Om de heelheid van de kerk
Verbond - kerk - gemeente
Alle eeuwen door gaat de Kerk van Christus in een gebroken gestalte haar weg door de geschiedenis. Voortdurend verkeert ze in doodsnood. De bruid van Christus, de vrouw van het Lam leidt op aarde een aangevochten bestaan.
Maar, ... zij draagt op haar weg door de tijden de onuitputtelijke belofte van haar Koning mee:
'En, ziet Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld'. Hij streed haar strijd, en behaalde voor haar de overwinning. Haar bestaan heeft ze aan Hem te danken. Hij vergadert haar door Zijn Geest en Zijn Woord. In Hem is ze ingelijfd. Daarom is de ecclesiologie onlosmakelijk verbonden aan de christologie! Hebben we het over de Kerk, we hebben het over het lichaam van Christus.
De Nederlandse Hervormde Kerk
Een van de gestalten waarbinnen zij zichtbaar wordt, is de Nederlandse Hervormde Kerk. De kerk ontstaan in het geding om kerk en vaderland. Deze kerk is ons lief:
1. In de eerste plaats om de verkondiging van het heilig Evangeliewoord dat God in haar midden gaf. Door Geest en Woord worden in haar midden harten verbroken en komen zondaren tot bekering. Christus vergadert in haar midden Zijn kerk.
2. In de tweede plaats om Gods trouw aan Zijn verbond door de geslachten heen. Dachten wij soms dat God de draden afgehecht had. Zijn trouw reikte verder dan ons angstvallig vermoeden.
3. In de derde plaats om haar belijdenis. Daarin is de waarheid van de Schriften, het geloof van de kerk der eeuwen vertolkt. Zij vormt de spreekregel van de kerk.
4. In de 4e plaats om haar gemeenten. In de bedding van haar gemeenten heeft Gods Geest Zich voortbewogen met het Woord om Christus' bruid te vergaderen. In die bedding wordt Gods verbond voortgeplant van geslacht tot geslacht.
In deze kerk zijn we gedoopt, zijn we door de woorden van God geraakt, deden we belijdenis, zijn we in het ambt bevestigd. Aan haar hebben we ons in onze jawoorden, toen we belijdenis deden en toen we ons ambt aanvaardden, verbonden. Om haar behoud hebben we gebeden en gestreden. Zij is een vervallen kerk, geschonden en aangetast. Vele keren werd in haar midden haar belijdenis weersproken en uiterst sporadisch weersprak zij wat haar belijden weersprak. Daarom werden en worden we uitgedaagd: 'Scheidt u af van haar'. Maar wij konden en durfden niet. Samen werden we ziek, samen moeten we gezond worden. Bij alle nood en verval in haar midden klampten wij ons vast aan de God van het verbond: 'Gedenk de trouw aan ons voorheen betoond'!
Crisis
Maar nu, nu naar het schijnt de Nederlandse Hervormde Kerk op zal gaan in de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, staan we voor een ontzaglijk dilemma en wij worden in onze kerkelijke liefde verscheurd tot op de bodem van ons hart. We gaan als kerk en als gereformeerde beweging in haar midden door een diepe crisis.
Éénheid
Laten we ondertussen vooropstellen dat de éénheid van Christus' lichaam diep bijbelse wortels heeft. Éénheid van gemeente en kerk rust in de éénheid van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Vanuit dit geheimenis der kerk geloven wij de éénheid. Voor haar éénheid bidt Christus in 't Hogepriesterlijk gebed: Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt'. (Joh. 17 : 21).
Wie is niet diep geraakt door dit gebed van Christus? Wie moet geen schuld belijden over onze verdeeldheid' èn over onze machteloosheid om de verdeeldheid te overwinnen?
