De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De actualiteit van Dordt (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De actualiteit van Dordt (1)

11 minuten leestijd

Augustinus en Pelagius

Genade en uitverkiezing van eeuwigheid behoorden voor de kerkvader Augustinus (4e eeuw) onlosmakelijk bij elkaar. En wel zó, dat de uitverkiezing van eeuwigheid bepalend is voor het er zijn en zó zijn van de genade, en niet omgekeerd. Daarmee is de genade verankerd in de eeuwigheid en niet in de tijd, dan wel in het welbehagen of de wil van God en niet in de wil van de mens. En daarmee stelde Augustinus zich diametraal op tegenover Pelagius.

Op grond van de Heilige Schrift en in tegenstelling tot Pelagius leerde Augustinus dat de menselijke wil niet vrij is en poneerde aldus met kracht 'de uitverkiezing tot zaligheid uit genade alleen'.

Deze uitverkiezing kan dan worden omschreven als 'eeuwigheidsgenade', die in de tijd wordt verwerkelijkt, zonder daarbij door menselijke inbreng of aanbreng van kracht te worden.

Luther en Erasmus

Tijdens de Reformatie in de 16e eeuw werd een en ander opnieuw actueel in de vlijmscherpe discussie tussen Luther en de humanist Erasmus, waarbij Luther zich onverkort achter Augustinus stelde en Erasmus van Rotterdam het gematigde semi(half)-pelagiaanse standpunt innam van de toenmalige theologie binnen de middeleeuwse Rooms-Katholieke Kerk.

Daarbij spitste de leer van de Reformatie zich toe op de augustiniaanse stelling van de totale en radicale onvrijheid van de menselijke wil ten goede en de dienovereenkomstige genadeleer, gestructureerd door en onderbouwd met de uitverkiezing van eeuwigheid.

Ik ga voorbij aan de accentsverschillen tussen Luther en Calvijn, welke laatste zijn genadeleer fundeerde met een uitgewerkte en 'evenwichtige' predestinatieleer, waarbij de verwerping van eeuwigheid de 'tegenhanger' werd van de verkiezing van eeuwigheid. Hoewel daar méér over te zeggen is, dan wel gezegd wordt.

Dordt en de Remonstranten

Dezelfde zaken werden een eeuw later hier te lande opnieuw actueel in de strijd van de contra-remonstranten tegen de remonstranten of arminianen. Opnieuw was het eigenlijke van de Reformatie in het geding, nl. het zalig worden uit genade alleen, zonder de werken der Wet, waarbij de fundering van de genade opnieuw werd gelegd in de uitverkiezing van eeuwigheid.

En eigenlijk gaat het daarbij ten diepste in de uitgewerkte Dordtse genadeleer, zoals verwoord in de Dordtse Leerregels of de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten, om de aard van het geloof. En daarmee is in dit belijdenisgeschrift van onze Nederlandse Hervormde Kerk tegelijk het andere brandpunt (of het énige!) van de Reformatie opnieuw belijdenderwijze aan de orde gesteld, nl. dat van de rechtvaardiging van de goddeloze ofwel de rechtvaardiging van de zondaar door het geloof alleen. De genadeleer is daarmee uiteraard bepalend voor de geloofsleer. En aldus beoogt Dordt iedere afwijking in de genadeleer te signaleren als afwijking van de Bijbelse geloofsleer.

Wat voor de remonstranten bijkomstige of tweederangs-zaken waren, bleken voor Dordt zaken te zijn van leven of dood. De kerk in ons land was toen dan ook 'in statu confessionis', d.w.z. met zoveel woorden, dat de kerk toen noodzakelijkerwijs van Godswege in staat gesteld werd het geloof van de kerk der eeuwen door te vertalen en door te geven in het twistgeding om de rechte leer, waarbij ten diepste de genadeleer in het geding was en zó ook de geloofsleer.

