De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

8 minuten leestijd

Bij uitgeverij De Groot (Goudriaan/Kampen) verscheen een boek ('Ontmoetingen van blijvende waarde), waarin zijn bijeengebracht verhalen, die de heer C. van der Sluijs schreef op de achterzijde van de scheurkalenderblaadjes van de G.Z.B. De stukken zijn historisch en soms anekdotisch. Hier volgt een stukje uit het verhaal 'Dominees met bijnamen':

'Toch zijn er dominees met een bijnaam geweest. Ds. Cornelis van den Oever, in de tweede helft der vorige eeuw predikant bij de Ger. gemeente onder het kruis te Rotterdam, heette bij zijn volgelingen "Dominee Kees".

En, zo zegt dr. J. C. van der Does in zijn "Kruisgezinden en separatisten", "in die naam school niets minachtends, men kan er integendeel een mengeling van sympathie en gemeenzaamheid in beluisteren". Dat was ook het geval met ds. G. van Velzen, in de twintiger jaren Gereformeerd predikant te Middelharnis, een man van het bevindelijke type, die door zijn aanhangers wel "de ouwe knecht" werd genoemd.

De vorige eeuw was de eeuw van Réveil en Afscheiding, ook van oefenaars en lerende ouderlingen. Ik licht er een paar voor u uit.

Allereerst ds. Dirk Molenaar, die predikant in Den Haag is geweest. U weet, dat hij de man was van het "Adres aan alle mijn Hervormde geloofsgenoten" van 1827. Nu, dat was een heel dikke man. En aan die corpulentie dankte hij de bijnaam "Dikke Dirk".

Bekend is ds. Hendrik de Cock te Ulrum. Zijn voorganger in die gemeente was een man van geheel andere geest: ds. P. Hofstede de Groot. Later werd hij professor te Groningen. Hij was de man van de z.g. Groninger richting, voorloopster van het Modernisme. Dat was een klein kereltje. De Ulrumse jongens noemden hem "de lutjen doomnie", "de kleine dominee".

De oefenaar H. K. Zijlstra van Kooten preekte nog al eens in Coevorden. Dat gebeurde dan op de bovenverdieping van een oude kazerne. De lieve straatjeugd van Coevorden kende de oefenaar we een jouwde hem vaak na. "Zolderpreker", riepen ze dan.

In het begin van deze eeuw was aan de Gereformeerde kerk van Den Haag een predikant verbonden, die Willem Doorn heette. Hij was voor velen een vertrouwensman. Niemand behoefde bang te zijn, dat hij tegen anderen over je zou praten. Zelf zei hij eens: "Als ik sterf, gaan er veel geheimen met mij het graf in". Hij kreeg de bijnaam "Willem de Zwijger".

De jaren '20 tot '30 waren zo ongeveer de glorietijd van de winterlezingen. Begaafde sprekers trokken het land door Hun lezingen droegen vaak pakkende titels. Onder hen was ds. R. E. van Arkel, Ger. predikant te Utrecht. Hij had een reis naar Palestina gemaakt, iets heel bijzonders in die dagen. Daarover hield hij alom lezingen. En - hij kon het. Maar het bezorgde hem wel een grappige bijnaam. "De heilige landloper" noemde men hem. Daar zit een fraaie woordspeling in. Hij vertelde immers van het "Heilige Land"?

Ook dr. J. C. de Moor behoorde tot de veelbegeerde sprekers. Hij sprak op vele plaatsen over het onderwerp: "Hetgeen ik niet verstond". En prompt kreeg hij de naam "Dominee Hetgeen ik niet verstond".

Daar was nog een derde - maar ik weet niet zeker meer, wie dat was - en die ontving naar de titel van zijn winterlezing de bijnaam "De lachende leeuw".

Nog een laatste voorbeeld. Dat gaat over dr. A. A. van Schelven, die in 1918 tot hoogleraar in de geschiedenis aan de Vrije Universiteit benoemd werd. Daarmee verloor hij de rechten van predikant en mocht alleen in de classis Haarlem nog "een stichtelijk woord" spreken, zoals dat heet. Nu was er toen in de stad Haarlem een vacature en Van Schelven moest nog al eens invallen, als men geen gastpredikant kon krijgen.

In de lijst van predikbeurten stonden dan achter de naam van de kerk en het aanvangsuur van de dienst meestal stippeltjes. Dan wisten de Haarlemmers het al: Van Schelven zou voorgaan. Hij kreeg al gauw de naam: "de stippeltjesdominee".'

