De weg van de hervormd gereformeerden in de komende jaren
Om het recht der hervormde gezindheid
Waf ik u deze morgen ga zeggen is aangekondigd onder de ietwat pretentieuze titel 'De weg van de hervormd gereformeerden in de komende jaren'. Wie immers is echt in staat de toekomst, zelfs de meest nabije toekomst te overzien? We weten niet wat de dag van morgen brengen zal. Kunt u zich voorstellen straks te zullen leven in de één en twintigste eeuw? Kunt u zich voorstellen hoe de kerk er in het jaar 2006 - tien jaar na dezen - zal uitzien? Leven we bovendien nog in de verwachting van de wederkomst des Heeren? Of geldt misschien ook van ons, zoals ten tijde van de apostelen, dat we ons vertwijfeld afvragen 'Waar is de belofte van Zijn toekomst? ' (2 Petrus 3 : 4)? Alle dingen blijven immers zoals ze er al zolang zijn? En houden we, als we bedenken in het laatste der dagen te leven, nog rekening met de ernstige vraag van Jezus Zelf: Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? ' (Luk. 18:8)
Kortom, op de vraag hoe de gestalte zal zijn van de kerk van Christus in de wereld en in dit land zullen wij het laatste antwoord niet kunnen geven. Over het verleden, ook over het verleden van de kerk, valt concreet te spreken, hoe verschillend dat verleden ook kan worden geïnterpreteerd. De toekomst echter valt niet in kaart te brengen. Die is slechts te geloven en te verwachten.
De toekomst van de kerk ligt in de handen van Hem, die beloofd heeft met de Zijnen te zullen zijn tot aan de voleinding der wereld. Dat is geen belofte voor welk kerkelijk instituut dan ook, ook niet voor de Nederlandse Hervormde Kerk. 'De aard van de tegenwoordigheid, die Christus de Zijnen toezegt, moet geestelijk worden opgevat', zegt Calvijn bij dit Schriftwoord. Doordat Christus spreekt over 'het einde der wereld' mogen allen, die de verschijning van de Heere Jezus Christus, waar ook ter wereld en in welke kerk dan ook, hebben liefgekregen, geestelijk moed putten uit deze belofte, die Christus aan Zijn discipelen gaf, al ligt hier geen garantie dat de kandelaar ook overal zal blijven.
Worsteling
Intussen dragen we binnen de kerk, waarin we leven, wel grote verantwoordelijkheid, allereerst voor God maar ook voor de komende generatie. Daarom weten we ons ook betrokken in de worsteling om de toekomst van de kerk. Het gaat om ons en onze kinderen. Zal Christus nog geloof vinden op aarde? Dat is een vraag, die ons na aan het hart komt als we aan ons nageslacht denken.
Het is daarom niet om het even hoe wij mensen de kerk inrichten en ordenen. Daarom hebben we ons als hervormde gereformeerden ook de jaren door betrokken geweten in de worsteling om de kerk, om de concrete Hervormde Kerk als belijden de kerk met name. We hebben voor haar gebeden, om haar gestreden en aan haar geleden; geleden vooral om haar ontzonken zijn vaak aan de Waarheid.
Menselijk gezien hebben wij nederlaag op nederlaag geleden. Nochtans is de kerk des Heeren door alle diepten heen ook in de Hervormde Kerk blijven voortbestaan en zijn geslachten lang mensen er gezegend in de gezegende Hogepriester van onze belijdenis. Dat staat op rekening van de trouw des Heeren en niet op rekening van onze trouw, van de trouw van rechtzinnige belijders. Als Israël er zich in het Oude Testament op beriep Abrahams geslacht te zijn werd het door de Heere op de nominatie gezet om te verdwijnen. Nochtans bleef dan uiteindelijk Gods trouw schitteren. Als wij er ons als hervormde gereformeerden, openlijk of bedekt, eigenlijk op gingen verheffen of zouden gaan verheffen, dat wij (nog) de rechtgeaarde zonen en dochteren van de kerk, van de Hervormde Kerk ook zijn, zouden ook wij het oordeel verdienen. De Heere Zélf staat garant voor Zijn kerk.
Invloed
Langzaam maar zeker nam de invloed van het rechtzinnige deel der kerk toe, ook gezien de afkalving van de kerk in haar volle breedte. Dat geeft ons toch rechten, dachten we misschien?