Waarheid
De éénheid is tegelijk onderdeel van de waarheid. Gaat het om waarheid, het gaat ook om éénheid. Gaat het om éénheid, het gaat ook om Gods waarheid. We kunnen ze niet tegen elkaar uitspelen. Christus vergadert Zijn gemeente in de éénheid van het ware geloof. Paulus schrijft dat zo in Romeinen 15 : 6 'Opdat gij eendrachtig, met één mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onze Heere Jezus Christus'.
De kerk is, wat zij in Christus is. Hij vergadert, beschermt en onderhoudt haar. Zij is kerk dankzij Gods verkiezing en Zijn verbondstrouw. Ze is wat zij is dankzij de gemeenschap door en met de Heilige Geest.
Maar zij is ook wat zij belijdt! 'Op deze Petra zal Ik Mijn gemeente bouwen'. Haar belijdenis is 'aldcoord van gemeenschappelijk belijden'. Haar grondslag kan daarom nooit een som zijn van de delen. Alsof er een deelwaarheid is bij de één en een deelwaarheid bij de ander. En wanneer we dat samenvoegen dat we dan een totaalwaarheid hebben. Nee, de kerk wordt gebouwd op de waarheid Gods, door de inwoning van de Heilige Geest.
Dat krijgt haar gestalte in haar belijdenis, maar ook in haar kerkorde en in de structuur van de kerk. De reformatie legt een nauwe relatie tussen belijdenis en kerkorde.
Bezwaar tegen SoW
Daar ligt nu juist ons grote bezwaar tegen de concept-kerkorde. In diverse toonaarden is dat verwoord. Bezwaren in de brochure 'Ondeugdelijke' basis vertolkt, staan nog steeds recht overeind. Tot nu toe was een exclusief beroep op de gereformeerde belijdenis mogelijk, 'de stukken lagen er'! De grondslagformule van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland is niet meer voluit gereformeerd. De conclusie is pijnlijk maar waar, dat bij het doorgaan van het proces het nieuwe kerkgenootschap niet meer voluit in de historisch gereformeerde traditie staat. Ik denk aan het opnemen van de Augsburgse Confessie en aan de Concordie van Leuenberg, die 'met name op het punt van de uitverkiezing in volstrekte tegenspraak is met de Dordtse Leerregels'. (Ondeugdelijke basis, p. 17)
Daarbij komt ons diepe bezwaar tegen het proces op zich. Dwangmatig wordt het voortgestuwd, ondanks bezwaren van vele, vele gemeenten en classes.
Deze reorganisatie is geen reformatie, er is geen waarachtige terugkeer tot God en Zijn Woord. De breuk wordt hersteld zonder enige vorm van schuldbelijdenis over de ontrouw aan de Schriften, over de schuld van de kerk aan hen die in de vorige eeuw heengingen, zonder schuldbelijdenis over het heengaan in de vorige eeuw.
Moeten wij, Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk daarover niet samen schuld belijden?
En waarom honoreert u de stem van velen uit uw midden, van vele van uw gemeenten, die zeggen niet mee te kunnen, niet? Wij staan voor het recht van de waarheid Gods op heel de kerk! Voor een eenduidige, heldere bijbels gereformeerde grondslag. Opdat we kerk zouden zijn naar de maatstaf van Gods heilig Woord. Het gaat ons niet om een plaatsje in de kerk, maar om een gereformeerde kerk.
U moet van ons aannemen dat onze diepste zorg voor de kerk spreekt, wanneer wij zeggen: 'Zo kan en mag het bij u en ons niet verder.' Wij hunkeren naar 't heil voor de kerk, in gehoorzaamheid aan God en Zijn Woord!
Het gaat ons niet om de beleden waarheid in een vitrine. Maar om het functioneren van de belijdenis en het beleven van haar religie in de kerk. 'Een historische belijdenis dient niet, om er zich als op een antiek document terug te trekken, maar opdat zij ons leide in de waarheid van het heden'. (J. Bosch: Groen van Prinsterer en de kerkelijke strijd van het heden, 1936)
Broeders, beseffen wij ten volle dat de meest zuivere grondslag geen garantie is voor geestelijk leven? Maar, anderzijds, synode, vormt de sana doctrina, de gezonde leer, de zenuw, de verbindende kracht birmen de kerk. De Heilige Geest overwint mensen door en met Gods waarheid. Hij verbindt ons aan Zijn waarheid.