In het boek 'Predikanten en oefenaars' (deel 3 in de serie 'Biografisch Woordenboek van de Kleine Kerkgeschiedenis', uitgave Den Hertog, Houten) nemen we iets over uit het stuk over ds. Jan Wisse Kersten (1915-1960), de jong overleden zoon van ds. G. H. Kersten (Gereformeerde Gemeenten);

'Reeds na twee jaar Theologische School deed hij met goed gevolg eindexamen, waarna hij beroepbaar werd gesteld. Vele beroepen volgden. Desondanks kon hij niet tot het aannemen van een beroep komen. En opnieuw brak er een periode van strijd aan in het leven van de jonge Kersten. Zijn vader leefde in deze omstandigheden trouw met hem mee. Vanuit zijn tijdelijke verblijfplaats Waarde schreef hij regelmatig opbeurende, liefdevolle, en soms ook wat licht-terechtwijzende brieven, soms wel tot tweemaal per dag, zoals op 9 augustus 1946. Uit een bundel handgeschreven brieven van ds. G. H. Kersten citeren we het volgende: "Waar ga je Zondag heen? Spreek toch wat vrijmoediger en wat luider. Je ziet, dat ons volk niet critisch is, als je maar de zuivere waarheid brengt en de standen van het genadeleven met hun eigenschappen" (4 december 1947).

"Hoe is het in Vlaardingen gegaan? Nogal een opgewekt volkje, he? Je zult toch ook wel eens beschaamd moeten zijn over je ongeloof. Hoe meer wij waren bezwaard, Hoe meer ons God hielp vermaard" (18 augustus 1948).

De laatste brief gemoedelijk en wat plagend van toon, schreef ds. Kersten enkele dagen voor zijn overlijden. Toen was Jan beroepen in Sioux Center in Amerika, waar hij met zijn vader op tweetal had gestaan. Als een reactie daarop kwam de brief, waaruit wij het volgende citeren: "Lieve Jan-concurrent. Zoover is 't nu al gekomen: Jan tegenover z'n vader! En dat moet je dan met blijdschap maar aanzien, zelfs als je het verliest! Zou het er toch waarlijk toe komen, dat je naar S. Center moet? (...) ... voordien schreef v. d. Hoef een brief waarin hij op de noodzakelijkheid van een leeraar wees, maar ook dat ze maar een kleine gemeente waren. Toen heb ik geantwoord, dat als de Heere een leeraar zond. Hij ook voor hem zorgen zou, wat ik geheel mijn leven ervaren heb. Ziedaar alles.

En wat je nu antwoorden zult?

Wel ik zou zeggen, zooals het is; dat je steeds maar geen vrijmoedigheid hebt en dat je zwaar gaat onder den last. De een gelooft zeker dat je komt en de ander ziet een bijzonderen weg van God(s) voorzienigheid geopend als dat een huis beschikbaar is enz., maar dat je toch op het geloof van een ander het niet doen kunt en zoo gedurig maar geschud en geslingerd wordt, waarom je toch het volk dat geen vreemdeling van genade is je in den gebede beveelt, want als je in je eigen weg zoudt optrekken zou je zelf maar in donker gaan en de gemeente er niet goed mede zijn, zooiets. Denk je niet? "

Uit deze brieven spreekt een hartelijk meeleven van een vader tot zijn zoon. Maar ondanks dat meeleven, ondanks hartelijke brieven en ondanks vele gebeden bleef de zaak onbeslist.'

In het verzamelde proza van Jaqueline van der Waals, dat dezer dagen verscheen (uitgave De Groot, Goudriaan/Kampen) staat een essay van de bekende schrijfster over de bekende Deense denker en dichter Sören Kierkegaard. Ze neemt daarin op enkele 'aforismen', puntige gezegden van zijn hand, die wijzen op zijn aangeboren melancholie, die hem, naar Jaqueline zegt, ook tot dichter maakte:

'"Waarom", klaagt hij, "ben ik niet als klein kind gestorven? Dan had mijn vader mij in een kistje gelegd, mij onder de arm genomen, mij op een zondag voormiddag naar het graf gebracht Zelf had hij er de aarde op geworpen en halfluid een paar slechts voor hemzelf verstaanbare woorden gemompeld. Slechts de gelukkige oudheid kon het invallen, de kleine kinderen in het Elysium te laten schreien, omdat ze zo jong waren gestorven."

"Ik heb maar één vriend, dat is de Echo; en waarom is die mijn vriend? Omdat ik mijn smart bemin en die ontneemt hij mij niet. Ik heb maar één vertrouwde, en dat is de nachtelijke stilte; en waarom is die mijn vertrouwde? Omdat ze zwijgt."

"Mijn smart is mijn ridderburcht, die als een arendsnest hoog in de wolken op de top der bergen ligt; niemand kan dat bestormen. Van daar uit strijk ik op de werkelijkheid neer en grijp mijn buit; maar ik blijf daar beneden niet, mijn buit neem ik mee naar huis, en die buit is een beeld, dat ik in de gobelins in mijn slot inweef. Daar leef ik als een gestorvene. Al wat ik beleefd heb, dompel ik onder in de doop der vergetelheid tot de eeuwigheid der herinnering: al het tijdelijke en toevallige is vergeten en uitgewist. Daar zit ik als een oud, grijs man, in gedachten verloren en verklaar de beelden met zachte stem, bijna fluisterend, en naast mij zit een kind en luistert, ofschoon het zich alles al herinnert, nog vóór ik het vertel.'"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1996

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1996

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's