Van de hervormde kerkgangers op gewone zondagochtenden rekent veertig procent zich tot de Gereformeerde Bond, liever de hervormd gereformeerde modaliteit, op zondagmiddagen zelfs vijf en zeventig procent. Daarmee staat toch niet in verhouding onze getalsmatige invloed in de synode, dachten we heimelijk? Niet zodra echter zijn we het gaan verwachten van een meerderheid van de rechtzinnigheid in de Hervormde Kerk of het Samen op Weg proces doorkruiste verwachtingen aangaande onze getalsmatige invloed. Vertrouwen op macht of getal wordt ons als een rietstaf uit handen geslagen. Het net moet kennelijk aan de andere zijde. Zouden we er niet uit moeten leren, dat onze verwachting uitsluitend moet liggen in de kracht van Woord en Geest, die nodig is om de hele kerk te vernieuwen en op te wekken?
Dat laat onverlet, dat het voor de verantwoordelijkheid van de kerk zelf is hoe ze omgaat met dat deel der kerk, dat haar aanspreekt op het alleen gezaghebbende van de Schrift als enige regel des geloofs en op de gereformeerde belijdenis als spreekregel voor de kerk. Nog zeer onlangs schreef prof. dr. H. M. Vroom in Centraal Weekblad, dat het 'een bestuurlijke dwaling' lijkt, dat ongeveer de helft van de meelevende gemeente nog geen derde van de stemmen ter synode heeft.
Nochtans - en dat vraagt diepe zelfverloochening - steken we ook vandaag als hervormd gereformeerden de hand in eigen boezem. We deden dat op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond. Ds. Kamphuis deed dat zoeven. Drs. W. Ch. Hovius deed dat in zijn brochure 'Wie zal? ...Verhef gij!' ('Tien vragen en opmerkingen bij het Samen op Weg proces'), waarin hij alle geledingen in de kerk met de neus op de schuld drukte, en daarvan de Gereformeerde Bond niet uitsloot, ook niet als het om Samen op Weg gaat.
Niet aflatend hebben we onze positie bepaald ten opzichte van Samen op Weg. Daarin hebben we leiding willen en ook mogen geven. Maar wat overblijft is schuld. Moeten we hierin ook niet leren de ontwikkelingen in de kerk aan de Heere over te geven, uit handen te geven? 'Hadden we toch een krediet voor God en Zijn Verbond', zegt Hovius.
Is de kerk en zijn we ook als hervormde gereformeerden niet zo gefixeerd geraakt op Samen op Weg dat dit krediet naar achter wordt gedrongen en we, óók als hervormd gereformeerden, nauwelijks nog geestelijke energie vrijmaken om bezig te zijn met die vragen, die voor de kerk in deze tijd van Godsverlatihg de eerste vragen moeten zijn? De godsverduistering, het ontzinken van de samenleving aan de normen en waarden, ons gegeven in Gods heilzame geboden, de zending en de evangelisatie en vooral ook het geestelijk leven in de gemeente.
Herinnering
Intussen is het goed om nog even de feiten te noemen. Ik houd mij daarbij aan enkele hoofdlijnen.
Vanaf 1976, vier jaar nadat voor het eerst een combisynode van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken werd gehouden, is door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond in allerlei vorm verzet aangetekend tegen het SOW-proces, zoals het zich vanaf die jaren is gaan ontwikkelen.
In 1976 werd in een Verklaring uitgesproken, dat we 'met leedwezen en bewogenheid maar ook in zorg om het belijden der kerk' de nu nagestreefde eenwording niet begeerden, omdat die eenwording geen versterking van de prediking naar Schrift en belijdenis zou zijn.
In 1979 werd uitgesproken dat we werden 'meegenomen' in de beweging 'Samen op Weg'.
Op de jaarvergaderingen van de Gereformeerde Bond in 1985, 1986 en 1987 hebben we onze kritische positie bepaald, gegeven de 'staat van hereniging', die in die jaren werd uitgesproken.