We kunnen niet ophouden te zeggen dat dat gestalte moet krijgen in de orde van de kerk die voorligt opdat zij beantwoordt aan het bijbels beeld van gemeente en kerk: 'Pilaar en vastheid der waarheid'?
Bescheiden, omdat er bij ons zoveel mis is, maar toch duidelijk, omwille van Gods Woord, vragen we aan synode en kerk: 'Hoor deze roep vanuit uw gemeenten, wij kunnen en durven op de gereformeerde grondslag van de kerk niet inleveren'.
Verootmoediging
Ondertussen vragen we ons vertwijfeld af: 'Hoe heeft 't kunnen komen tot deze diepe crisis? '
Totdat, ... wij het ons afvragen voor de ogen van de heilige God! Broeders, stonden wij, bewogen door Christus' liefde, op onze post in het kerkelijk leven? Waren wij diep doordrongen van de nood van de kerk, en dragen wij het als onze eigen nood en schuld voor God?
Leven wij in verootmoediging uit de trouw van Gods verbond? Was en is ons geluid in 't midden van de kerk zuiver? Zwegen wij niet te veel? Ging het ons niet al te vaak om onszelf en om het veilig stellen van onze al of niet kerkelijke posities? En als wij spraken, spraken we dan op de juiste toonhoogte?
Wordt ons spreken gekenmerkt door profetisch zicht en door priesterlijke bewogenheid in het midden van de kerk en van het volk? Is 'het gruis van Sion' werkelijk aanleiding tot verslagenheid onder ons? Is het ons een voortdurend verdriet voor God dat de voorliggende grondslag van de VPKN niet eenduidig gereformeerd is, en daarom onaanvaardbaar?
Broeders, moeten wij niet samen voor God onze hoofden buigen, u en ik? Onze persoonlijke, ambtelijke en kerkelijke zonden getuigen tegen ons. Onderling wantrouwen en hoogmoed en zelfoverschatting beheersen ons. Hoevele kansels zijn niet voor elkaar gesloten? Is dat de bedoeling van de Heilige Geest? Wat zijn we in ons doen en laten wereldgelijkvormig.
Worden schuld, en verslagenheid voor God, buigen onder Gods oordeel, schuldvergeving, innerlijke vrede met God, de liefde van God, de blijdschap in de Heere, de praktijk van de godzaligheid, onder ons in hun diepten doorleefd? Zijn onze gemeenten werkelijk levende gemeenten, vol van het leven uit Christus, eenparig en volhardend in de gebeden?
Een voortdurende schuldbelijdenis over onze kerkelijke en gemeentelijke, onze ambtelijke en persoonlijke zonden is nodig. Aan de voeten van de hoge en de heilige God, voor de ogen van de Koning van de Kerk, Jezus Christus, opdat wij in deze nood tot God roepen.
'En nu, o Heere, onze God! Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest... O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws zelfs wil, o mijn God!' (Dan. 9 : 15-19)
Broeders, laten wij bidden dat Gods Geest ons deze verootmoediging leert. Wie weet God mocht Zich wenden en de kerk helen. Niet wij plantten de kerk der vaderen, niet wij hebben haar in stand gehouden, niet wij kunnen haar voortzetten. Dat ze er is, is dankzij Gods genade.
Dat ze gebleven is, is dankzij Gods verbondstrouw.
En onze hoop dat ze blijven zal, is alleen hoop op de genade van de levende God, en niet op de daad-en wilskracht van mensen.
De gemeente
Ondertussen worden wij teruggeworpen op de Schriften, om een doordenking van de vragen van het kerk-zijn.