Actueel

Zaken die vandaag van ongekend en ononderkend belang moeten worden genoemd, aangezien, althans naar het mij voorkomt, het remonstrantisme opnieuw welig tiert, zowel bij de 'evangelischen' enerzijds als bij de 'reformatorischen' anderzijds.

Door de eersten wordt de predestinatie (leer van de eeuwige uitverkiezing én de eeuwige verwerping) doorgaans geneutraliseerd dan wel ontkend, en door de laatsten wordt zij veelal als onbijbels gekwalificeerd.

En dan te bedenken dat zowel voor Luther als voor Calvijn de leer van de predestinatie onmisbaar was in Bijbelse theologie en prediking. Voor hen was de predestinatie allerminst een vreemd onbijbels element, dat wezenlijk vreemd zou zijn aan het Evanglie, zoals thans vaak wordt gezegd of gesuggereerd - integendeel, zij was er dragende grond en mogelijkheid van! Voor de reformatoren zou er zelfs zonder predestinatie van geen Evangelie sprake kunnen zijn.

Scholastiek

Daarbij dient er nadrukkelijk op te worden gewezen dat de scholastieke vorm of de toenmalige wijze van filosofisch denken in de vorm van 'oorzaak en gevolg', waarbij het ene logisch valt af te leiden uit het andere, door Dordt onmiddellijk betrekkelijk wordt gemaakt vanwege haar belijdend karakter. Als zij 'de besluiten van God verhaalt' dan belijdt zij onophoudelijk dat dit het verstand of het begrip verre te boven gaat. En daaruit volgt dat het niet waar is dat de Bijbelse geloofsinhoud is gewrongen in een verwrongen door filosofische begrippen, die de toenmalige theologie inderdaad hanteerde. Destijds kon het Evangelie op een eigentijdse wijze uitpakken, in plaats van op een eigentijdse wijze te worden ingepakt! Van een noodlotsleer kan er belijdenderwijze (!) bij Dordt geen sprake zijn. Zij komt niet met een vage benadering, maar zet in bij de concrete werkelijkheid van de feitelijke toestand van de mens. Het denken in oorzaak en gevolg dient dan om het genadekarakter van de genade te onderstrepen.

Van ongekende actualiteit vandaag, omdat de zuigkracht van de menselijke medewerking inzake het verkrijgen van het heil (synergisme) al de eeuwen door zo sterk blijkt te zijn dat het zich telkens weer meldt aan de poorten van kerk en theologie, en vandaag geaccentueerd en verscherpt wordt door het eigenmachtige (autonome) denken van de geseculariseerde (ontkerstende) mens, die ook volop aanwezig is in onze gemeenten, al is het misschien in een 'reformatorisch gewaad'.

Radicaal

Nadrukkelijk moet hierbij worden gesteld dat de verkiezing van eeuwigheid ook niet geschied is omdat God het geloof of de gehoorzaamheid van hen, die Hij verkoos, voorzag, want in dat geval zou God toch nog enige waarde hechten aan het geloof als zodanig en dan zou de verkiezing toch niet enkel uit genade zijn. En als dit niet het geval was, dan zou er niemand zalig worden.

Sinds de Reformatie gaat het weer om het belijden van de radicaliteit van de menselijke verlorenheid, welke haaks staat op iedere vorm van menselijke medewerking! Niet als gelovigen komen de uitverkorenen voor in de verkiezing van eeuwigheid, maar als gevallen mensen en daarom als vijanden van God. Uiteraard hangt de rechtvaardiging van de goddeloze hiermee samen. Opdat genade ook genade zij en blijve!

Vrije genade

De uitverkorenen hebben dan ook volgens Dordt alleen te roemen in God en in Zijn genade, en de verworpenen hebben geen reden tot klagen, want Gods oordeel is rechtvaardig (Art. I, 1 'zo zou God niemand ongelijk hebben gemaakt'). Genade is immers onverdiend en daarom is ze ook vrij en valt ze vrij. Al bevalt dit de natuurlijke evangelische of reformatorische mens geenszins. Nochtans wordt zó nog altijd God op het hoogst verheerlijkt en de mens op het diepst vernederd (om het nog maar weer eens in klassieke bewoordingen te zeggen).