In oktober 1987 hebben we een ambtsdragersbijeenkomst belegd in Bameveld, uitlopend op een manifest, dat werd gezonden aan de generale synode. Daarin werd het diep verlangen uitgesproken naar het voortbestaan van de vaderlandse kerk. Concreet werd gevraagd niet verder te gaan dan het scheppen van kerkordelijk geregelde verbanden 'voor die minderheid van gemeenten, die thans, verspreid over het land tot federatie besloten hebben' en te voorkomen, dat 'een totaalproces van een deelproces afhankelijk wordt gemaakt'.
Ik zal niet volledig zijn in de opsomming van alle brieven en protesten, die werden geschreven en de vergaderingen, die werden belegd. Ik herinner nog slechts aan de ambtsdragersvergadering in Putten (1991), toen we in gebed de God van het verbond aanriepen - Aanschouw het Verbond! - en we de nood, waarin we terecht waren gekomen, verwoordden in de klacht 'We kunnen niet weg, we kunnen niet mee'.
Ik herinner ook aan het geschrift 'Ondeugdelijke basis voor een concept kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland', waarin we de grondslag van de beoogde kerk vanuit Schrift en belijdenis fundamenteel onder kritiek hebben gesteld. De grondslag is niet die van een gereformeerde kerk. We hebben toen de classical vergaderingen opgeroepen om, in een preambule op de consideraties inzake de kerkorde, uit te spreken hoe men het proces als zodanig beoordeelde, een vraag die door de kerk zelve niet aan de classes was voorgelegd.
Hoop en vrees
We hebben momenten van hoop gehad, met name toen het proces leek te stagneren na een impasse, die gegeven was met discussies rondom het rapport 'Mensen en structuren', waarin al, vér voordat het kerkordetraject afgelopen was, vergaande plannen werden ontwikkeld voor het fuseren van de arbeidsorganisatie van de afzonderlijke kerken.
We hebben hoop gehad toen de classicale vergaderingen inderdaad ingingen op de vraag om hun positie ten opzichte van het proces duidelijk te maken en toen met name gebleken was welk een groot deel van de classes van vereniging der kerken niet wilden weten, hoezeer percentages ook verschillend werden uitgelegd. Zo kon de 'tot het bot verdeelde kerk' (ds. W. B. Beekman) toch niet in dit proces voortgaan?
De grote omslag kwam echter eind 1995. De synode besloot nochtans, alle verzet en protest ten spijt, onomkeerbaar verder te gaan op de weg naar een verenigde kerk. Weliswaar werd besloten werd, dat de structuur de kerkorde zou volgen, terwijl ook werd uitgesproken, dat behandeling van de kerkorde en de daaraan hangende ordinanties nog minstens tien jaar in beslag zou nemen. Maar de synode ging aan de stem van de kerk voorbij. En dan bedoel ik: de kerk in haar grondleggende ambtelijke vergaderingen, de classes.
We waren verbijsterd en verslagen. Hier geschiedde onrecht. Hier negeerde de synode de hartstochtelijke roep uit de kerk om het proces niet te forceren en derhalve geen ander proces, namelijk een proces van vervreemding op te roepen.
Ds. H. Klink, synodelid van de classis Gorinchem, heeft in die bewogen dagen gezegd, dat de weduwe om haar recht zou blijven komen en daarop zou blijven aandringen.
Nog in januari van dit jaar hebben we de synode geschreven dat de Nederlandse Hervormde Kerk de iure en de facto zich dreigde af te snijden van haar wortels, bepaald door haar belijdenis en haar geschiedenis. Toen moesten (mochten) we verder de zaak verder uit handen geven.
De classis Alblasserdam belegde nog een speciale bidstond en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond riep de gemeenten tot voorbede op en belegde een speciale gebedsdienst in Katwijk aan Zee. Nochtans, de synode besloot in meerderheid de besluiten van de triosynode te ratificeren. Hervormd gereformeerden en confessionelen stemden synodebreed tegen, twintig in totaal, nadat vrijwel ieder een bewogen stemverklaring had afgegeven. De rest van de synode deed er het zwijgen toe.
Prof. Vroom, die ik al eerder citeerde uit Centraal Weekblad, herinnert hier aan 1886, toen de vrijzinnigheid de orthodoxie ook tartte en minachtte. 'De les uit de kerkscheuring van 1886 is - zegt hij - dat het niet serieus nemen van de rechter orthodoxie leidt tot een verharding van de fronten.'
