Het draagvlak en de invloed van nieuwe zuilvorming
In Workum werd recent in de Latijnse School een cursus gegeven over het onderwerp 'Leven om te werken? Of: een dag van staken? '. Drs. J. D. Th. Wassenaar deed daarvan verslag in het Hervormd Weekblad. Een van de sprekers was mevr. M. van der Ploeg-Posthumus uit Leeuwarden, voormalig lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Zij constateerde, dat de christelijke organisatievormen steeds meer op de tocht zijn komen te staan. Als voorbeelden noemde zij 'de samenwerkingsschool', waarin verschillende levensbeschouwelijke richtingen participeren, en de fusie van landbouworganisaties, waarbij de Christelijke Boeren en Tuinders Bond als zelfstandige instantie werd opgeheven.
Er zouden uiteraard veel meer voorbeelden te noemen zijn. Het is allemaal begonnen met de de-confessionalisering van de christelijke organisaties, waarvan ooit Abraham Kuyper in principe de grondlegger was. Als zodanig vertelde mevr. Van der Ploeg niet direct iets nieuws. Maar haar conclusie wil ik hier toch nog laten volgen. Ze zei: 'Al met al is de invloed van de christelijke organisaties steeds minder geworden. Dat is niet in het minst tot uitdrukking gekomen bij de totstandkoming van de paarse coalitie'.
Op zich zijn bij deze conclusie principieel kanttekeningen te plaatsen. Achter de conclusie van mevr. Van der Ploeg zit kennelijk de gedachte, dat de inbreng en de invloed van christenen in de samenleving is voorbehouden aan en afhankelijk is van de christelijke organisaties. Moeten we echter niet veelmeer zeggen, dat de christenheid in Nederland vanwege de secularisatie naar de rand van de samenleving is gedrongen en dat het getuigenis van de kerken ook in hoge mate is gaan mankeren? Enerzijds door de kaalslag in de kerken zelf, anderzijds door de kerkelijke verdeeldheid! De neergang van de christelijke organisaties is een symptoom, niet de oorzaak van de ver-paarsing van de samenleving.
Initiatieven
Vanwege de neergang van de grote chris telijke organisaties is de laatste tientallen jaren een nieuw organisatiestreven op gang gekomen, zowel in de Gereformeerde Gezindte als binnen de evangelische beweging. Er is een reformatorische zuil ontstaan. Over die zuil is de laatste tijd veel gezegd en geschreven, ook eerder door mij in deze kolommen.
In het blad Wapenveld schreef dr. G. van den Brink (Lelystad) recent over 'de zegen van de zuil'. Hij begint met op te merken, dat het merkwaardig is met hoeveel eenstemmigheid de laatste tijd de schaduwkanten van de reformatorische zuil worden belicht. Hij herinnert aan een kritische bijdrage van de socioloog drs. W. H. Dekker in hetzelfde orgaan, die het begin werd van een brede discussie. Zelfs generaliserende oordelen, zoals de uitspraak van prof. dr. C. Graafland: 'allemaal mensenwerk', vinden opvallend weinig tegenspraak, zegt Van den Brink. 'Komt dat misschien - zegt hij - doordat het veld in tweeën verdeeld is: zij die uit teleurstelling bij de zuil weggroeien, en zij die voluit tot de zuil behoren en daarom per definitie uit verheerlijking van het verleden klagen over het heden? ' Zijn conclusie is echter, dat de zuil 'bij alle erosie vandaag óók nog een keer een zegen is'.
Met anderen signaleert Van den Brink het gevaar van veruitwendiging. Ook Ds. A. Jonker (Barendrecht) deed dat in het contactblad van de Reformatorisch Maatschappelijke Unie. Deze zei, dat uit een groot aantal voorschriften op detailpunten bij samenwerking in allerlei organisaties geen wijsheid blijkt. 'Handhaven van de bijbelse identiteit moet van binnenuit plaatsvinden. Daarbij zal de buitenkant aan de orde komen, voorzover dat noodzakelijk is voor het wezen van de zaak.'
Dr. van den Brink zei overigens: 'afnemende innerlijkheid - dat is erg, maar misschien minder waar dan gedacht.' We hopen dat hij gelijk heeft. Anderzijds zouden 'veruitwendiging' en 'afnemende innerlijkheid' wel eens met elk organisatiestreven op zich kunnen samenhangen. Het verloop van de zuilvorming aan het begin van deze eeuw mag hier een baken in zee zijn. Verontruste stemmen in de breedte van de nieuwe zuil vandaag zijn symptomatisch.
Invloed
Intussen wil ik weer terug naar de uitspraak van Mevr. Van der Ploeg over de afgenomen invloed van het christelijk volksdeel op de samenleving, gegeven 'paars'. Toegegeven moet worden, dat er in het verleden van de grote christelijke organisaties - bijv. de media, de vakbeweging, de politieke partijen - grote invloed op de samenleving is uitgegaan. Als zodanig is de invloed van de nieuwe zuil(en) op de samenleving slechts marginaal. Dat heeft dunkt mij drie oorzaken:
1. Diverse organisaties zijn nauwelijks gericht op invloed in de samenleving, maar zijn vooral gericht op bescherming van de eigen doelgroep.
