De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

11 minuten leestijd

HARMELEN
De kerk

De oudste schriftelijke vermelding over de Harmelense kerk stamt uit het jaar 1279. In deze tijd bestond het gebied rond Harmelen uit woeste veengrond. Langs de rivieren lagen stroken kleigrond waarop enige bewoning voorkwam. Vanuit deze kleistroken is men begonnen de veengrond in cultuur te brengen.. In deze streek had aanvankelijk Herman van Woerden veel zeggenschap. Toen hij in 1288 het patronaatsrecht (benoemingsrecht van de pastoor) overdroeg aan het Catharijneconvent te Utrecht, had de parochie vooral met de bisschop van Utrecht te maken. Later leidde dit tot langdurige conflicten met de ambachtsheer van Harmelen, Frederik van Zuylen.

Het kerkgebouw stamt uit het begin van de dertiende eeuw en was gewijd aan Sint Dionysius. Met deze Dionysius is waarschijnlijk de stichter van het bisdom Parijs bedoeld. Volgens een oud verhaal werd hij door de paus naar Parijs gezonden in het midden van de 3e eeuw, waar hij met zijn gezellen Rusticus en Eleutherius de marteldood stierf. Hij werd 6 km buiten de stad begraven. Boven zijn graf bouwde men een kerk, waar tal van wonderen zouden zijn geschied. Het schijnt verder zo te zijn dat heel weinig kerken in ons land aan deze heilige zijn gewijd. Deze gegevens ontleen ik aan een artikel van ds. P. v. d. Heuvel in ons kerkblad van juni 1988.

Oorlogsgeweld en plunderingen

Harmelen ligt aan de Oude Rijn. In de Romeinse tijd was de Oude Rijn een grensrivier In later tijd lag Harmelen op de grens van Holland en 't Sticht. Deze omstandigheid heeft ook het wel een wee van dit dorp en van de kerk steeds weer parten gespeeld. Herhaalde malen werd de kerk geplunderd en/of verbrand. In 1593 Wordt al een restauratie vermeld. Door gebrek aan geld kon eerst in 1639 deze restauratie voltooid worden. Deze verwoesting is waarschijnlijk het werk geweest van Spaanse troepen, die regelmatig aan het muiten sloegen en de bevolking van het platteland naar de steden verdreven.

In de jaren 1672-73 werden Franse troepen in de kerk gelegerd. 1672 was het rampjaar: het jaar waarin de regering radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos was. 'De Fransen in het land, de Engelsen op de kust' (Groen van Prinsterer). De Fransen, 'hun verdervende oorlogs-rasernyen de losse teugel willende vieren' staken eerst de toren in brand en beroofden vervolgens de kerk. In diezelfde tijd verwoestten ze ook 'huize Harmelen', het huis van de ambachtsheer. Ook in De Meern hielden de Fransen huis: ze verbrandden daar de preekstoel en alle banken, die in de kerk stonden.

De brand van 1900, wederopbouw en restauratie

De — hopelijk — laatste verwoesting door brand dateert uit het jaar 1900. Tijdens een korte maar hevige onweersbui werd de kerk door de bliksem getroffen en brandde nagenoeg geheel af. De gemeente vond voor de zondagse kerkdiensten onderdak in huize Harmelen, ook wel 'het kasteel in het bos' genoemd. Toen ds. C. W. A. Nonhebel in 1902 afscheid preekte, moest dat ook in het huis van de ambachtsheer gebeuren.

Gezien het feit dat de gehele kerk verwoest was, nam het kerkbestuur het besluit een nieuwe kerk te bouwen. Men meende dat de kosten van restauratie veel te hoog zouden worden. De plannen waren al gemaakt, toen op het laatste moment de burgemeester, baron Van Heemstra, ingreep en de mogelijkheid van restauratie liet onderzoeken.

Architect Wentinck, geadviseerd door dr. Cuypers, bekend van de wederopbouw van kasteel De Haar, maakte een nieuw plan. Ook de ambachtsheer zegde krachtige medewerking toe. 'Toen stond de gehele gemeente als een man op om op de meest royale wijze het werk te kunnen uitvoeren. En zonder financiële steun van het Rijk verrees de oude kerk op haar grondvesten, precies als de oude, maar fraaier', zo schrijft J. de Bruijn in zijn boek over de geschiedenis van de hervormde gemeente Harmeien.

Dat de kerk van binnen en van buiten een fraai bouwwerk is, is mede te danken aan de unieke bouw van deze kruiskerk. In het een-beukige middenschip staan twee pilaren. Deze constructie schijnt heel weinig voor te komen. De geheimschrijver van de staat der Nederlanden schreef al in 1753, dat de kerk voorzien was van 'twee konstig gemetselde colommen, waar het houten gewelf op rustte'. Deze pilaren waren nodig geworden door een verbreding van het kerkgebouw. Wat ook opvalt zijn de acht drie-armige koperen olielampen (geen kaarsenkronen) en de trekbalken, waarop bijbelteksten geschilderd zijn.

