De actualiteit van Dordt (3)
Verantwoordelijkheid
Arminius maakte bezwaar tegen de leer van de volstrekte verkiezing van eeuwigheid uit genade alleen. Dit zou de mensen hun verantwoordelijkheid ontnemen, zorgeloos maken of tot wanhoop drijven,
'Honoreer en activeer de verantwoordelijkheid van de mens!' Een geluid, dat u ook vandaag in de gereformeerde gezindte kunt horen, en vooral in de evangelische wereld.
Nu is de menselijke verantwoordelijkheid ongetwijfeld een Bijbels motief. Anders wordt het, wanneer dit bijbelse motief vanuit de mens wordt bepaald en ingevuld. Dit nu was het geval met het remonstrantisme van toen en is nog immer karakteristiek voor het remonstrantisme van vandaag.
Daarbij lijkt het verschil met het Calvinisme miniem. Maar in wezen is dit het verschil tussen leven en dood. Vandaar dat het hedendaagse remonstrantisme als een geraffineerde en doodgevaarlijke zaak onderkend dient te worden. Daaraan hangt het leven van de Kerk vandaag!
Op de mens gericht
Op de mens gericht Kenmerkend voor het remonstrantisme is zijn mensmiddèlpuntigheid. En daarin is het wezenlijk tegengesteld aan het Calvinisme met zijn gerichtheid op God.
Op de vraag wie God besloten heeft zalig te maken, antwoorden de remonstranten: Zij, die geloven! Dit lijkt een Bijbels antwoord, maar het is, bij nader inzien, wel versimpeld en vooral ongenuanceerd. Want het geloven krijgt hier bij de remonstranten als voorwaarde een eigenwaarde. Geloven wordt niet van een gave een opgave!
Buitengewoon listig geformuleerd, verslaat dit remonstrantisme vandaag nog zijn duizenden. De mens wordt in een verkeerd verstane (!) verantwoordelijkheid gemanipuleerd en daarmee in feite geëerd, in plaats dat God alle eer ontvangt in het behoud van zondaren.
In de remonstrantse leer en prediking wordt de mens in zijn absolute en radicale vijandschap tegenover God toch overeind gehouden, gehuld in een schoonschijnend en vroom gewaad. Nooit zal een remonstrantse preek de mens radicaal 'afbreken' in zichzelf. Hij kan altijd nog wat. Hij kan nog gelóven. En hij moet o zo veel! Hij moet in ieder geval geloven", zij het dan met behulp van de genade. Maar het 'moeten' gaat daarbij wèl voorop!
En nu wordt de 'evangelisch'-ogende adder betrapt onder het remonstrantse gras als zijnde een wettisch gewrocht en gedrocht. Dordt belijdt daarentegen, dat het geloof niet de oorzaak, maar de vrucht is van Gods eeuwig besluit! De grond van de zaligheid ligt niet in de mens, maar in God!
Op God gericht!
Van groot belang is daarbij de betekenis en dè plaats van het verbond in de prediking. Onmiskenbaar zal dan zijn het calvinistisch principe van de eer van God (gloria Dei). En ongetwijfeld is dat de dragende grond van Gods verbond, als we spreken van het verbond der genade. Dat verbond kreunt bij Calvijn niet onder de spankracht van de verkiezing, laat staan dat het leunt op de vraagkracht van de mens, maar het steunt op de (draagkracht van de heerlijkheid van God!
Deze op God gerichte inzet bij de eer van God brengt met zich mee, dat de prediking (in navolging van Dordt) begint met alle mensen schuldig te stellen in Adam voor het aangezicht van God.
In haar oppositie tegenover de remonstranten van toen en nu is deze op God gerichte inzet van Dordt bij de soevereiniteit of vrijmacht van God van wezenlijk belang en bepalend voor de Bijbelse en gereformeerde genade-en geloofsleer en dienovereenkomstige prediking.
Als we ons, naar het oordeel der Kerk zelf en van de theologie, hier in het centrum van het belijden bevinden, daar het in de Dordtse belijdenis gaat om het hart der Kerk (cor ecclesiae), dan dient er een nauwlettende en nauwluisterende afstemming plaats te vinden op de eer of de heerlijkheid van God. Dan wordt de leer aangaande Christus (Christologie) wezenlijk bepaald door de theologie van de soevereine of vrijmachtige God, Die juist in Zijn vrijmacht Zijn heerlijkheid ten diepste en tenslotte openbaart.