Beleid
Het is hier nu het moment om ook enkele duidelijke signalen af te geven. Zaken zullen immers ook concreet moeten worden gemaakt!
Uitgesproken is, dat de structuur de kerkorde zal volgen, wat inhoudt dat geen besluiten inzake vereniging kunnen plaats vinden voordat de kerkorde in tweede lezing zal zijn aangenomen.
a. Hoe is het dan toch mogelijk, dat reeds met voortvarendheid wordt gewerkt aan de ene 'arbeidsorganisatie'? In deze dagen buigt de triosynode zich over vijf rapporten van deskundigen, waarvan we eerder de inhoud onthutsend en kerkelijk onverantwoord noemden.
b. Hoe is het dan mogelijk, dat de voorbereidingen voor de regionale dienstencentra, de werkverbanden van de toekomstige algemene classicale vergaderingen, reeds in volle gang zijn?
c. Is het dan juist, dat de zogeheten ordinanties, de praktische regelingen, die hangen aan de kerkorde, reeds in behandeling zijn nog voordat de kerkorde definitief is behandeld?
Wijzen deze handelingen er niet op, dat eigenlijk nauwelijks wordt verwacht - en het is eigenlijk ook al uitgesproken - dat nog echte wijzigingen in de voorliggende kerkorde zullen worden aangebracht? Maar zal de classicale vergadering in dit alles dan ook niet voor haar eigen ambtelijke grondrecht tegenover de synode - niet onder de synode - moeten opkomen! De synode mag niet als vanzelfsprekend rekenen op ambtelijke gehoorzaamheid van de classis.
Als het over verharding gaat noemen we ook nog de kerkvoogdijkwestie. We hebben er nooit een geheim van gemaakt hoe wij over de aanpassing van de kerkvoogdij denken. Dat in sommige gemeenten vandaag stichtingen in het leven worden geroepen om de gelden van de gemeente 'veilig' te stellen gaat nog een stap verder dan niet-aanpassen en achten we ontoelaatbaar.
We zien nu echter van twee zijden verharding optreden, als het gaat om de aanpassing op zich: in sommige gemeenten en bij de beleidsorganen van de kerk. Met het gevolg dat de ene voor de andere gemeente niet meer beroepen mag. We mochten toch aannemen dat dit soort toestanden uit de tijd van de regenten en de reglementen in het begin van deze eeuw binnen de kerk uitgesloten zijn? ! De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de betreffende gemeenten, maar wat de gevolgen betreft ook bij de synode, die dwang oefent in plaats dat men tracht te overreden.
Verwarring
De verwarring is sinds de besluitvorming ter synode intussen compleet geworden. Allereerst zijn er in toenemende mate de publicaties van principiële vóórstanders van SOW, die ook wel beseffen dat het élan uit het proces weg is, gegeven de moeite, waarmee het wordt voortgesleept en gezien de breedte en diepte van het verzet. De synode zelf moest constateren, dat in de hervormde classes het draagvlak ontbreekt om het proces ongewijzigd voort te zetten. Daarmee alleen al verdraagt zich niet het feit dat men praktische uitvoering van de ene arbeidsorganisatie al ter hand neemt.
Maar de verwarring was er zeker ook in onze gelederen. Wat zal onze weg zijn in de komende tijd?
Vanwege die prangende vraag zijn we hier vandaag met zovelen - uitsluitend ambtsdragers! - bijeen. De nood brengt ons samen. En dan ben ik weer terug bij het begin. We hebben in ieder geval opnieuw een les geleerd. De uitkomst lag niet bij ons. We worden gebracht bij de vraag of de Heere ons, niet als hervormde gereformeerden, maar als kerk nog genadig wil zijn en ons op onze gebeden verhoren wil. We hebben geladen uitspraken gedaan in het verleden. Waren de uitspraken, die we voor Gods aangezicht deden, deugdelijk? Was het adagium van Putten deugdelijk of ondeugdelijk? Wij menen in volle ernst te mogen zeggen, dat het op dat moment deugdelijk en verantwoord was. In de uitspraak 'wij kunnen niet weg, we kunnen niet mee' lag geen dreiging maar diepe emotie, diepe hartstocht om de kerk vanwege haar belijdenis en vanwege haar geschiedenis.
