'Daar moeten heilige zeden zijn' (2)
Calvijn en het Consistorie van Geneve
Een nieuwe raad in de stad
Op 6 december 1541, dus precies 455 jaar geleden, was het de eerste keer dat op een donderdagmorgen een eerwaard gezelschap de oude kloosterzaal van de kanunniken van de Saint-Pierre Kathedraal te Geneve bevolkte. Deze ruimte werd door hun aanwezigheid ingewijd als de eerste consistoriekamer van Geneve. De samenstelling van dit gezelschap was divers. Links en rechts van de voorzitter waren twee banken. De ene werd bezet door een aantal raadsleden uit de diverse bestuurslagen van de Geneefse samenleving, die als ouderlingen zitting hadden in deze nieuwe raad. Hoewel aan het begin nog niet gerealiseerd, zou hun uiteindelijke aantal twaalf bedragen. Men lette bij hun benoeming, die elk jaar in februari tegelijk met andere raadsverkiezingen plaatsvond, op een evenwichtige verdeling wat de verschillende stadsraden betreft. Ook werd er bij de keuze gezorgd dat er een zo goed mogelijke vertegenwoordiging was van de verschillende wijken van de stad. De andere bank was bestemd voor de dienaren van het Woord binnen de jurisdictie van Geneve, die allen krachtens hun ambt in het consistorie zitting hadden. Dus ook predikanten uit de dorpen rond Geneve hadden daarin hun rechtmatige plaats. Uiteraard was het lang niet alle predikanten mogelijk om altijd bij de wekelijkse vergaderingen aanwezig te zijn. Een van de trouwste onder hen was Calvijn zelf, die tijdens de zittingen min of meer als de primus inter pares (de eerste onder soortgelijken) fungeerde. Het aantal keren dat hij afwezig was is in de eerste twee jaren van het bestaan van het Consistorie op de vingers van twee handen te tellen. Als het even kon, was hij er dus en dat tekent wel het belang dat hij aan het werk van dit Consistorie heeft gehecht. Een van de vier 'syndics' (zo heetten de burgemeesters van de stad) fungeerde als president van deze raad. Hij leidde de verhoren en gesprekken die gevoerd moesten worden. Daarbij hadden de andere raadsleden ook hun inbreng, al zullen de meesten de aanklachten en bekentenissen zwijgend hebben aangehoord. Het ligt in de verwachting dat de predikanten, gezien hun opleiding en ervaring, een invloedrijke stem in het kapittel hebben gehad, en dat daarbij vooral de mening van Calvijn meestal doorslaggevend is geweest. Het was ook zo, dat de inwoners van Geneve, die niet zo van zo'n geestelijke raad gediend waren, er nogal eens over klaagden dat de predikanten - die vaak ook nog vreemdelingen en geen burgers waren - hun zo een nieuwe levensstijl oplegden via de uitspraken van dit Consistorie. Het kwam wel eens voor dat men koppig weigerde om op Calvijns woorden te reageren en alleen wilde antwoorden op de vragen van de burgemeester. Niet iedereen vond deze nieuwe raad in de stad kennelijk nodig.
Naast de raadsleden van het consistorie waren er ook twee ambtenaren aangesteld. De ene was de secretaris, die de notulen van de wekelijkse vergaderingen bijhield. Aan de noeste arbeid van de diverse notulisten hebben we het te danken dat we een zo goed inzicht hebben over de praktijk van de kerkelijke tucht in het Geneve van Calvijn. De ander was iemand die 'officier' werd genoemd. Zijn taak was om ervoor te zorgen dat de mensen die voor het Consistorie hadden te verschijnen, ook daadwerkelijk op de zitting verschenen. Hij was dus een soort 'geestelijke politieman' en zal in Geneve niet direct een populair figuur zijn geweest.
De gedaagden
Hoe kon het gebeuren dat men in Geneve met dit instrument van kerkelijke tucht te maken kreeg? De aanleidingen voor een dagvaarding om voor het Consistorie te verschijnen konden heel verschillend zijn. Ze hadden allen min of meer te maken met een schending van de moraal die in de reformatorische, Bijbelse visie op de heiliging van het leven van een christen verwacht mocht worden. Er kon sprake zijn van slordigheid in het bijwonen van de kerkdiensten of een nog steeds aanwezige hang naar oude Roomse gewoonten, waarvan men maar moeilijk los kon komen. Vaak was er sprake van een zedelijke losbandigheid, vooral tot uiting komend in allerlei kwesties op het terrein van het zevende gebod, in en buiten het huwelijk. Ook waren ruzies en geschillen, waarbij twee partijen met elkaar verzoend moesten worden, nogal eens aan de orde.
