk vragen), maar ook de vergeving te verkondigen met een gedeelte uit de bijbel', aldus dr. Ganzevoort.
Rouw en geloof
Onlangs verscheen in het juninummer van Rondom het Woord, 38e jrg. nr. 2, waarin de teksten van de theologische radioleergang van de NCRV te lezen zijn. In samenwerking met het 'Friesch Dagblad' organiseerde 'Rondom het Woord' een lezingenserie onder het thema 'De dood leeft'. Beschouwingen over de dood vanuit de theologie, de literatuur en de geneeskunde kwamen daarin aan bod. De dubbelzinnige titel wil aangeven dat er in onze tijd een groeiende belangstelling is voor de dood en alles wat daarmee samenhangt. De dood is weer zichtbaar en bespreekbaar geworden. Eén van de bijdragen is van de hand van prof. dr. K. Runia. Hij schenkt aandacht aan hen die in rouw zijn en aan omstanders die trachten mee te leven maar vaak niet goed weten hoe dat te doen. Runia schrijft onder het opschrift: God wil ons geen kwaad aandoen (De lange weg van rouw). Aan het eind stelt hij de bekende vraag aan de orde die rouwenden door de ziel kan snijden: Waarom, waarom? Hij stelt de plaats van het geloof aan de orde in het rouwproces.
'Welke rol speelt het geloof in het rouwproces of op de rouw-weg? Helpt geloof in zo'n situatie?
Zoals te verwachten was, is ook hier de laatste jaren het nodige onderzoek verricht en daaruit blijkt dat dat geloof soms wel helpt, maar dat dat lang niet altijd het geval is. Gelovigen hebben net zoveel moeite en pijn als mensen die niet geloven. Na het overlijden van zijn dochtertje Margaretha schreef Luther aan een vriend: "Ik vermoed dat het bericht je bereikt heeft dat mijn hartelijk geliefde dochter Margaretha herboren is tot het eeuwige rijk van God. En ook al zouden mijn vrouw en ik slechts vrolijk moeten danken voor haar gelukkig thuiskomen..., toch is de macht van de natuurlijke liefde zo groot, dat wij het zonder snikken en zuchten... niet kunnen."
In dat natuurlijke verdriet en die natuurlijke pijn reageren gelovige mensen toch weer heel verschillend. Sommigen vinden veel houvast in hun geloof en hebben het gevoel alsof er een onzichtbare hand onder hun leven is, die hen vasthoudt boven die afgrond van verdriet en pijn. Bij anderen is het alsof het geloof helemaal niets doet. Ze voelen zich totaal verdoofd en het lijkt wel, alsof het geloof helemaal verdwenen is. Soms hebben ze nog wel het gevoel dat God er wel degelijk is, maar is er tegelijk ook een verschroeiend heet gevoel van verzet en opstand tegen Hem. Waarom, o God, waarom moest mij dit overkomen? Waarom bent U niet tussenbeide gekomen? Soms hebben ze het gevoel als God helemaal nergens is of hooguit nog een wazige schim, uit het verleden.
Het is dus geenszins vanzelfsprekend dat het geloof in een situatie van rouw hulp biedt. Zelfs oprechte gelovigen kunnen het dan heel moeilijk hebben met hun geloof in God en in zijn bedoelingen met ons leven. Het kan zelfs de inhoud van hun geloof beïnvloeden. Mensen die grootgebracht zijn met Zondag 10 van de Catechismus, waarin staat dat alle dingen ons van God toekomen, niet alleen de goede en fijne dingen, maar ook de moeilijke en harde, kunnen het dan heel moeilijk krijgen met dat geloof: "Gaat God werkelijk zo met ons om? " Anderen zeggen dan misschien tegen hen: "Maar dat moet je heel anders zien. God kan er ook niets aan doen. Zo heeft Hij de wereld nu eenmaal geschapen. Maar Hij is er wel bij betrokken, hoor. Hij deelt jouw verdriet. Hij huilt met je mee."
Voor sommigen is dat een troostrijke gedachte. Anderen kunnen er niets mee en zeggen: "Aan zo'n beeld van een God die alleen maar mee-lijdt en meehuilt heb ik niet genoeg. Ik heb alleen wat aan God, als Hij er ook werkelijk wat aan doen kan."
We stoten hier op een probleem, waar we hier op aarde wel nooit uit zullen komen. Ik denk dat we eigenlijk nooit verder komen dan wat Augustinus eens zo formuleerde: Het kwaad dat ons overkomt is "tegen" de wil van God; God wil ons echt geen kwaad aandoen. Tegelijk gaat het echter "niet buiten zijn wil om". Het loopt Hem niet uit de hand. Hij blijft bij ons en zal ons ook in ons verdriet en onze radeloosheid bijstaan en troosten.
