De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

'Daar moeten heilige zeden zijn' (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

'Daar moeten heilige zeden zijn' (1)

Calvijn en het Consistorie van Geneve

10 minuten leestijd

Op een mooie dag in het jaar 1539 maakten twee jonge mensen, Pemet en Clauda, samen een bergwandeling op de Mont du Salève in de buurt van Geneve. Moe maar voldaan dronken ze op de terugweg in een dorpje samen een glas wijn. Daarbij zouden ze, in een waarschijnlijk verliefde bui, geklonken hebben 'au nom de mariage'. Het was een toast op het huwelijk dat ze kennelijk voornemens waren in de romantische sfeer van de lieflijke bergwandeling.

Twee jaar later deed de jongeling Pernet zijn beklag op de zitting van het Consistorie van Geneve. Het huwelijk was er na de wandeling niet van gekomen. Clauda zou dan wel met hem op het huwelijk gedronken hebben, maar ontkende dat later weer. Ze had trouwens geen ouderlijke toestemming voor het huwelijk met Pemet, en het feest ging dus niet door. Pernet kon het kennelijk niet verkroppen, de dronk op het huwelijk was volgens hem immers gelijk aan een wettige trouwbelofte, die zomaar niet verbroken mocht worden. Hij had voldoende getuigen die konden bevestigen dat ze 'in naam van het huwelijk' hadden gedronken. Nu moest het Consistorie zich maar eens uitspreken over de geldigheid van de trouwbelofte. Behoorde het immers niet tot de roeping van de kerk, die oog had te houden op de heiliging van het leven, dat trouwbeloften niet geschonden werden? Was het huwelijk, behalve maatschappelijk, ook kerkelijk niet zo'n hoog gewichtige zaak, dat lichtvaardige trouwbeloften de nodige maatregelen van kerkelijke tucht verdienden? Dat deze zaak door het Consistorie serieus werd genomen en niet luchtigjes werd afgedaan als jeugdige lichtzinnigheid van twee verliefde jongeren bleek uit de verwijzing naar een hogere instantie, die er verder over moest oordelen.

Nieuwe bronnen geopend

Het verslag van deze delicate kwestie is te lezen op één van de.eerste bladzijden van het Register van het Consistorie van Geneve, waarvan het eerde deel onlangs in Geneve werd gepubliceerd. Met deze uitgave komt de eerste vrucht van een belangrijk en omvangrijk object, om alle notulen van de consistorievergaderingen van Geneve ten tijde van Calvijn uit te geven, ter beschikking van diegenen die de geschiedenis van de (gereformeerde) Reformatie willen bestuderen. Het is een opmerkelijk gegeven dat deze Registers, hoewel ze zo goed bewaard zijn gebleven, tot voor kort nagenoeg geheel buiten het gezichtsveld van de kerkhistorici zijn gebleven. De oorzaak daarvan is ongetwijfeld vooral te zoeken in de uitzonderlijk moeilijke leesbaarheid van het handschrift van de notulisten van de processen-verbaal. Het is aan de volharding van de Amerikaanse kerkhistoricus Robert M. Kingdon te danken dat deze moeilijkheden overwonnen zijn. Het is zijn grote verdienste dat hij in zijn omgeving meerdere studenten en wetenschappers wist te motiveren en stimuleren om zich te zetten aan de moeizame klus van de transcriptie van het handschrift. Overtuigd als hij was van het grote belang van het kennisnemen van de inhoud met het oog op een goede beoordeling van de Calvijnse Reformatie en vooral van de beoordeling van Calvijn zelf, heeft hij de Registers van het Consistorie van Geneve tot een integraal en onmisbaar onderdeel van de bronnen van de Reformatie gemaakt. De verschijning van het eerste kritische deel van de Registers, van het begin in 1542 tot 1544 is het waard om onder de aandacht te brengen van allen die zich voor de geschiedenis van de Reformatie interesseren. Het gaat om de originele editie van de complete tekst van de processen-verbaal van de zittingen, dat de lezer zeker nog wel enige moeite zal kosten vanwege het oude Frans. Het ligt echter in de bedoeling van Kingdon dat het origineel in de toekomst ook in een Engelse vertaling beschikbaar komt, zodat het voor een breder publiek toegankelijk wordt. Er is alle aanleiding om naar aanleiding van deze voor het Calvijn-onderzoek zo belangrijke bronnenpublicatie in enkele artikelen stil te staan bij de grote betekenis van het Consistorie van Geneve voor de Reformatie in de traditie van Calvijn. De bestudering ervan kan van fundamenteel en actueel belang zijn voor onze visie op de plaats en de betekenis van de kerkelijke tucht in onze gereformeerde traditie.