De meeste keren werden de gedaagden door het Consistorie zelf aangeklaagd. Soms was het ook zo dat iemand die wat tegen een medeburger had, bij het Consistorie zijn beklag kwam doen. Wij kennen dat in onze gereformeerde kerken nog als de mogelijkheid die bij de Censura Morum wordt geboden. Men had het hart niet om niet te verschijnen. Uit de impressie van de notulen valt meermalen op te maken, dat men toch wel diep onder de indruk was van het feit dat men moest verschijnen voor deze 'geestelijke rechtbank'. Velen maakten na de ernstige vermaning die werd meegegeven een zeer gedweeë en gewillige indruk om hun leven te beteren. Soms stroomden de tranen ook rijkelijk.
Een overzicht van de zaken in de eerste twee jaren van het bestaan van het Consistorie geeft het volgende statistische beeld. Er werden 639 zaken gehoord, waarbij 1105 mensen betrokken waren, hetzij als gedaagden of als benadeelden of getuigen, uit alle lagen van de Geneefse samenleving. Tijdens de hoogtij van het consistorie, in de zestiger jaren van de zestiende eeuw, kwam het wel voor dat in een jaar (1569) het aantal van 7 procent van de bevolking, één op de vijftien inwoners dus, met het Consistorie te maken kreeg. Het is duidelijk dat het Consistorie een krachtig instrument is geweest om de stad Geneve, die voor de Reformatie toch als losbandig bekend stond, om te vormen tot een 'puriteinse' samenleving waarin de 'heilige zeden', naar de overtuiging van de Reformatie, meer waren dan woorden. Het blijft overigens de vraag of de aanpèssing wel altijd zo van harte is gegaan, maar duidelijk is wel dat het uiterlijke gelaat van Geneve zo drastisch werd veranderd dat een man als John Knox naar zijn Schotse geestverwanten met bewondering kon melden dat hij in Geneve de 'volmaaktste school van Christus, die ooit op aarde was geweest sinds de dagen der apostelen' had gevonden. Hij erkende nog nooit een plaats gevonden te hebben waar Christus zo getrouw werd gepredikt en waar de levensstijl zo ernstig was gereformeerd als deze stad. Daarbij is het Consistorie naast de kansel ongetwijfeld van cruciale betekenis geweest.
Welke zaken speelden er zoal?
Het is uiteraard binnen het bestek van enkele artikelen niet mogelijk om uitvoering in te gaan op de aard van de tuchfzaken die voor het Consistorie dienden. Er zijn veel interessante onderwerpen voor nadere studie van de Registers voorhanden. De 'geestelijke vader' van de wetenschappelijke uitgave, Robert M. Kingdon heeft onlangs een boeiend voorbeeld gegeven in zijn studie over 'overspel en echtscheiding in Calvijns Geneve' (in het Engels - wellicht een vertaling waard? !), waarbij hij voornamelijk gebruik maakt van de consistorieregisters.