'Dat de Zoon van God... Zich een gemeente, ... door Zijn Geest en Woord, in eenheid van het ware geloof, ... vergadert, beschermt en onderhoudt'. (H.C. Z. 21)
De kerk bestaat slechts in verbondenheid aan Hem, rustend op het fundament van Zijn lijden, sterven, en opstanding.
Rond 'de verkondiging van het Goddelijke Woord, met de aanklevende bediening der gebeden en der heilige sacramenten', vinden wij het kloppend hart van de kerk. Daar houdt de Heere zich op met zondaren in de ruimte van Zijn verbond. Daar wordt de kerk zichtbaar. In het presbyteriale-synodale stelsel van kerk-regering is daarom de plaatselijke gemeente uitgangspunt. De eerste twee kenmerken van de kerk, de zuivere bediening van het Woord en de reine bediening van de sacramenten, vinden we in de eerste plaats binnen de gemeente. Evenals de handhaving van de kerkelijke tucht, die het best tot haar recht komt onder de prediking van het Woord en in een zorgvuldig pastoraat.
De kerk is geroepen in haar grondslag en in haar orde de voorwaarden daarvoor te scheppen, de lijnen daarvoor aan te geven. Vandaar onze voortdurende worsteling om een gereformeerde kerk die haar belijdenis handhaaft.
Ondertussen krijgt in de Schrift de plaatselijke gemeente grote nadruk: 'de gemeente Gods die te Corinthe is', 'de gemeenten van Galatië'. 'En schrijf aan de engel der Gemeente van Efeze', of 'van Smyrna', of van..., en toen ontvingen al de zeven gemeenten een verschillende brief. Daarom blijft concentratie op de gemeente nodig, opdat wij Gods eigenlijke werk niet uit het oog verliezen. Daar in de gemeente wordt het leven met God geleefd, daar wordt Gods toorn en Gods genade gepreekt en beleefd. Daarom dragen wij in onze harten een diepe zorg om de gemeenten. Een diep verlangen naar het behoud van gemeente en schare om en achter de gemeente.
Broeders blijf volhardend, biddend, werkend op uw post in de gemeente. Sta biddend en volhardend in haar midden met de woorden Gods. Zouden gemeenten scheuren, dat zou een ramp zijn voor de gemeenten, voor velen van u, voor uw gezinnen, voor de kerk in ons vaderland. Wij zeggen het met klem tegen de synode, maar met evenveel klem tegen elkaar: 'Dat kunnen wij ons toch niet veroorloven, dat we hoe dan ook het zover laten komen? ' Ook omdat wij hebben geleerd uit de geschiedenis dat de ene breuk de andere oproept.
'... in de eerste dertien jaar van de geschiedenis der Afgescheiden Kerken vonden niet minder dan vijf scheuringen plaats, waardoor deze kerken in zes, elkaar soms vervloekende, kerkengroepen werden uiteengereten'. (J. Veenhof, Prediking en Uitverkiezing, p. 7)
'Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn; zo vervult mijn blijdschap dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbend, van één gemoed en van één gevoelen zijnde!' (Fil. 2 : 1 en 2)
Verbondenheid
Ondertussen staan wij in de Kerk, 'niet met één been, maar met beide benen!... En zo wij niet hadden geloofd, dat God ons Zijn goed zal laten zien... wij waren in onze ellende, ook in onze kerkelijke ellende vergaan'. (G. Boer, Crisis der Midden-Orthodoxie, p. 22)
En als we moe worden en willen opgeven? God geve dat het ons vergaat als Jeremia, toen hij 't wilde opgeven, toen hij dacht: 'Heere, stuur me met ontslag', toen begon het Woord Gods in hem als een vuur te branden en sprak hij in de vervallen kerk van zijn dagen. Laat ons God bidden om deze geloofsmoed en geloofsvisie, om in het middden van de kerk, in de kracht van Zijn Geest, getuigend te staan, voor de waarheid Gods, in de Schrift, en vertolkt in de gereformeerde confessie.