In de ontwikkelingen van de laatste tijd echter is het dilemma hier en daar doorbroken. Sommigen zijn gaan zeggen, dat we een stap verder moeten gaan: 'We gaan niet mee'. Anderen zijn, in reactie daarop, gaan zeggen: 'We gaan niet weg'.
We hebben in woord en geschrift de afgelopen tijd - met name in het Breed Beraad, dat door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond op gang werd bracht en in artikelen, die werden geschreven - elkaar pogen duidelijk te maken wat hiermee écht bedoeld werd en welke consequenties allerlei uitspraken onder ons zouden kunnen hebben. We hebben elkaar diep in het hart gekeken. Op geestelijke en broederlijke toon hebben we met elkaar gesproken. Die tijd en die bezinning hebben we nodig gehad.
We hebben elkaar aangesproken en bevraagd op het verbond en op de vraag inzake de continuïteit van de vaderlandse kerk.
Het woord afscheiding is gevallen maar direct ook weersproken. Is 'we gaan niet mee' hetzelfde als 'we scheiden af? Is 'we gaan niet weg' hetzelfde als 'we gaan uiteindelijk toch wel mee? '
Ziehier enkele vragen, waarover diepgaand beraad was.
Recht
Hoe komen we dit dilemma te boven? Laten we de zaak, waarom het gaat, tot haar principiële wortel terug brengen. Wat is voor Gods Aangezicht recht en wat is billijk? Laten we het woord recht dan echter bezien naar zijn geestelijke en daarin ook kerkelijke zijde.
De jaren door hebben we ons als het om het recht ging diverse keren beroepen op Groen van Prinsterer in diens pleidooien voor het recht van de hervormde gezindheid. Toen deze bijdrage reeds gereed was gekomen is het geschrift van zijn hand onder die titel opnieuw verschenen, voorzien van een voorwoord van ds. L. H. Oosten. Eén van de hoofdstuktitels luidt: 'Het recht der hervormde gezindheid in het kerkgenootschap'. Sindsdien is er in de pers reeds enige discussie over geweest, waar we niet op ingaan. We volgen in deze een eigen weg.
Groen van Prinsterer was in zijn dagen ook een man, die niet méé kon en niet wèg kon. Hij kon niet mee met de synodale koers van zijn dagen. Hij kon ook niet weg, niet met de afgescheidenen mee. Groen betoont zich daarin, zoals in al zijn geschriften, geen letterknecht van de belijdenis. Hij zegt daarover:
'Ik vraag niet: zijt gij tot ondertekening van de Formulieren bereid? Acht gij ze volledig, onverbeterlijk? Welke bezwaren hebt gij, zouden die kunnen worden weggenomen of verzacht? Dit alles is een onderwerp van latere zorg. Maar ik vraag: neemt gij de hoofdwaarheden aan, waarvan de vaderen in die (ge)schriften (de belijdenissen, v. d. G.) getuigenis hebben afgelegd? ' 'Het kenmerk van de zuivere verkondiging van het Evangelie is de vasthouding aan de waarheden die ook in onze Formulieren zijn uitgedrukt en die te allen tijde de grondslag van de Christelijke Kerk zijn geweest: waarheden, die wij aannemen, niet omdat zij in de Formulieren staan; niet omdat anderen ze hebben geloofd; maar omdat God ze aan ons verstand en hart heeft geopenbaard.'
Maar dan volgen deze veelzeggende woorden:
'De verloochening van deze waarheden in de Nederlandse Hervormde Kerk behoef ik voor u niet weer te schetsen. Elke beschrijving is te zwak. Naar de praktijk te oordelen, is er geen kerk meer. De waarheid is, ook in de Kerk, aan de leugen gelijk; wordt eigenlijk alleen, onder voorwaarde van de leugen te dulden, geduld.'
Uit deze krasse woorden moge genoegzaam blijken wat de belijdenis in Groens dagen nog waard was in de kerk. Groen gispt, in telkens weer andere bewoordingen, diegenen, die zeggen aan de Schrift genoeg te hebben en daarom menen de Formulieren niet nodig te hebben. Hij doet dit met de telkens herhaalde vlammende vraag: Gij beroept u op de Bijbel alleen? Hij toont de voosheid van die stelling aan, omdat men dit zegt in verzet tegen de gereformeerde belijdenis. Dan en zó pleit hij voor 'het recht van de hervormde gezindheid', dat is: het recht van het historisch geloof van de kerk, het wezen van de Hervormde Kerk, dwars tegen wat voor ogen is in. Zo spreekt hij over 'het recht van haar belijdenis in het kerkgenootschap.'
