De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De innerlijke vernieuwing van de mens (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De innerlijke vernieuwing van de mens (2)

Hartgrondige genade

8 minuten leestijd

John Bunyan, de vloekende ketellapper van Elstow was een vrome jongen geworden. Vloeken deed hij niet meer. Ook ontheiligde hij de dag des Heeren niet langer door sport en spel. Hij had zijn leven verbeterd. Maar levensverbetering bracht hem de ware vrede niet.

Meer dan levensverbetering

Die vond hij eerst, toen hij door - wederbarende genade al zijn eigengerechtigheid leerde inruilen voor de gerechtigheid van Christus; een wonderlijke ervaring van Gods liefde, uitgestort in zijn hart. Het was daarover, dat John Bunyan enkele vrouwen met elkaar had horen spreken op straat, terwijl hij bezig was met het lappen van zijn ketels. En hoezeer heeft hij vanaf dat moment daarnaar verlangd.

Levensverbetering kan er zijn zonder wedergeboorte. Alleen de innerlijke vernieuwing van het hart maakt van een mens een nieuwe schepping in Christus Jezus.

Kohlbrugge schrijft ergens: 'En zo ligt de ware wedergeboorte in de radicale overgang tot geloof uit de sfeer van Adam en de letter, in de sfeer des Geestes des levens in Christus Jezus; en deze overgang geschiedt aan de hand van de Heilige Geest door een machtig, onweerstandelijk trekken van de Vader naar Christus toe.'

Een existentiële ontmoeting van de levende God

De Dordtse Leerregels handelend over de wedergeboorte noemen dit een werk van God naar Zijn welbehagen in de uitverkorenen (III/IV. 11, 12).

God laat ons 'niet alleen het Evangelie uiterlijk prediken en verlicht ons verstand krachtiglijk door de Heilige Geest, maar Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige werking van dezelfde wederbarende Geest; Hij opent het hart dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil die dood was, levend wordt; en die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.'

Deze wedergeboorte wordt in de Dordtse Leerregels genoemd: 'een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking'. Het is daardoor, dat de mens tot geloof en bekering komt. 'Gans bovennatuurlijk en zeer krachtig'. Want er is geen sterveling die er van huis uit om verlegen is. Er is ook geen sterveling die deze almachtige werking van God kan tegenhouden. Het 'overkomt' ons van God uit.

Het zijn diepingrijpende dingen die hier worden genoemd. De verlichting van het verstand, de vertedering van het hart, de ombuiging van de wil. Hier is sprake van existentiële ervaring van de genadige bemoeienis van God met de mens. Een bemoeienis die ons raakt tot in de diepste lagen van ons bestaan, tot in al de functies van ons mens-zijn en tot in alle werkingen van onze zintuigen.

Ik noem dat Gods 'comprehensive approach', Gods werkzame genade in een totale benadering van de mens. Het is daardoor, dat alles bij ons in een andere 'setting' komt te staan; ook onze verstandelijke kennis van Gods Woord, ook onze wil om vroom te leven, ook de diepste overleggingen en strevingen van ons hart. Met heel onze existentie, ons denken, ons willen en gevoelen komen wij in de verfrissende stroom van een geestelijke levensvemieuwing te staan.

Het is door die existentiële ervaring, door deze ontmoeting met de levende God, dat het komt tot de ware kennis van God, tot het eerbiedigen van het heilig recht des Heeren, tot het heilrijke inzicht in Gods heilgeheimen, tot vaardigheden in een leven van dagelijkse heiliging. Om het te zeggen in termen die ontleend zijn aan de wereld van het onderwijs. Of met de woorden van de Dordtse Leerregels: het is een 'zeer zoete, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking'. En dat in het centrum van ons bestaan, midden in de chaos van ons verzondigde leven.

Genade is werkzame genade, herstel, recreatie van de bedorven natuur. Heel ingrijpend.

Hoe zal dat wezen?

Blijft de vraag, of ik dit werk van Gods alvermogen in mijn eigen leven kan herkennen en waaraan ik dat zou kunnen herkennen. Dat is geen verkeerde vraag. Helaas zijn er dienaren des Woords die in hun prediking aanhoudend bezig zijn om dit soort vragen bij hun hoorders, weg te redeneren als niet ter zake doende. Ik vind dat bepaald niet wijs.

Laat ik een voorbeeld noemen. Toen Maria, de moeder des Heeren, voor het wonder van de ontvangenis van Gods Zoon in haar kwam te staan, vroeg zij verwonderd: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken? ' (Luk. 1 : 34).