Gods roeping
Deze roeping blijft. Tenzij de kerk een valse kerk wordt, dan zijn de grenzen bereikt. Daar heersen menselijke inzettingen over Christus' Woord. Daar heeft de gezonde leer geen plaats meer, de rechte prediking wordt niet geduld, evenmin de zuivere bediening van de sacramenten, de tucht keert zich tegen hen die Godzalig leven. 'Wij moeten eerst geroepen worden, en wel om de belijdenis der waarheid, eer wij uitgeworpen worden tot afscheiding, ... en ik zou over mijn afscheiding niet gerust kunnen zijn, indien ik op een andere wijze de Kerk verliet'. (B. Moorrees: 'Een eenvoudig doch ernstig woord aan al mijn geloof sgenooten' p. 14.)
Broeders, leeft deze houding diep in ons hart, ingebed in de vreze des Heeren? Haar schuld is mijn schuld. Daarom kunnen wij onder de schuld en het oordeel niet vandaan. 'Wij hebben U, o Heere verwacht, ook in de weg van Uw gerichten' (Jes. 26 : 19).
Dat naar het schijnt onze protesten niets hebben uitgewerkt, dat door de synode niet echt is gehoord naar het grondvlak, veel meer dat de Heere onze gebeden tot nu toe naar het schijnt niet heeft gehoord, wat betekent dat? Moeten wij onze protesten transformeren tot acties? Zullen wij dreigen?
Heeft het niets in zich van een oordeel van de levende God over onze zonden, over onze ontrouw? Dat te zeggen is ondertussen uiterst schokkend!
Maar het doet me denken aan Israël, aan de ballingschap. Daniël en zijn vrienden werden meegevoerd. Jeremia en andere vromen, die ook hun knieën voor de Baal niet gebogen hadden, werden meegevoerd. Aan de stromen van BabyIon, op vreemde grond, weenden ze, en baden God om genade!
We durven in de crisis van nu niet naar menselijke daadkracht te vragen, maar we pleiten op Gods verbond. Daarin ligt altijd, nu en ook in de toekomst, zo onverhoopt het S.o.W.-proces toch doorgaat. God verhoede het, het wezenlijke van waarachtige liefde voor de kerk! Daarin ligt de ootmoed van hen, die er geen bezwaar meer tegen kunnen hebben, dat God hen 'met vroom en onvroom op één hoop harkt.'
Verbond
Zo bleven Hanna en Samuel in de tabernakel. Wie maakte zich daar nog druk over de grondwoorden van Israels geloof en bestaan: 'Hoor Israël, de Heere uw God is een enig Heere'?
Maar ze hebben er gestaan en geleefd en vurig gebeden. En in 't diep vervallen Israël, in de gevaarlijke tijd onder Achab, had de Heere er nog 'zeven duizend die de knie voor Ba"al niet gebogen hebben'. De profeten hebben Israël en Juda in hartstochtelijke bewoordingen tot bekering geroepen. Diep waren ze doordrongen van de heiligheid en het gericht van God dat over Zijn volk ging, maar evenzeer van Gods verbondstrouw. Krachtig en bewogen hebben ze van Gods toorn getuigd over Israels zonden, en hebben ze volk, priesters en koningen teruggeroepen naar Gods waarheid. Tegelijk wisten ze zich volstrekt solidair in de schuld met het ganse volk. Ze konden in de ontrouw van het volk niet mee. En toch liepen ze van het volk niet weg. Ze spraken en baden, en weenden over Israels zonden. Zelfs toen Israël werd weggevoerd, lieten ze het volk niet los. Want, ... er kwam geen eind aan Gods verbond.
Nieuwe Testament!
Hoe was de situatie in de kerk van het N.T.?
Ik denk aan de gemeente van Corinthe. De fundamentele belijdenis voor het kerk-van-Christus zijn werd ontkend. De opstanding van Christus werd in haar midden geloochend. Er vond geen zuivere bediening plaats van het sacrament van het Heilig Avondmaal.