Het derde kenmerk van de kerk

In de traditie van Luther gelden er twee kenmerken voor de ware kerk. Het zijn de zuivere prediking van het Evangelie en de rechte bediening van de sacramenten. In artikel 7 van de Augsburgse Confessie wordt de ware kerk omschreven als een 'Gemeenschap der Heiligen, waarin het Evangelie zuiver wordt geleerd en de sacramenten recht worden bediend'. Ook Calvijn heeft deze omschrijving in zijn Institutie (IV/1, 9). We vinden daar ook bij hem nog niet het derde kenmerk van de kerk genoemd, dat toch zo'n grote plaats heeft ingenomen voor zijn visie op het kerkelijk leven in de praktijk. Het is echter geheel in zijn geest als de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 29 belijdt: 'De merktekenen om de ware kerk te kennen zijn deze: zo de kerk de reine predikatie des Evangelies oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft; zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt om de zonden te straffen'. Het contrast tussen artikel 7 van de Augsburgse Confessie en artikel 29 van de N.G.B, duidt het cruciale verschil aan tussen het lutherse en calvinistische protestantisme.

De kwestie van de tucht, de discipline van het geloof, had te maken met de wijze waarop men al of niet de noodzaak gevoelde om binnen de kerk structuren te scheppen waardoor er een heilzame controle kon worden uitgeoefend op het gedrag van de mensen met het oog op de heiliging van het leven. Was de levensheiliging toch niet een zo vanzelfsprekende vrucht van het rechtvaardigend geloof, dat men er niets voor hoefde te regelen? De leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen, zonder de werken der wet, kon een antinomiaanse verleiding met zich meebrengen. Als de vruchten vanzelf moesten komen, wat viel er dan door de geestelijke leiding van de kerk te organiseren? Ze moesten zich maar houden bij de eigenlijke taak van de prediking van het Evangelie. En als er gedrag te corrigeren viel, dan moest de seculiere overheid daar maar zorg voor dragen. Zo ongeveer was het denken over de kerkelijke tucht in de lijn van de traditie van Luther.

Martin Bucer, en met hem ook andere reformatoren, vonden dat toch te weinig. Ze achtten het noodzakelijk dat de kerk iets regelde voor de praktijk van de tucht. Niet alleen de leer, ook het leven was wezenlijk voor de onderscheiding van de kerk. En dat moest niet alleen een element van belijdenis zijn, daar diende ook de nodige instituties in de praktijk van het kerkelijk leven voor gecreëerd te worden. De tucht hoorde wezenlijk bij de kerk. Zij moest daar dan ook een eigen orgaan voor hebben.