En wat is 'nochtans' Groens conclusie? Hij zegt: 'Geen verlaten van het Kerkgenootschap!'. Let wel: hij zegt niet: de kerk niet verlaten, maar het belijdenis-on trouwe genootschap niet verlaten. Wie zich bewust is van 'goed recht' heeft geen reden om voor 'onrecht en miskenning' te wijken. Groen zegt daarbij, dat het niet gaat om 'de berekening van de uitkomst': 'Gehoorzaamheid, niet de vrucht der gehoorzaamheid, is het offer dat van ons verlangd wordt.'
Toen de situatie er wat de belijdenis betreft hopeloos leek voor te staan, was deze voor Groen toch niet zo ernstig, dat hij de kerk verliet en met de afgescheidenen meeging. Groen vroeg om het recht der hervormde gezindheid binnen het genootschap, dat dat recht met voeten trad. 'De doodsvijand heeft geen burgerrecht!', zegt hij. En met de doodsvijand bedoelt hij het ongeloof. 'Het hart van de kinderen dient tot de vaders te worden wedergebracht'. In haar historie en in de symbolen (de belijdenissen) heeft ze haar vaste fundament.
Zoals Da Costa ooit zong: 'zij zullen het niet hebben, het oude Nederland', zo zong Groen van Prinsterer aangaande de kerk: zij zullen haar niet hebben, de historische kerk, de kerk der belijdenis in dit land. Groen riep op tot 'bewustheid van de gelovigen'. Het recht der Kerk is hun recht, de plicht en roeping der Kerk is hun roeping en plicht'. Groen sprak toen echter de historische woorden:
'Vereniging, niet in een afzonderlijk lichaam, niet tot een bijzondere maatschappij, niet tot afscheiding, maar als leden van de Kerk, hetzij in gezamenlijk woord en werk, hetzij in de noodzakelijke handhaving van het kerkelijk standpunt, een ieder op zijn post en in zijn kring.'
De roeping is, zegt hij: 'hetzij samen, hetzij afzonderlijk in één zin en geest, protesteren tegen de miskenning van het recht van de Kerk; van het kerkelijk gezag van de Symbolische Geschriften', oftewel de belijdenisgeschriften.
Binnen de kerk
Broeders, ligt hier vandaag voor ons niet een historische les? Laten we hierin gezamenlijk optrekken: in een gezamenlijk beginsel: samen en afzonderlijk. In de weg van het niet aflatend protest tegen de schending van het recht der hervormde gezindheid, zocht Groen zijn sterkte. Zo zou God ons die kerk weergeven.
L. Ch. Ledeboer, de dominee van Benthuizen in de vorige eeuw, ging een andere weg. Zijn weg was er een van het hem opgelegde, hoewel ook gezochte martelaarschap. Hij kwam buiten het genootschap. Hij werd een Afgescheidene, zonder het te willen wezen. Bekend is zijn adagium 'God zal ons haar - dat is de Hervormde Kerk - weergeven'. Hij bedoelde de oude, vervallen kerk. Hij zocht het recht der hervormde gezindheid echter als balling buiten het genootschap van zijn dagen. Zijn ideaal verbleekte intussen bij de nazaten. Het ledeboeriaanse heimwee werd in de ledeboeriaanse en kruisgezinde gemeenten gesmoord in een proces van institutionalisering van de gescheiden kerken. Het verlangen naar de eenheid van gereformeerde belijders ging daarmee zelfs goeddeels teloor.
Abraham Kuyper nam zelfs principieel en definitief afscheid van het recht der hervormde gezindheid. Hij stichtte een belijdenis-zuivere kerk. Ze bleek op den duur een misgeboorte. De Gereformeerde Kerken verlieten zelf het pad van de 'Symbolische Schriften.' En het resultaat is vandaag 'Samen op Weg', een samengaan van hervormden en gereformeerden, samen met lutheranen, met prijsgeven van het alleenrecht van de gereformeerde Symbolische Geschriften.