Ondertussen wordt dit heil dat volkomen van God uitgaat, in Christus gefundeerd en door de Heilige Geest bewerkstelligd. Artikel I is dan ook het kader of de 'setting', waarin de andere artikelen staan.

Predestinatie

Toch is het goed te bedenken, dat Dordt het woord 'predestinatie' als zodanig heeft vermeden, wat zeker daarmee verband houdt dat Dordt in feite en in geschrifte een zeker 'gematigd standpunt' innam (infralapsarisme), niet per definitie, maar dan toch met zoveel nauwkeurig geformuleerde woorden. Nadrukkelijk stelt Dordt dat God verkoren heeft 'uit het gevallen (!) menselijk geslacht'. Dordt zet de leer van de predestinatie niet in het kader van een algemene vooruitbestemming, maar zij beschouwt de gevallen mens als onderwerp van uitverkiezing, waaruit volgt dat in het vervolg door Dordt slechts in oneigenlijke zin van 'predestinatie' wordt gesproken, waarmee dan tegelijk het denken in termen van oorzaak en gevolg (de scholastiek-causale gestalte) van Dordt minder geprofileerd blijkt te zijn dan vaak wordt gesuggereerd en waarom ook het vermoede dienovereenkomstige gehalte van deze belijdenis tot nul kan worden teruggebracht.

Vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog

Al beschouwt Dordt de gevallen mens als voorwerp van verkiezing, daarom ligt de grond van zijn verkiezing niet in hem, maar in Christus ('uitverkoren in Christus'). God roept de uitverkorenen, niet omdat ze waren, maar opdat ze zouden zijn 'heilig en onberispelijk voor Hem in de liefde'. En zó kunnen we ook stellen, dat de grond van de verkiezing en de zaligheid in God ligt. En dit is dan ook tegelijk bepalend voor het karakter van Gods genade, want God heeft Zijn genade, dan wel Zijn barmhartigheid, willen betonen in Zijn verkiezing. Dit in tegenstelling tot de remonstrantse stelling, ook van vandaag, dat God bewogen is tot genade of barmhartigheid door de ellende van de mens. Dit laatste doet tekort aan het vrije van Zijn welbehagen en beknot de genade tot een radicale vorm van medelijden. Zo gezien gaat het dan ondertussen wèl om de mens en niet meer om (de eer van) Gód! Gods genade zal geprezen worden (i.p.v. bewezen!) en wel bepaald de heerlijkheid van Gods genade, die onmiddellijk samenhangt met de eer van God (gloria Dei).

Op een letterlijk onvoorstelbare wijze ontdoet Dordt de gereformeerde belijdenis van 'menselijke' smetten.

Geen werkheiligheid

Het is er Dordt vooral om te doen te belijden dat het heil van de gelovigen niet wisselvallig is, maar vast, omdat het op een vaste grond berust buiten henzelf.

Hier ligt het heil voor de 'moderne' kerkelijke mens, die de vastheid zoekt in zichzelf en in zijn geloof; een heilloze gerichtheid, die in het leven geroepen is door de remonstrantse leer, dat er in de mens die verkoren zou worden, enige 'waardigheid' aanwezig moest zijn, nl. 'geloof en gehoorzaamheid van het geloof'. Niet dat de gelovigen de verkiezing zouden verdienen - volgens de remonstranten - maar God wil deze 'voorwaarden' dan tot een genoegzame waardigheid verheffen.

