De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

In het recent uitgegeven boek van A. Th. van Deursen en G. J. Schutte, 'Geleefd geloven', geschiedenis van de protestantse vroomheid in Nederland (uitgave Van Gorcum, Assen), wordt het volgende meegedeeld aangaande 'bevindelijke vroomheid' ten tijde van de Nadere Reformatie.

'Voor de meesten was bekering een lange weg van strijd en zuchten. Het is geen wonder dat juist in deze tijd veel predikers op de stoel blijk geven van zo sterke bewogenheid. Zij geven de ervaring weer van hun meest ontvankelijke toehoorders die zichzelf herkenden in het veelgezongen lied van Herman Witsius:

Isser nog, o groot Ontfarmer!
Isser voor een nare karmer,
Voor een schrever nog gehoor?
Isser noch een open oor?

't Zy hoe 't zy, mijn droeve oogen .
Laet uw spring-bron noyt verdroegen:
Houdt, van schreyen nimmer mat,
Steedts myn wangh en leger nat.

Bevindelijke vroomheid is daarmee nog niet gelijk aan zwaarmoedigheid. Gijsbertus Voetius was ondanks Anton van Duinkerkens bekende gedicht het tegendeel van een somber man, en zelfs de op de preekstoel gewoonlijk zo aangedane Lodensteyn was "in zijnen wandel altijd welgemoed en wegens zijn humeur vrolijk". De Utrechtse volgelingen van deze beide mannen waren kenbaar aan hun sobere kledij en hun aparte taal. Een droevig gelaat wordt als kenmerk nog niet genoemd. De achttiende eeuw zou daar verandering in brengen.'

In De Wachter Slons citeert L. M. P. Scholten (dezelfde hierbovengenoemde) ds. J. van Lodensteyn uit een preek over Ezechiƫl 37 : 7, gehouden in het jaar 1674; 'toen er nog lang geen reformatorische zuil was', voegt Scholten toe.

'"Men kan in geen gezelschappen komen of men moet verbaasd staan dat men het ziet, en mag met verwondering vragen: Is dit het volk waar de Heere Jezus onder woont? Want men eet en drinkt slechts; men vermaakt zich met zot geklap en gekkerij. Men is weederig in zijn bedriegerijen. Men acht de dagelijkse weelde tot zijn vermaak. (...) Een klaar bewijs dat er in het lichaam van onze kerk geen geest is". Hij spreekt over een grote ongevoeligheid, "zodat men wel terecht mag vragen of er wel ergens ongevoeliger volk dan onder de gereformeerden gevonden wordt. De mensen weten geen onderscheid te maken tussen het goede en tussen het kwade, tussen het reine en tussen het onreine. En hierdoor kiest de mens het-ene voor het andere, het aardse voor het hemelse, het zienlijke voor het onzienlijke, tot een klaar bewijs dat de mensen onder ons geen ogen hebben en als ongevoeligen zonder geest zijn". "Waar en wanneer vertelt men wat God aan onze ziel gedaan heeft? (...) Waar zijn in onze gezelschappen woorden die genade geven dien die ze horen? Gij zelf zijt mijn getuigen, en ik vraag u: Is er niet een diep stilzwijgen in onze bijeenkomsten van God? Ja, ik zal meer zeggen, men schaamt zich dat men van God en Zijn zaken zou spreken. (...)

Daar is in ons een leven in de zonden, die onze gelukzaligheid en ons geestelijk leven zozeer tegenwerken. Want elk leeft zichzelf of men leeft aan de pracht. Dat ziet men in de wereldse kleding, gesprekken, bestellingen omtrent ons huis en andere huisraad. Men ziet het in dat vermaak dat men betoont te hebben in de wereldse gezelschappen; men ziet het in het bezorgen van het vlees tot begeerlijkheden; men ziet maar naar onze gemakkelijkheden, vermaak, lekkernij, eigen voordeel, en naar al wat dient tot de grootsheid des levens. Ja, onze dodigheid is al zover heen geraakt, dat wij al stinken door een poel van honderden ergerlijke daden. Want wat is onder ons niet al stank van overdaad, van drinkerij, van brasserij; wat al stank van onkuisheid en andere ongerechtigheid onder ons? Wat al stinkende uitwasemingen riekt men niet al in onze ganse wandel? Hoe stinken niet wel die vuile redenen die uit onze mond gaan? En aldus zien wij aan alle kanten de dodigheid en het verderf in onze kerk.'"

Het was in het verleden ook kennelijk niet alles goud wat er blinkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's