Allerlei zaken passeren in de registers de revue. Soms in een melding van slechts enkele regels. Veel zaken lijken ook op elkaar. Vooral die te maken hebben met slordigheid in de kerkgang en onwetendheid in geestelijk opzicht. Calvijn en zijn geestverwanten maakten zich kennelijk nogal zorgen over het gebrek aan kennis van het Woord van God en geestelijke zaken. Vele burgers van Geneve waren nog niet los van de oude zekerheden uit de tijd van de religie van Rome. Ze gingen wel naar de kerk en vierden het avondmaal, maar werden toch nog betrapt op praktijken die verdacht veel leken op de oude vertrouwde roomse praxis. Zo werd nog steeds in het Latijn gebeden, de verering van Maria en de heiligen was nog in zwang, en de Bijbel werd niet echt gelezen. Regelmatig kunnen we in de vermaningen, die steevast gegeven werden, lezen dat het Consistorie de opdracht gaf de Bijbel te kopen en te lezen. Dat werd onder meer opgedragen aan de bewoners van een herberg, die er goed aan zouden doen hun gasten uit de Bijbel voor te lezen. Soms waren de gedaagden zeer berouwvol en beloofden ze alles te doen om te leren om ware christenen te zijn in de nieuwe situatie van een gereformeerd Geneve. Een vast onderdeel van het onderhoud was het vragen naar de kennis van de geloofsbelijdenis en het Onze Vader, ook waar de kwestie niet direct met de kennis van het geloof te maken had. Men werd heel schools gevraagd om beide op te zeggen, iets wat soms maar slecht lukte. Was de uitkomst van de ondervraging onbevredigend, dan werd men ernstig opgeroepen en soms 'veroordeeld' om met grote frequentie de prediking bij te wonen, niet alleen zondags maar ook in de week. Men vroeg kennelijk soms ook heel concreet naar de inhoud van de preken die de beklaagden beweerden gehoord te hebben. Daarbij viel men soms alsnog door de mand, omdat er nauwelijks iets van de inhoud kon worden gereproduceerd. Ook werd wel de raad gegeven om iemand op te zoeken die geloofsinstructie kon geven. Men werd na enige tijd in de gelegenheid gesteld om te laten horen of het nadere onderwijs resultaat had gehad. Uit deze zaken is duidelijk hoezeer de tucht te maken had met de realiteit van het geloof van de gemeente, dat ook daadwerkelijk beleden diende te worden. Het volk dat geen kennis heeft gaat volgens de Schrift immers verloren. Ook de eerbied voor de dienst des Woords en de dienaren was onmisbaar voor een goede samenleving. Af en toe blijkt dat de gedaagden in de discussie ook heel wat weerwerk geboden hebben. La Donne Janne Pertennaz bijvoorbeeld, de moeder van een van de burgemeesters, gaf zich niet zomaar gewonnen. Er ontspon zich in haar zaak een waar geloofsdebat dat zich gedurende enkele zittingen voortzette en waarin Calvijn de hoofdrol speelde. Als Janne als een halsstarrige uiteindelijk toch geëxcommuniceerd moet worden is haar laatste opmerking, dat men in het verleden de joden wel uit de stad verdreven heeft, maar dat men binnenkort nog mee zal maken dat de joden over heel de stad verspreid zullen zijn. Een onmiskenbare sneer op de puriteinse sfeer waarin Geneve, kennelijk tot haar afschuw, terecht was gekomen. Soms was het dus nodig om de ernstige vermaningen gepaard te laten gaan van een tijdelijke afhouding van het Avondmaal, al komt deze 'excommunicatie' niet zo veelvuldig voor als men wel eens gedacht heeft.
Uiteraard waren er ook veel zaken die te maken hadden met een ontoelaatbare levensstijl. Vooral rond het huwelijk speelde zich heel wat af. Overspel en ontucht, ongehuwd moederschap, verbroken trouwbeloften, verwijdering en onenigheid binnen het huwelijk, vrouwenmishandeling, lichtzinnigheid tussen de seksen, al deze dingen passeerden in realistische kleuren de revue in de vergaderingen waarin de eerwaarde heren in de chaos van de zonde een weg van boete en bekering trachtten te wijzen. Uit alles wordt duidelijk hoe belangrijk voor de kerk der Reformatie de tucht was met het oog op een zuiver Bijbelse huwelijksmoraal! Vaak kwam men er in het Consistorie echter zelf niet uit en verwees men de kwestie naar de Kleine Raad van Geneve, die zich uiteraard ook met rechtspraak bezighield.
Wie met de 'zondencatalogus' van het klassieke Avondmaalsformulier de registers doorbladert, die zal veel bekends tegenkomen. Het Consistorie van Geneve heeft zich, als een opvolger van de kerkelijke rechtspraak van de kerk van Rome, niet onttrokken aan de roeping om te waken over de heiligheid der zeden. Het leven diende vanwege de heiligheid van de dienst des Heeren, waarin de maaltijd des Heeren zo'n centrale plaats innam, heilig te zijn. Wat de betekenis van het Consistorie van Geneve is geweest voor de ontwikkeling van de kerkelijke tucht in de traditie van Calvijn, hopen we in een volgend, afsluitend, artikel samen te vatten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1996
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's