Als het Licht wordt uitgedoofd
'Untergang des Abendlandes'
De boventitel
De boventitel van deze bijdrage is ontleend aan de publicatie van de cultuurfilosoof Oswald Spengler, die tussen 1918 en 1922 zijn hoofdwerk in twee delen publiceerde: Der Untergang des Abendlandes, Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte. Hij voorzag het einde van de westerse cultuur naar analogie van de ineenstorting van het Romeinse Rijk. Dit einde situeerde hij rond het jaar 2000. Zijn boek is grotendeels vergeten, omdat het nogal wat verouderde theorieën en fantasieën bevat en ook omdat het door de nazi's misbruikt werd als ondersteuning voor de stichting van een nieuw duizendjarig rijk, dat op de puinhopen van het oude Europa zou opbloeien. De titel van het boek is echter niet vergeten, omdat het in de tijd waarin het verscheen, trefzeker aangaf Wat door velen zo werd gevoeld.
Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekende het einde van alle optimistische negentiende-eeuwse dromen. De dromen van vooruitgang werden letterlijk aan flarden geschoten op de slagvelden van Verdun. Ook op de theologie had dit alles grote invloed. De opkomst van de dialectische theologie van Karl Barth en Eduard Thurneysen is zonder deze cultuuromslag niet denkbaar. Zij kwamen met ongemeen felle kritiek op het cultuurchristendom, zoals zich dat in Europa in de loop van de eeuwen ontwikkeld had. Dit cultuurchristendom beschouwden zij als volkomen failliet.
De heilige God zelf blies erin en er bleef niets van over. Tegelijk beschouwden zij deze buitengewoon ernstige crisis als de mogelijkheid van een nieuw begin. Deze mogelijkheid van een nieuw begin zou er echter nooit kunnen zijn dankzij mensen. ook niet dankzij christelijke mensen of theologen, die met behulp van nieuwe theologische ontwerpen de kerk zouden kunnen redden. Dit nieuwe begin zou er alleen kunnen zijn, wanneer God in zijn toorn nochtans zich zou willen ontfermen. Vanuit die grote nood en vanuit die verlegenheid is de dialectische theologie geboren.
Ik moet zeggen, elke keer dat ik daar weer over lees, ben ik er opnieuw van onder de indruk. Later heeft Barth zijn grote K.D. geschreven met veel aanvechtbare dogmatische stellingen. De dialectische theologie werd toch weer tot een systeem, dat als systeem zeker de crisis niet kon oplossen. De inzet was echter een enorme verlegenheid vanwege het einde van het christelijke Europa en tegelijk een verlangen, een vraag naar de levende God zelf, dat Hij in de crisis van alle zekerheden zelf het Woord zou nemen, zijn lichtend aangezicht opnieuw zou openbaren.
De situatie vandaag
Misschien moet gezegd worden, dat de crisis vandaag opnieuw gevoeld wordt, in ieder geval dieper dan in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. In deze jaren leek het optimisme het namelijk weer te winnen. Europa was weliswaar door een diepe crisis heengegaan, maar de jaren na de Tweede Wereldoorlog kenmerkten zich door de gedachte van wederopbouw en met name de jaren zestig stonden in het teken van het optimisme. Dit optimisme was er in de samenleving. Er werd gesproken over de maakbaarheid van de samenleving. In de kerken verwachtte men ook een opleving. Er werd gesproken over herkerstening van de samenleving. Optimistische theologieën van de geschiedenis deden opgeld, vaak verbonden met min of meer marxistische gedachtengangen. Van dit alles is thans weinig of niets meer over.
Onze cultuur wordt thans gekenschetst als postmodernistisch. Kort gezegd komt het hier op neer, dat er een diepgaande scepsis is ontstaan met betrekking tot alle grote verhalen of die nu komen van de kant van het christendom of van enige andere wereldbeschouwing. Niemand weet meer wat waarheid is. Iemand die pretendeert de waarheid te kennen, wordt grondig gewantrouwd. Hooguit is er sprake van mijn subjectieve waarheid. Ik moet bij de kenschetsing van wat postmodernisme is altijd denken aan een voorbeeld uit mijn pastorale praktijk. Ik werd eens geroepen om de begrafenis te leiden van een diepgelovige vrouw van wie geen van de kinderen of kleinkinderen nog enige relatie met het geloof had. Ze hadden er dan ook lang over gepraat of er wel een dominee bij moest zijn, maar oma zou het gewild hebben; dat gaf uiteindelijk de doorslag. In het gesprek met hen ging het op een gegeven moment over de hemel. Oma wist heel zeker dat ze naar de hemel ging. Dat vond iedereen heel fijn voor oma. Maar geloven jullie zelf dan ook in de hemel? Nee, absoluut niet. Ja maar hoe kan dat nu? Oma is in de hemel, maar volgens jullie bestaat de hemel niet. Mijn logica zegt mij dan toch: of de hemel bestaat niet en dan is oma ook niet in de hemel of de hemel bestaat wel, maar dan moeten jullie er maar eens over nadenken of je daar op deze manier ook nog terecht komt.