Het moge duidelijk zijn dat op deze vermeende 'grond' ook vandaag in de gereformeerde gezindte de giftige plant van de 'werkheiligheid' welig kan tieren. 'Men moet vast maar beginnen te geloven en dat zal God dit wel afmaken en 'vól-maken!' Remonstrantisme van het zuiverste water! Minstens zulke extreme vormen krijgt deze giftige plant vaak bij de 'evangelischen': de daad van het geloof is daar doorgaans de dóód van het geestelijk leven, omdat deze daad meestal volkomen is bevangen van en gevangen door het 'activisme' .

De remonstranten spraken bovendien van 'enige andere goede hoedanigheid of geschiktheid', nl. 'dat de mens het licht der natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt'. Berouw, leedwezen en vooral 'verootmoediging' gaan dan duidelijk op methodistische wijze voorwaardelijk functioneren. En daarmee wordt dit zgn. 'evangelische leven' wettisch (!) vorm en inhoud gegeven. Daardoor zou God dan bewogen worden ons de genade of het geloof of een geestelijke opwekking te geven! Veel van dit 'revivalism' is echter niet meer dan daadwerkelijk en doodgevaarlijk menselijk activisme! En men weet vaak niet meer dat het allemaal doodgewoon remonstrantisme is. Losgeslagen van de ankers van de kerk der eeuwen meent men aldus de menselijke verantwoordelijkheid te moeten redden.

Evangelicalisme

Bovendien gaat vandaag de roep om 'spiritualiteit' duidelijk ten koste van de leer ('Niet de leer, maar de HEER!'). Een duidelijk veronachtzamen van Gods openbaring. Een en ander komt openbaar in een vage religiositeit die geen weet (meer) heeft van 'de religie van het belijden'.

Het 'heilsactivisme' immers ziet de waarheid vooral als een 'gebeuren', een 'doen', waarbij de menselijke inbreng onmiddellijk 'vertaald' wordt in Gods doen.

We dienen eerlijk te bekennen, dat de kerk vaak zelf aanleiding heeft gegeven tot karikatuarisering van de Bijbelse leer. En éën van die aanleidingen is het menselijk denken - via een remonstrantse poging - aan te sluiten op Gods denken, met name via 'het recht gebruik van het licht der natuur'. Zó wordt echter de vrijmachtige (soevereine) God afhankelijk gemaakt van allerlei voorwaarden in de mens. De genade en het geloof zijn dan wèl gaven van God, maar God is dan niet vrij om deze te schenken aan wie Hij wil. Een ieder, die zich nederig en ootmoedig betoont, ontvangt dan de genade en het geloof, omdat hij in zekere zin geschikt is dan wel zich geschikt gemaakt heeft voor het eeuwige leven.

Het komt er eenvoudig op neer, dat de mens eerst God verkiest en dat daarom en daarna God de mens verkiest. De goddeloosheid van de mens neemt hier de vorm aan van een heel subtiele 'vroomheid'-, maar blijft in wezen van dezelfde substantie: vlees! Als Dordt belijdt dat God verkiest tot het geloof en niet uit of om het geloof, dan belijdt zij daarmee dat de mens onbekwaam is tot enig goed ofwel 'dood is in zonden en misdaden'.

Maar gereformeerd belijden is de diepste oorzaak van de verkiezing het vrijmachtig welbehagen van God!

De remonstranten verbonden Gods welbehagen met allerlei kwalificaties of activiteiten van de mens, als reden waarom God een welbehagen in hen zou kunnen hebben. Het in zichzelf onvolkomen geloof zou God dan de waardigheid toekennen van de volkomen gehoorzaamheid aan de Wet. Als de mens aanvullend wil werken, dan wil God dit ook wel doen! Altijd weer datzelfde 'roomse' en remonstrantse gif! Ondertussen is het hier wel de redenerende en aldus rebellerende mens, die de dienst uitmaakt... van God!

Daarvan wil Dordt niets weten en daarom zingt zij haar hoogste lied daar dwars doorheen - ook vandaag - 'Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen'. En eeuwig duurt het langst!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De actualiteit van Dordt (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's