Zouden we, tegen de achtergrond van de geschiedenis van Afgescheidenen, Kruisgezinden en Dolerenden vandaag niet binnen de kerk de strijd om de grondslag, op basis van de 'Symbolische Schriften' moeten voortzetten?
'God zal ons haar weer geven'
Als we dan nu de vraag onder ogen moeten zien hoe we verder zullen en kunnen gaan, worden we teruggeworpen op de grondvragen van onze identiteit. Wat geloven we, wat belijden we, met name ook inzake de kerk?
In de gang der geschiedenis is Groens 'hervormd gezindheid' langzaam maar zeker omgebogen tot 'gereformeerde gezindheid', die zich dan als een concrete stroming ging manifesteren buiten de Hervormde Kerk. De Gereformeerde Bond werd (vooral later) ook wel in die beweging betrokken. Vanaf het ontstaan van de Gereformeerde Bond is echter gestreden om wat Groen noemde het recht van de hervormde gezindheid. We zochten dat recht binnen de historische kerk. Het doleantiestreven en het doleantieprincipe - dat ook in hervormd gereformeerde gelederen aanvankelijk te vinden was - werd meer en meer principieel afgewezen. Er werd geducht tegen gewaarschuwd. De kerk, die trouw zou zijn aan haar belijdenis, geloofde men in hope.
Welnu, is er vandaag niet alle reden om met kracht op te blijven komen voor hetzelfde recht van de hervormde gezindheid, in haar historische betekenis, ook en juist nu de kerk formeel haar gereformeerde belijdenis ontkracht, doordat in de grondslag de wezensvreemde Konkordie van Leuenberg is opgenomen?
Maar dat recht zullen we dan toch niet buiten de muren der kerk zoeken? We zouden vervallen in een weg, die we bij de afgescheidenen hebben afgewezen.
Wanneer bijvoorbeeld wordt gezegd, dat we de oude Hervormde Kerk zullen voortzetten, moeten we ons afvragen of dat dan de oude Hervormde Kerk nog zal zijn. Zal het niet eerder een afgescheiden kerkje zijn, met alle kiemen van fragmentatie vandien? Scheiden zal bovendien scheuren van de gemeente betekenen.
Zouden we het recht van de hervormde gezindheid, dat is het recht van de Symbolische Geschriften, niet daar moeten zoeken waar het historisch ook ligt?
Dat betekent, dat we blijven staan op de grondslag van een gereformeerde kerk en ons als zodanig blijven verzetten tegen de grondslag en de naam van de beoogde kerk. Daarin gaat het niet om ons recht maar ten diepste om het droit divin, het goddelijk recht.
De Gereformeerde Bond zou weer terugkomen bij de doelstelling uit de beginjaren: Gereformeerde Bond tot vrijmaking van de Hervormde Kerk; vrijmaking van al wat haar ook vandaag wederrechtelijk wordt opgelegd.
En zouden we dan, wanneer we in de gestalte van rechteloze mensen dat recht zoeken, de uitkomst niet aan de Heere moeten en mogen overlaten?
Dat betekent: geen vleselijke macht, geen programs van afscheiding, geen houding van assimilatie, maar geloven op hoop tegen hoop, dat God ons haar - die gereformeerde kerk - in de weg van het recht zal weergeven. Dat is niet meegaan! Dat is niet kunnen heengaan en de kerk prijs geven aan wie er geen recht op hebben.
Dat recht van de Symbolische Schrift zullen we blijven zoeken op de classes en in de gemeente. Dat zou kunnen betekenen dat veel hervormd kerkelijk leven, in gemeenten en classes, zich blijft bewegen terzijde van de weg waarlangs de SOW-karavaan voortrekt. Maar zo hebben onze voorvaderen, soms onder afdakjes, in minderheidsposities, soms zelfs in posities, die anderen voor hen tolereerden als reservaten, terzijde van de heirbaan, waarlangs de brede hervormde kerkelijke karavaan voorttrok, het recht der belijdenis gezocht, zonder nochtans de eenheid der kerk te breken. Zij hebben het heimwee gehad naar een kerk, hersteld in gereformeerde zin.