Waar we als hervormde gemeente eveneens trots op mogen zijn, is het Batz-Witte orgel, dat na de brand gebouwd werd. Onze eigen bekwame organisten laten ons wekelijks genieten van de rijkdom aan klanken van dit instrument.

Opnieuw een restauratie

In 1977-78 werd de kerk opnieuw gerestaureerd. Uit een dik plakboek uit die jaren komen we allerlei aardige dingen te weten. O.a. dat in 1975 een antiekmarkt georganiseerd werd t.b.v. de restauratie. Men had het groots opgezet en publiciteit werd niet geschuwd. 'Aandacht aan dit evenement zal geschonken worden door ANWB, VVV, radio, tv, landelijke en regionale pers', schreef de kerkvoogdij met onverholen trots in het kerkblad. Ook Bromsnor kwam een kijkje nemen.

De gemeente

De kerkelijke gemeente ontving haar reformatorische karakter in 1589, toen Jacobus Hardenberch als eerste predikant aan Harmelen verbonden werd. Van hem is niet veel bekend. Wel heeft hij op een classisvergadering van 1607 de mededeling gedaan dat in Harmelen 100 lidmaten het Avondmaal vierden. Dat het kerkelijk leven toen ook niet altijd even rooskleurig was, en er ook perioden van achteruitgang waren, kunnen we opmaken uit het feit dat ongeveer honderd jaar later, in 1682, er niet meer dan 87 lidmaten waren. Hierbij zal echter de rampspoed van de jaren 1672-74 van grote invloed geweest zijn.

In de tijd van de Dordtse synode koos de predikant van Harmelen de kant van de remonstranten. In de naburige gemeente Vleuten stond toen de bekende remonstrantse ds. Camphuysen. Op een zondag gebeurde het, dat tijdens de dienst de eigen predikant zijn plaats afstond aan Camphuysen. Camphuysen moest uit Vleuten vluchten en zocht kennelijk zijn toevlucht in Harmelen. Of de gemeente dat kon waarderen, vermeldt de geschiedenis niet. De Harmelense predikant werd afgezet en door een andere vervangen (Helmontanus).

In later tijd werd ds. De Ridder door de bakker van het dorp beschuldigd van het brengen van een coccejaanse leer (Coccejus, hoogleraar te Leiden). De bakker had zich zeer geërgerd aan de preken van de predikant over de sabbat. De ouderiingen verklaarden verbaasd te zijn over de boosaardigheid en onbeschaamde uitdrukkingen van de bakker. De bakker trok dan ook aan het kortste eind en werd onder censuur geplaatst. Hij bleef de gemoederen van de kerkenraad bezighouden. In het huis van een 'paapse man' sloeg hij lastertaal uit over de dominee. Een.jaar later verklaart de bakker enige tijd 'getroubleerd in zijn verstand' te zijn geweest. De kerkenraad nam met deze verklaring genoegen en liet hem weer toe aan het Avondmaal.

In de kerkenraadsnotulen, die op zakelijke wijze verslag doen van wat gezegd en besloten werd, komen we weinig emoties tegen. Des te opvallender is de vermelding dat de broeders met tranen afscheid namen van ds. Huibert van den Bijllaardt in 1782. Hij stond slechts drie jaar in Harmelen, maar er was in die tijd kennelijk een hechte band ontstaan.

De afscheiding ging aan Harmelen voorbij. De doleantie bracht meer rumoer. Ongeveer 100 lidmaten scheidden zich in de periode 1886-88 van de hervormde gemeente af. Op 19 mei 1887 werd tijdens een kerkenraadsvergadering bij meerderheid van stemmen besloten het synodale juk af te werpen. Het merkwaardige is dat de gemeente over deze zaak niet geraadpleegd werd. Enkele broeders van de kerkenraad hadden hier wel op aangedrongen, maar daar werd niet naar geluisterd. De stemming in de kerkenraad schijnt niet helemaal eerlijk te zijn verlopen. Later klaagden de tegenstemmers dat ze door de predikant van zijn studeerkamer waren gejaagd.

Sinds die tijd telt Harmelen drie kerken: de vanouds hier bestaande r.k. parochie, de hervormde gemeente en de gereformeerde kerk. Tussen de protestantse kerken is een goede verstandhouding. Dat is ook nodig omdat op tal van terreinen moet worden samengewerkt. Toch is de behoefte om echt samen op weg te gaan niet groot. Waarschijnlijk zijn we daarvoor in de loop der jaren teveel uit elkaar gegroeid.