Prediking
Het evangelie zal dan ook in de prediking worden gepresenteerd als 'evangelie'! Immers, de mens heeft het verdiend dat God hem in zijn zonde en vervloeking zou hebben laten liggen. Maar God heeft dit niet gewild en daarom niet gedaan, en dat is pure genade. En vrije genade!
De vanzelfsprekendheid, waarmee wij als 'rechthebbende mensen' het evangelie menen te kunnen annexeren, valt hiermee weg.
Wanneer in de prediking dan ook wordt opgeroepen tot geloven, dan is dat nu wel heel direct verbonden met Gods recht en genade, ofwel met Zijn genade door recht. En daarom zal de christologie in de prediking consequent staan in een theologische (op God gerichte) 'setting', niet vanwege een logische orde, maar vanwege de op God gerichte heilsorde, die naar vorm en inhoud bepalend is voor het heil van de mens. Ons heil is in God. En God zelf is mijn heil!
Menselijke factor
Dordt fundeert het evangelie in de soevereiniteit van God. Waar dit niet gebeurt, wordt het op losse schroeven gezet en baart het een tijdgeloof.
De zending van Zijn Zoon is openbaring van Gods vrijmachtige liefde. Wij kunnen daarop geen enkel recht laten gelden, sinds er belijdend sprake is van Gods recht.
Dit Evangelie wil worden verkondigd of gepredikt, niet door de Geest, noch door engelen, maar door mensen. Hier en zó wordt de menselijke factor ingebracht, maar wèl in deze volgorde en in deze positie.
Als Dordt een antwoord geeft op de vraag hoe men aan het geloof komt, dan wordt er niet in de eerste plaats verwezen naar het werk van de Geest van God, maar naar de prediking van mensen tot mensen (art. I, 3), en dit laatste impliceert dan voluit de menselijke verantwoordelijkheid, zowel van de prediker als van de hoorder. De eerste kan zijn verantwoordelijkheid slechts woordelijk waarmaken als hij daartoe goddelijke volmacht ontvangen heeft en de tweede verstaat - in tweeërlei zin - zijn verantwoordelijkheid al 'horende'. En dit bijbels-gekwalificeerde woord 'horen' zal dan iets anders blijken te zijn dan alleen maar luisteren, laat staan 'beluisteren'.
Ondertussen is er nu zoveel dynamiek en beweeglijkheid belijdenderwijze ingebracht in de aanwijzing van het middel waardoor men tot het geloof kan komen, dat het onhoudbaar zal blijken te zijn de belijdenis van predestinatie als filosofisch statisch te kwalificeren, laat staan dat er van statistiek sprake zou kunnen zijn.
Daarbij zal de prediking van Jezus Christus en Die gekruisigd doelgericht en doelbewust zijn: nl. 'tot wie Hij wil, en wanneer Hij wil', daarmee zal ze allerminst tot een vrijblijvende zaak worden.
Gods vrijmacht en 's mensen onmacht realiseren zich beide in het antwoord van de mens op het Woord van God, waarbij en waarin de menselijke verantwoordelijkheid is gegeven. Deze realiseert zich nooit vanuit eigen werkzaamheid, maar vanuit Gods werkzaamheid in de verkondiging van de grote werken Gods.
Toorn van God
Openbaringsgewijze is 'de toorn van God' de negatieve uitwerking van de heiligheid van God ten opzichte van de zondige mens. In de prediking zal het daarom doorklinken dat er voor wie niet gelooft niets verandert: 'op die blijft de toorn van God'. En daarmee belijdt Dordt de ontzaglijke realiteit, waarin de prediking zich voltrekt! Een realiteit, waarvan èn de prediker èn de hoorder zich alleen uit genade en in de genade bewust zullen zijn. En dit bewustzijn is dan een pneumatologisch (geestelijk) gegeven in de gave van het Woord en van de Geest.
Het behoort ondertussen mede tot de crisis van onze moderne tijd, dat we vandaag nauwelijks meer weet hebben van de toorn van God, om welke reden navenant het ontvangen van genade op een weinig 'doorleefde' wijze wordt beleefd en beleden.
Het Godsbewustzijn in de West-Europese en Amerikaanse cultuur is grotendeels omgeslagen in geseculariseerde (m.b.t. de ontkerstening) verharding en heeft, sterker dan men zich doorgaans bewust is, zijn weerslag gehad op het kerkelijk leven en op de prediking, ook onder ons!