Zou dat niet de weg naar de toekomst moeten zijn? Zoals Groen in zijn dagen, toen de situatie wat betreft de belijdenis zo hopeloos scheen, zijn weg ging en opriep op post te blijven, zouden wij vandaag zo niet dezelfde weg, op hoop van herstel van de kerk in hervormde zin, kunnen en moeten gaan?
Ieder op zijn post blijven, zei Groen. En dan verder achter de Heere aankomen. Weten wij vandaag hoe de kerk er over tien jaar uitziet in de kaalslag, die zich vanwege de secularisatie voltrekt?
Oordeel
En dan durf ik het toch aan hier nog een keer over Gods oordeel te spreken. Want als de kaalslag voortgaat moeten we daar dan niet vooral Gods slaande hand in zien vanwege onze zonden, ook onze kerkelijke zonden, ook onze rechtzinnige zonden?
En als zo de Hervormde Kerk in die kaalslag ook definitief wordt meegenomen, zouden we dan niet diep moeten buigen? Want, moeten we ons niet afvragen of we ook met al onze rechtzinnigheid staande zullen blijven in die kaalslag?
Alleen in diepe verootmoediging vanwege gemeenschappelijke schuld zullen we dan onze weg kunnen gaan.
Intussen, wie durft dan weglopen van onder Gods oordelen? Vraagt ballingschap dan niet om inleving van het oordeel. Maar verandert dan de roeping?
In Jeremia 29 lezen we de brief, die de profeet zond aan de ballingen in Babel. De roeping, die de profeet het volk in de ballingschap voorhield, luidde: 'En zoekt de vrede van de stad, waarheen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren en bidt voor haar tot de Heere, want in haar vrede zult gij vrede hebben' (vers 7).
Gemeente
Het zou echter een dubbel oordeel zijn - ik weet het niet beter te zeggen - als in dit alles ook nog eens gemeenten zouden scheuren. Moeten we dan ons hart niet vasthouden als het gaat om de jonge generatie, die enerzijds nauwelijks van Samen op Weg weet en anderzijds zo naar allerlei richtingen wordt getrokken, vanwege de zuigkracht van eigentijdse bewegingen?
We zullen zuinig zijn op het kostbare kleinood van de gemeente, zeker ook als het nog gemeenten zijn, waar het volk in de breedte onder de invloed van het Evangelie staat.
En dan komen we toch nog een keer bij het verbond. Over de vraag van kerk en verbond hebben we de laatste tijd in hervormd gereformeerde kring breedvoerig gesproken. Daar lag een stuk spanning. Kunnen we nog op eenzelfde wijze een beroep doen op het verbond als voorheen? Maar over één ding waren we het eens, namelijk dat allereerst verbond en gemeente op elkaar betrokken zijn. Het verbond verwezenlijkt zich in de gemeente onder de bediening van het Woord. Het verbond stelt ons voor de roeping van verantwoordelijkheid en gehoorzaamheid, gehoorzaamheid aan Christus en verantwoordelijkheid voor het volk.
Daarom blijve de nadruk vooral liggen op de getrouwe Woordbediening. Onder die bediening zijn gemeenten in de Hervormde Kerk, ondanks misprijzing of miskenning van velen, die van haar uitgingen, weer opgericht uit hun soms vervallen toestand. Dat gebeurt tof de dag van vandaag. Daar ligt Onze hoop ook voor de toekomst: de getrouwe prediking van het Woord naar de belijdenis in het midden van de gemeente. Zou de Heere dan niet bij machte zijn om ons zo, in de weg van de onmogelijkheid en door het nulpunt heen soms, de kerk der vaderen naar haar geestelijke gestalte weer te geven en het recht der hervormde gezindheid aan het licht te brengen?
Het recht van die gezindheid heeft in de Hervormde Kerk van nu tot de dag van vandaag niet gezegevierd. Nochtans zijn we gebleven. Maar we mogen hoop hebben op God. Werp het Woord er maar in en ge zult zegen hebben zei Kohlbrugge.
God is getrouw. Hij zal, zolang Hij hier in dit land nog Zijn kerk belieft te onderhouden, het gebouw van Zijn gunstbewijzen ook hier naar Zijn gemaakt bestek in eeuwigheid doen rijzen.
dr. ir. J. van der Graaf
Toespraak gehouden op de Kerkenradendag op 21 september 1996 te Amersfoort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1996
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's