Enkele predikanten

Enkele namen van predikanten, die hier gestaan hebben, wil ik nog noemen. Van 1903-1910 stond hier dr. H. J. Olthuis. In de Harmelense pastorie schreef hij een dissertatie over de dooppraktijk der gereformeerde kerken in Nederland in de periode 1568-1816. Van Harmelen ging hij naar Rotterdam, waar hij zijn verdere ambtsperiode gebleven is. In de meidagen van 1940 maakte hij het bombardement mee. Een groot deel van zijn wijk ging in vlammen op. In hetzelfde jaar nog ging hij met emeritaat.

Een markante figuur was ds. J. W. H. Kalkman. Het was een energieke predikant. Na zijn emeritaat nam hij toch nog een beroep aan naar Harmelen. Hij stond hier van 1911 tot 1915. Van collega ds. M. van Kooten uit Montfoort kreeg ik heel wat gegevens over ds. Kalkman. Teveel om dat alles hier te vermelden. In de periode dat hij in Maassluis stond, trok hij veel kerkgangers, ook van buiten Maassluis. Bij zijn intrede daar schijnt hij gezegd te hebben dat hij de gewelven van het kerkgebouw zou doen weergalmen van de donder van de Sinaï en van het bazuingeklank van het Evangelie (dr. J. C. Rullmann, De Doleantie, 213).

Aanvankelijk sympathiseerde hij met de doleantie. Hij preekte in de begintijd van de doleantie in gebouw Frascati te Amsterdam, waar alleen dolerende voorgangers preekten. Later werd hij echter een felle tegenstander van de doleantie. Hij was ook nauw betrokken bij de oprichting van de Gereformeerde Zendingsbond en was ook hoofdbestuurslid. Echter niet voor lang. Want reeds op de eerste bestuursvergadering kwam het probleem van de gezangen op tafel. Het bestuur wenste in de statuten opgenomen te zien dat zendelingen in hun samenkomsten alleen psalmen zouden laten zingen 'omdat men door ervaring geleerd heeft, dat het vrije lied Gods Woord op den achtergrond dringt en een zeer bekwaam vervoermiddel is tot het inprenten van allerlei wind van leer'. Ds. Kalkman was van mening dat de belijdenis der kerk een genoegzame waarborg was om de grenzen van de vereniging zuiver te houden. Kalkman bedankte als lid.

Een zekere gestrengheid kan hem niet ontzegd worden. In de notulen van 19 januari 1912 lezen we dat op voorstel van ds. Kalkman aan het eind van de kerkdienst kaartjes zullen worden uitgereikt aan de bedeelden. Als zij in aanmerking wilden komen voor steun van de diaconie en die steun wilden behouden, dan moesten zij aan de diakenen de kaartjes laten zien als bewijs van trouw kerkbezoek.

Van 1939-1947 diende ds. R Zijlstra de gemeente. Hij was negeneneenhalf jaar als zendeling werkzaam voor de GZB in het Torajagebied. Hij begon daar zijn arbeid in 1920, drie jaar na de moord op de zendeling Van de Loosdrecht. Een heel moeilijke tijd voor het zendingswerk. 'Alom werd zijn mildheid en scherpzinnigheid geprezen', schrijft dr. B. Plaisier in zijn proefschrift over het werk van de GZB in Indonesië. De gouverneur van Celebes typeerde hem als iemand met een brede blik en met veel ijver en met meer dan gewone capaciteit. Een van de eerste dingen, die ds. Zijlstra in Harmelen deed, was het instellen van een zendingscoramissie. Hij richtte ook de mannenvereniging op, die echter niet heel lang bestaan heeft (tot 1951).

Ter vergelijking: de jongelingsvereniging 'Jonathan' heeft het langer volgehouden. Die werd op 12 oktober 1888 opgericht, 'aanwezig waren 6 jongelingen'. Nog steeds bestaat 'Jonathan' als een levendige jeugdvereniging. Maar niet meer als 'jongelings'-vereniging, want ook de 'jongedochters' maken er sinds lang deel van uit. De meer dan 100-jarige geschiedenis van een belangrijk stokje jeugdwerk is vastgelegd in maar liefst 23 notulenboeken!

Boven de toreningang van de kerk staat de tekst: 'genade zij u en vrede'. Zo wordt al eeuwenlang iedere kerkganger begroet. Dat brengt ons bij de kern van de zaak: niet het gebouw, hoe fraai ook, maar het Evangehe van Gods genade voor zondaren is het hart van de gemeente. Dat moet ook het hart blijven van deze, ook in geestelijk opzicht, veelkleurige gemeente. De gemeente is wars van strakke eenvormigheid, maar juist daardoor wordt des te meer beseft dat het Woord van God het enige richtsnoer en het enige fundament kan zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Torenspitsen-Gemeenteflitsen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's