Calvijns bruidsschat

In een van de Stichtelijke Rijmen van Dirk Camphuijsen, het bekende 'Daar moet veel strijds gestreden zijn; komt de regel voor: 'Daar moeten heilige zeden zijn'. Het zal zeker niet in de geest van deze (remonstrantse) dichter zijn geweest, die heilige zeden min of meer als voorwaarde zag voor de uiteindelijke vrede van de gelovige, maar toch zou Calvijn het met deze regel hartelijk eens kunnen zijn geweest. Omwille van de ere Gods en het heil van Zijn kerk zal er grote zorg moeten zijn voor de heiliging van het leven. De praktijk van de tucht was niet alleen maar een seculiere zaak, van een overheid die de ongeregelden terecht moest brengen en het gedrag van de burgers moest controleren en corrigeren. Het had ook wezenlijk met de doorwerking van het Woord der prediking en de heiligheid van het huis des Heeren te maken, dat ook de kerk daarin een eigen verantwoordelijkheid had. Dat was Calvijns vaste overtuiging, waaraan hij in zijn verhouding tot de overheid koste wat kost vast wilde houden. Het conflict over de bevoegdheden van kerkelijke en burgerlijk gezag rond de dienst des Heeren was er de oorzaak van geweest dat Calvijn in 1538 Geneve had moeten verlaten. Men kon het in Geneve zonder Calvijn echter niet redden. De geestelijke stuurman van het schip bleek node gemist te worden. Toen Calvijn vanuit zijn nieuwe standplaats Straatsburg een brief had geschreven om de reformatie van Geneve op meesterlijke wijze te verdedigen tegen de listige argumenten van kardinaal Sadolet, kon men niet anders dan Calvijn terugroepen om zijn plaats weer in te nemen. Calvijn was zelf liever in Straatsburg gebleven, waar hij wellicht de gelukkigste tijd van zijn leven heeft gekend, en waar hij zich als predikant van de Franse vluchtelingengemeente van harte thuis voelde. Toch meende hij zich opnieuw niet aan de roeping te kunnen onttrekken, en in 1541 keerde hij terug naar de stad waar hij tot zijn dood in 1564 het centrum zou blijven van de kerkelijke organisatie.

Het was duidelijk dat Calvijn in 1541 in een andere gunstiger positie stond ten opzichte van de regering van de stad. Het was zóndermeer duidelijk dat ze hem niet missen konden, dat bracht Calvijn in een positie waarin hij zijn voorwaarden krachtiger kenbaar kon maken dan tijdens zijn eerste verblijf in Geneve.

Er waren al signalen naar de raad van Geneve gegaan dat het goed zou zijn om een Consistorie in het leven te roepen, waarin gedelibereerd zou kunnen worden over geestelijke zaken. Vanuit de stad Bern was dit advies met klem gegeven, maar de raad van Geneve" was niet direct gewillig en verontschuldigde zich met het argument dat ze maar een kleine stad waren. De onder jurisdisctie van de stad Bern vallende predikant Viret ging als tijdelijke invaller alvast naar Geneve, omdat de overkomst van Calvijn nog wat op zich liet wachten. Ongetwijfeld heeft Viret de raad van Geneve er mede van overtuigd dat het met het oog op Calvijns aanstaande terugkeer onontkoombaar was om een Consis­ torie, als geestelijke raad der stad, naast de andere bestuursstructuren in het leven te roepen. Zö hoefde Calvijn er niet zelf nadrukkelijk om te vragen. Uit alles wordt wel duidelijk dat de bereidheid van de raad van Geneve om een eigen kerkorde toe te laten en een Consistorie in het leven te roepen als een toenadering tot Calvijns strikte voorwaarden kon worden beschouwd. Op de dag van Calvijns vertrek uit Straatsburg schreef Bucer nog te zijner aanbeveling aan de raad van Geneve: 'Hoort hem (Calvijn), of beter nog Jezus Christus in hem, opdat u voor alle dingen de tucht en leer van Christus en de staat der kerk sticht en op orde stelt, volgens zijn advies en raad en van de overige broeders'. Deze door Calvijn zozeer begeerde instellingen van kerkorde en tucht, die de raad van Geneve hem uiteindelijk toestond, kunnen min of meer beschouwd worden als een 'bruidsschat' behorend bij het nieuwe 'huwelijk' dat Calvijn met Geneve aanging, en dat duren zou tot de dood hen scheiden zou.

Een volgende keer hopen we een indruk te geven van de manier waarop het Consistorie van Geneve te werk ging, om vervolgens te eindigen met een evaluatie van de invloed en betekenis van dit instituut.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

'Daar moeten heilige zeden zijn' (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1996

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's