Ik denk aan de gemeenten van Galatië: O, gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn'. (Gal. 3:1) Maar de apostel bleef in haar midden, hij kon niet weg. Profetisch bewogen riep hij de gemeente terug. Gedreven door de liefde van Christus, wetend van de schrik des Heeren, voerde hij het geding om de waarheid!
Van Paulus wil ik met u naar zijn Meester. Zijn belijdenis van de waarheid Gods heeft Hij met Zijn bloed bezegeld. De ijver van Uw huis heeft Mij verteerd. De stad en de tempel wierpen Hem uit, hebben Hem gevloekt en gelasterd! Daarmee trok Israël een radicale streep door haar eigen belijdenis: 'Wij hebben geen koning dan de keizer'!
Maar, in die stad, in die tempel heeft de Heere Zijn Geest uitgestort! Daar klonk enige tijd later het Evangelie van de Gekruisigde en Opgestane. Daar werd de vervallen hut van het huis van David opge richt. Omdat de Geest der waarheid dode harten tot leven wekte door het Woord dat klonk.
Deze lijnen uit de Schrift hebben onze vaders diep geraakt. Profetisch getuigend van Gods waarheid en priesterlijk bewogen om de nood van het volk hebben ze in de kerk gestaan! Ik denk aan het indrukwekkende hoofdstuk van Wilhelmus a Brakel over de kerk.
Een enkel citaat:
'Altijd zijn er kwaden onder 't koren, onkruid onder de tarwe. Beschouwt de kerk van Adam tot Christus, en gij zult bevinden, dat God in het merendeel geen behagen had, (1 Cor. 10:5).
'Deze zaken moeten ons tot waarschuwing dienen, om aan haar zonden geen deel te hebben. En ook leren ze ons, dat men om de onzuiverheid van de kerk niet moet uitlopen, en een andere zuivere kerk trachten op te richten, met hoedanigen het te allen tijde, en ook in onze dagen slecht en tot ergernis, en met een teken van Gods toorn is afgelopen, gelijk wij zien in de Labadisten. Wat zullen wij van de kerk die zo verdorven is oordelen? Zullen wij zeggen, dat zij om haar verdorvenheid niet meer de kerk van Christus is?
Zullen wij haar verachten, zullen wij eruit lopen?
Neen, dat is dwaasheid'.
Aangewezen op het kruis
Nooit kwam in deze wereld de kerk uit boven de gestalte van een zondares bij het kruis (Luther). Zoals de goddeloze gerechtvaardigd wordt, zo moet ook de kerk als geheel, zo moeten u en ik, steeds weer léven van het onbegrijpelijke wonder van de rechtvaardiging van de goddeloze. Nooit kon de kerk roemen in haar eenheid. Met gebroken stem moet ze belijden dat zij in haar zondaarsgestalte, aangewezen is op haar Koning, aangewezen op de vergeving van de zonden, op genade.
'Daarom is in het Apostolicum', zo zegt Calvijn, 'het artikel van de vergeving van de zonden vastgeknoopt aan het artikel over de kerk'.
Tenslotte
Ryle schreef: 'Heeft iemand 't verlangen om de Kerk van Christus te helpen? Laat hem bidden om een grote uitstorting van de Heilige Geest.' Laat ons in deze crisissituatie bidden om de Geest der genade en de Geest der gebeden, opdat Hij doet wat wij niet kunnen, de kerk, ons, brengen tot een nieuw réveil! Alleen zo wordt onze strik gebroken. Zo wordt de kerk weer tot een pilaar en vastheid der waarheid. Zo wordt ze tot een stad op de berg, een licht in onze duistere samenleving. Zo zal ze antwoorden kunnen geven op de enorme vragen van de secularisatie, en zal ze werfkracht ontvangen door de Geest van God. In onze diepte, in onze verlegenheid zij onze hoop op God.
'En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U'. (Psalm 39 : 8)
ds. G. D. Kamphuis
Toespraak gehouden op de Kerkenradendag op 21 september 1996 te Amersfoort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's