Mocht zij soms niet vragen: hoe zal dat wezen..? Mag ook ik niet heilbegerig vragen om nadere uitleg van het wederbarend werk van Gods Geest in mijn binnenste? Opdat ik het wete: 'Dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied? ' Om het door het geloof te ervaren, dat Christus in mij woont, hoewel ik in mijzelf niet meer ben dan een rebels mens? En is daar voor alle gelovigen niet ook de troostvolle wetenschap van de inwoning van Gods Geest in hen?

Het kan zijn, dat wij de blik niet naar binnen durven slaan, omdat vrees en twijfel ons benauwen. Er is zo veel 'oud zeer', zo veel 'kwaad dat roept om straf. Al zijn we voor het oog nog zo gevorderd op de weg des heils, wij weten ons 'vleselijk, verkocht onder de zonde' (Rom. 7 : 14).

Hoe vaak is er bij Gods kinderen niet de bange vraag: 'Is God met mij wel begonnen? ' Hoeveel dingen zijn daar niet die tegen ons getuigen? En hoe vaak is daar niet de aanvechting? Hoe vaak greinst 'het niets' ons aan? Laten wij bij dit alles dan echter drie dingen niet vergeten.

Wederbarende genade is geen 'ingegoten genade' (grata infusa') waarover de mens te allen tijde beschikken kan. Wij hebben het maar nooit op zak. En het gaat steeds weer doof 'een heilzaam wanhopen' aan onszelf heen.

Met andere woorden: we blijven voor het wederbarende werk van God de Heilige Geest constant aangewezen op een existentieel ontmoeten van de levende God door Zijn Woord en Geest. In die weg geschiedt het, voor het eerst en telkens opnieuw, wat we lezen van Lydia: God opende haar hart, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd' (Hand. 16 : 14).

Het is altijd weer dat machthebbende Woord van de levende God in heilige samenwerking met de heilige Geest, waardoor wij tot op de bodem van ons bestaan worden geraakt en geroerd en waardoor wij gedurig worden vernieuwd. Maar in dat gedurig ontmoeten van de levende God komt dan ook het weten mee van 'de dingen die ons van God geschonken zijn' (1 Kor. 2 : 12).

In de tweede plaats mogen wij wel bedenken, dat het wederbarend werk van God de Heilige Geest het karakter van het voorlopige draagt. Die Geest Zelf heet in de Schrift: handgeld, voorschot. Niet meer, ook niet minder. Zijn wederbarend en levensvernieuwend werk is werk in aanbouw, het is recreatie van het schepsel. En dat schepsel blijft in vele opzichten zuchtend schepsel.

En dan tenslotte, 'last, but not least': de innerlijke vernieuwing van de mens door Gods Geest, hoe voorlopig ook, brengt intussen rijke vruchten voort. Vruchten die persoonlijk doorleefd en door de buitenwacht ook gezien worden. Want 'de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid' (Gal. 5 : 20).

Er kan geen waar innerlijk christendom zijn, of het moet tegelijk een liefdevol en dankbaar werkzaam christendom zijn. Want 'Christus heeft ons niet alleen met Zijn bloed gekocht en vrijgemaakt. Hij vernieuwt ons ook door Zijn Heilige Geest tot Zijn evenbeeld, opdat wij met ons ganse leven Gode dankbaar voor Zijn weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde.'

En daaraan voegt de Heidelberger (zondag 32) toe: 'daarna ook, dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij en dat door onze godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.

Innerlijke vernieuwing moet een uitstraling naar buiten hebben. Christenmensen kunnen er nooit zo onverlost uitzien, dat hun medemensen niet in de Messias Jezus zouden kunnen gaan geloven. 'De mensen moeten hun goede werken zien.' Daar is iets aan hen van 'een eeuwige jeugd'. Ook al dragen zij 'het licht op de rug'.

Ik citeer nogmaals Kohlbrugge: 'Het onbedrieglijk teken der wedergeboorte, is het bewustzijn in de Heilige Geest, het getuigenis, dat de Heilige Geest aan onze geest geeft, dat wij daarboven een genadige God en Vader hebben, die om Christus' wil ons al onze zonden vergeven en ons leven van het verderf gered heeft en Die ons kroont met Zijn heil. Indien er onder u zijn, die deze dingen weten, zalig zijn zij, als zij deze ook doen. En gij, ellendige, die niets hebt dan zonden en die zo reikhalst naar de Heere - uw gerechtigheid, weet het eens voor al, dat gij het blijmoedig wagen kunt, in de Naam van Jezus u te werpen zonder werk op de onwankelbare genade die te geef is voor allen, die in de schaduw des doods zuchten tot de eeuwige Erbarmen'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De innerlijke vernieuwing van de mens (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's