Ongetwijfeld heeft dit te maken met de autonomie (zich zelf tot wet stellen) van de geseculariseerde mens en zijn dienovereenkomstig gewaand en verwaand onafhankelijkheidsbesef.
En temidden van allerlei garanties en zekerheden leeft ook de kerkelijke mens vandaag doorgaans volop en voluit zijn (zelf)verzekerd leven. Hooguit ten aanzien van zijn kerkelijkheid op zondag is zijn leven theonoom (naar Gods wet gericht), maar ten aanzien van de werkelijkheid van alle dag is zijn leven doorgaans autonoom, waardoor woorden en daden elkaar niet meer dekken.
God is uit Zijn tempel gedaan en de godsdienst volgt langzaam aan. Althans, wanneer God niet opnieuw ter sprake komt in de prediking in Zijn heiligheid!
Aansluiting in de prediking op het belijden van de Kerk is levensnoodzakelijk, omdat de Kerk noodzakelijk moet leven om niet te sterven.
Verantwoordelijkheid
Ondertussen belijdt Dordt de zwaar geladen verantwoordelijkheid van degene, die Gods beloven zal geloven.
Wie het wèl zal geloven, wordt 'van de toorn Gods en het eeuwige verderf verlost en met het eeuwige leven begiftigd'. Dit wèl geloven is dan geen 'eigen werk', op de manier van: ik moet het toch eerst zelf aannemen!
Want dit 'aannemen' geschiedt (heilsgeschiedenis!) in het 'horen' door en vanuit de prediking dat men is aangenomen in de Geliefde! 'Hoor, en uw ziel zal leven!'
Bij het activistisch 'aannemen' in de evangelische beweging en dienovereenkomstige prediking zal men er op gewezen dienen te worden, dat de belijdenis van de Kerk dit 'aannemen' omschrijft als 'met een waarachtig en levend geloof omhelzen'. Men heeft dan zijn verantwoordelijkheid waar gemaakt in het horen dat God Zijn Woorden waarmaakt in Jezus Christus. En dit 'horen' is in de prediking brandpunt en verbindingspunt vanuit het verbond der genade.
Verkondiging
In de lijn van Augustinus en van de Reformatie zal de prediking voor geen tweeërlei uitleg vatbaar zijn. De toonzetting van en in de genade is bepalend voor het Bijbelse gehalte en de belijdende gestalte van de verkondiging.
In de prediking zal dan de verkiezing niet aangevuld behoeven te worden met een speciale openbaring, bestaande uit een mededeling van wat voor Gods rechterstoel besloten is, maar vanuit de prediking wordt de verkiezing openbaar in het gaan van de weg van het geloof. En Calvijn beroept zich dan ook nadrukkelijk op Augustinus, die Christus predikte als het 'helderste licht van verkiezing en genade' (Clarissimum lumen praedestinationis et gratiae).
Anderzijds heeft het christo-monisme van K. Barth met zich meegebracht dat de Bijbelse triniteitsleer in de verdrukking kwam en als uitvloeisel daarvan wordt veel 'rechtzinnige' Christus-prediking, waarbij de verkiezing maar zo veel mogelijk wordt verzwegen, hoogst bedenkelijk!
Nee, het besluit van de verkiezing wordt niet genomen door een 'onbekende God', want Hij beschikt tegelijk de geopenbaarde middelen om de zaligheid te schenken. Maar als men in de 'rechtzinnige' prediking zo graag naar de middelen verwijst, moet men echter wèl bedenken dat Christus als de Middelaar daarin de éérste en alles bepalende plaats inneemt!
Met 'uitverkoren in Christus' belijdt Dordt, dat we niet uitverkoren zijn om Christus, maar om dóór Christus en door het geloof in Hem de zaligheid te verkrijgen. En zó is Christus 'het fundament der zaligheid' (volgens Dordt) en niet het fundament van de verkiezing (Barth).
Juist zó wordt de soevereiniteit van God gevrijwaard van antropologische (menselijke) elementen.
Niettemin krijgt deze soevereiniteit van God ook een christologische dimensie als eveneens beleden wordt, dat God 'ook besloten heeft de uitverkorenen aan Hem (Christus) te geven'.
Daarom prediking bij de gratie van de predestinatie! Om Gods wil en omwille van onze ziel en zaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's