Dat betekent niet dat je dan geen vragen meer hebt. We hoeven alleen maar de psalmen of het boek Job te lezen. Daar barsten de vragen telkens weer los. Waarom, o God? Waarom? Ook die mensen kwamen er niet uit, maar ze hebben de God, die ze helemaal niet meer konden volgen, toch niet losgelaten. In het geval van Job kan je wel zeggen: Hij vecht zo hard met God, omdat hij in God gelooft. En zo komt hij uiteindelijk toch tot de overgave van zijn gewonde leven aan God.'
Prof. Runia geeft aan dat omstanders soms zulke 'domme gelovige dingen' kunnen doen als ze met rouwenden omgaan.
'Ook de vraag "Hoe gaan we om met de rouw van anderen? " is een heel moeilijke vraag. Laten we maar eerlijk erkennen dat we vaak helemaal niet weten wat we moeten zeggen. Soms zeggen we dan ook maar wat. We kunnen zelfs heel domme dingen zeggen. Bijvoorbeeld: "Je zult wel dankbaar zijn dat ze uit haar lijden verlost is". Of, bij de dood van een kind: 'Gelukkig dat u nog andere kinderen hebt." We kunnen soms ook hele domme gelovige dingen zeggen, in een wanhopige poging om wat troost te bieden. Zoals: "Je mag toch geloven dat ze het nu veel beter heeft." Of: "Wat heerlijk dat we mogen weten dat, ze nu bij haar Heer is."
Dat zal allemaal wel waar zijn, maar zijn het op dat moment echt wel de goede woorden? Soms helpt het veel meer dat we zwijgen. Iemand schreef eens een brief aan een man die zijn vrouw verloren had. Hij begon boven aan de bladzij, maar kwam niet verder dan één regel: "Ik weet eigenlijk niet wat ik schrijven moet." Juist die ene regel had de man heel diep getroost. Er zijn veel mensen die gewoonweg niet weten hoe ze moeten reageren op het verdriet en de rouw van de ander Het komt dan nogal eens voor dat ze dus maar niets doen. Ze blijven weg. Ze vermijden alle contact. Als ze de rouwende in de supermarkt zien, schieten ze gauw een ander gangetje in. Als ze hem of haar in de verte op straat zien, gaan ze gauw een zijstraat in of keren om en gaan weer naar huis. En als ze de persoon later toch ontmoeten, vermijden ze angstvallig het onderwerp.
Wat ze dan blijkbaar niet begrijpen, is dat de ander er juist graag over wil praten. Verdriet is vaak gemakkelijker te dragen, als men het kwijt kan aan een ander. Het gewoon met de ander kunnen praten over de overledene en wie hij of zij was, kan al een soort troost of therapie zijn.
Lange weg
Zijn er bepaalde dingen die we misschien zouden kunnen doen? Ik denk dat het allerbelangrijkste vaak is dat je er bent! Gewoon present zijn bij de ander en haar verdriet. Gewoon er naar vragen. En dan vooral: luisteren, echt luisteren. Er is hier één wet, die eigenlijk altijd opgaat: luisteren, luisteren, en nog eens luisteren. Er is een oude joodse traditie die zegt: Als je het huis van een rouwende binnenkomt, moet je zwijgend gaan zitten. Je moet niet gaan spreken voordat de rouwende zelf het zwijgen doorbreekt. En ook dan nog geldt die ene wet: dat je allereerst luistert naar de ander Wees altijd behoedzaam in wat je zegt. Verder kunnen misschien de volgende algemene regels nog helpen:
1. Geef de ander vooral de gelegenheid om haar/zijn gevoelens te uiten.
2. Blijf aandacht geven. Eén bezoekje is echt niet genoeg. Blijf komen, of bel eens een keertje op.
3. Vergeet de gedenkdagen niet: de sterfdag, de verjaardag, de trouwdag. Dat zijn vaak heel moeilijke dagen, waarin alles weer terugkomt. Bel dan maar eens een keertje extra op en schrijf eens een brief.
4. En vergeet vooral de kinderen die er in het gezin zijn niet. Ook die gaan door een heel moeilijke tijd. Geef ze wat extra aandacht, zonder dat weer te overdrijven.
Tenslotte: vergeet nooit dat de weg van de rouw een lange weg is. Pas er voor op dat u niet laat merken dat u na een paar maanden vindt dat het toch eigenlijk wel genoeg is en dat we dan wel weer op de oude voet kunnen doorgaan. Rouw kan een proces van jaren zijn. Een vrouw, die zelf haar man verloor en er later een boek over schreef, zei dat het haar minstens vijf jaar had gekost.'
Ware woorden ter navolging hier doorgegeven. Runia is zijn verhaal met een gedicht van Ida Gerhardt begonnen en sluit er ook met één weer af. De rouwende wordt zelf aangesproken met deze regels:
'Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woedt hiin onrust om in uw gemis.
Mijdt hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar niét gezeggen laat.
Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd,
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat
Die, zelf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt,
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.'
PS. Adres Soteria: uitgeverij Merweboek. Postbus 217, 3360 AE Sliedrecht. Idem Rondom het Woord: NCRV-Uitgaven, Postbus 25000, 1202 HB Hilversum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's