2. De nieuwe organisaties komen op uit een sterk verdeeld kerkelijk achterland. Wanneer ze interkerkelijk van aard zijn missen ze soms innerlijke samenhang. Bovendien heeft zich de verdeeldheid van de gezindte als gehéél vaak weer doorvertaald naar versplintering van de organisaties op bepaalde deelterreinen.
3. De getalsmatige grootte van de achterban van de nieuwe organisaties is van dien aard, dat men in de samenleving slechts een kleine minderheid vormt, die in democratische kaders weinig echte invloed kan hebben. Bovendien wordt de nieuwe zuil nog altijd geflankeerd door de grote protestants-christelijke zuil, die, hoewel gedeconfessionaliseerd, getalsmatig nog altijd meer invloed heeft.
Ongetwijfeld zit in het bovenstaande een zekere generalisering. De ene organisatie is de andere niet, zowel als het gaat om externe gerichtheid, alsook met betrekking tot innerlijke samenhang en grootte. Maar als mevrouw van der Ploeg de komst van paars verbindt de teloorgang van de grote christelijke organisaties, dan mag het terugdringen van paars nochtans niet verwacht worden van de komst van nieuwe organisaties. Daarvoor is meer nodig. Dat zullen we alleen al principieel moeten zeggen. Daarvoor is niets minder dan een reveil nodig. In alle kerken en vandaaruit in het geheel van de samenleving.
Liefde
Daar komt nog iets bij. In hoeverre wordt de nieuwe zuil gedragen door echte liefde van het volksdeel, waaruit het opkomt? Toen de grote protestants-christelijke organisatie begon aan het eind van de vorige eeuw, getroostte het christelijk volksdeel zich daarvoor grote offers. Dat was al begonnen met de steun aan het bijzonder onderwijs in de vorige eeuw. Die steun vond plaats vanuit een geestelijke gemeenschap. In het vorige week verschenen boek van Willem Breedveld en John Jansen van Galen over prof. dr. W. F. de Gaay Fortman (Gaius, uitgeverij Scheffers, Amsterdam) vertelt deze, dat de eerste vijf en twintig jaar na de oprichting van de Vrije Universiteit twaalf miljoen gulden bijeen werd gebracht: 'niet zelden gespaard in de kleine busjes met de beeltenis van Abraham Kuyper die op de schoorsteenmantel van menig gereformeerd huisgezin staan'. Dat gebeurde door de kleyne luyden in een tijd, waarin bepaald niet van een welvaartssamenleving kon worden gesproken. Dat elan zit nergens achter het organisatiestreven van vandaag. Allereerst omdat er vaak geen echte geestelijke gemeenschap achter steekt, behalve wanneer de organisatie strikt kerkelijk van aard is of plaatselijk bepaald.
Zeker, er wordt ook vandaag veel geld bijeen gebracht voor goede doelen, voor bepaalde organisaties. Maar het gebeurt grosso modo uit een welgevulde beurs en vaak niet meer voor één breed gedragen gemeenschappelijk doel. Ieder geeft voor eigen organisaties of doeleinden. Of de financiering wordt aan kerkelijke kassen overgelaten, bijvoorbeeld van diaconieën, waarbij zich in toenemende mate de moeilijkheid voordoet welke organisatie men daaruit wel of niet moet steunen, gegeven het grote aanbod van organisaties.
De Gereformeerde Gezindte vandaag is te verdeeld om in liefde en bewogenheid warm te lopen voor één gemeenschappelijk doel.
Een testcase in deze vormen de organisaties voor hulp aan Oost Europa. De organisaties, die er waren, zijn na de Wende aldaar ongewijzigd doorgegaan alsof er niets gebeurd was. Er zijn zelfs diverse organisaties bijgekomen. Er is geen enkele initiatief genomen of mogelijk gebleken voor gezamenlijk optreden. Ieder loopt voort eigen huis.
In Oost-Europa begrijpt men van de onderscheiden identiteiten weinig of niets, die vaak nergens aansluiten bij de identiteit van de kerk aldaar. Men volstaat met het ontvangen van de gelden, ongeacht de hoek waaruit ze komen.
Intussen neemt de 'offer'vaardigheid voor de diverse organisaties hier in eigen land af. De gever hier onderscheidt ook vaak de verschillende doelstellingen niet meer. Christenen veranderen vandaag hun geefpatroon, viel onlangs te lezen.
Invloed
Al met al zal invloed van het orthodoxchristelijke volksdeel op de samenleving dunkt mij niet bepaald worden door het grote net van organisaties, dat de laatste tientallen jaren is ontstaan, al valt op onderdelen veel goeds op te merken. Die invloed zou ten diepste alleen bepaald worden door een herkenbare bijbels-gereformeerde identiteit van alle kerken en bewegingen van gereformeerde signatuur samen, die katholieke, nationale allure heeft. Anders blijft het mijns inziens tobben in de marge en is de nieuwe organisatiedrift niet meer dan de laatste stuiptrekking van een streven, dat aan het eind van de vorige eeuw begon en intussen daar, waar het begon, al vrijwel is uitgedoofd. Dat al zo spoedig na de inwerkingtreding van de nieuwe organisaties de discussie over 'uitwendig en 'inwendig' op gang moest komen geeft te denken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's