In die trant verliep zo ongeveer het gesprek, dat ik met hen had. Het eindresultaat was echter, dat ze volhielden, dat oma in de hemel was, maar dat voor hen de hemel hiet bestond.
Is er in dit klimaat van volkomen relativisme en subjectivisme, van 'iedereen heeft z'n eigen waarheid', nog hoop voor Europa? Of moeten we zeggen, dat wanneer er zo'n fundamentele twijfel is aan elk omvattend zingevingssysteem, de bodem onder een cultuur is weggeslagen? Is de situatie misschien nog ernstiger dan in de jaren twintig, toen Spengler zijn boek schreef en de theologie van de crisis ontstond?
Postmodernisme geen eindstation
Ik denk, dat heel moeilijk te voorspellen valt of dit postmodernisme nu zo ongeveer niet einde van de Europese cultuur betekent. We zien thans ook weer de roep om herleving van normen en waarden, waar iedereen zich aan te houden heeft, omdat anders de samenleving ondermijnd wordt. Waar moeten die normen en waarden echter vandaan komen, wanneer geen van de grote verhalen: christendom, marxisme, socialisme en liberalisme meer geloofiwaardig geacht wordt. Momenteel lijkt het liberalisme het nog het best te doen. Dat sluit met zijn nadruk op de vrijheid van elk individu ook het meest bij het postmodernisme aan. Toch is het merkwaardig, dat juist ook van liberale zijde gepleit wordt voor een herwaardering van normen en waarden en dat dan juist weer de kant van het christendom en de kerken opgekeken wordt. Ik weet daarom nog niet zo precies of we nu moeten zeggen onder invloed van het postmodernistische klimaat, dat de tijd van de grote verhalen definitief voorbij is. Dit praten we elkaar misschien te snel na. Hoe individualistisch de samenleving ook geworden is, hoe diep de scepsis ook zit ten aanzien van het christendom en andere levensbeschouwingen, een samenleving kan uiteindelijk niet zonder een zingevingssysteem inclusief waarden en normen. Worden deze niet ontleend aan het christendom, dan zullen vandaag of morgen andere ideologieën of godsdiensten het gat in de markt op gaan vullen.
De islam zou bijvoorbeeld zo'n godsdienst kunnen zijn of het neokapitalisme zou zo'n ideologie kunnen zijn, waarbij dan nog wel bepaalde noties van het christenjdom worden meegenomen, maar die uiteindelijk zeer onchristelijk is, omdat het recht van de sterkste op alle terrein zal heersen. Postmodernisme als eindstation, daar geloof ik dus niet zo in. Dat betekent dan tegelijk, dat er in principe ook nieuwe kansen voor het christelijk geloof moeten zijn. Wanneer mensen toch weer op zoek zullen gaan naar dat wat houvast en zin geeft individueel en maatschappelijk, waarom zou het christelijk geloof dan op voorhand kansloos zijn?
Bonhoeffer op het einde van het christendom
Een andere theoloog, die diep onder de indruk was van de crisis van de westerse cultuur en het christendom was Dietrich Bonhoeffer. In een brief gedateerd 30 april 1944 schrijft hij uit de gevangenis in Tegel: 'De tijd dat je de mensen alles kon zeggen met woorden - theologische of vrome woorden - is voorbij en ook de tijd van innerlijk en geweten, kortom de tijd van de religie. Wij gaan een tijd zonder enige religie tegemoet'. Wie deze zinnen in z'n verband leest komt erachter, dat Bonhoeffer hier toch vooral denkt aan de algemene christelijke volksgodsdienst, waar hij geen enkel heil meer van verwacht. Een bepaald soort christendom, door Bonhoeffer aangeduid met 'religie' is volgens hem voorbij. De kerk moet niet verwachten via aansluiting op deze religie nog iets te kunnen bereiken. Ik denk, dat de ontwikkelingen in deze hem gelijk gegeven hebben. Er zijn vandaag wel heel andere vormen van zoeken naar het hogere, maar traditionele vormen van Godsgeloof rondom zijn voorzienigheid en zijn almacht, traditionele vormen van hemelgeloof en onsterfelijkheid en nog veel meer zijn goeddeels weggevallen. Mensen, die vandaag weer op zoek zijn naar het hogere, zie je dan ook nooit terugkeren naar deze traditionele vormen.
Is het christelijk geloof dan toch in de heroriëntatie tijdens en na het postmodernisme kansloos? Dat geloof ik niet en dat om drie redenen.
Het kan opnieuw gaan lichten
1. De allereerste en allerbelangrijkste ontdekking van de dialectische theologie is geweest, dat God en het cultureel gevormde Godsgeloof niet samenvallen en dat Christus en het christendom niet samenvallen. Dat was een geweldige desillusie voor het gevestigde christendom van die tijd, maar het is in de crisis toch de grootste troost die denkbaar is. Te midden van het verval van het christendom hebben we ons te buigen onder het oordeel, ons te schamen over zoveel christendom, dat de Naam van Christus eerder gelasterd heeft dan geheiligd en intussen te bidden om een nieuwe openbaring van de levende Christus zelf. Zoals in de kerstnacht de hemel is opengegaan, zo kan ook vandaag opnieuw de hemel opengaan. De engel zei tegen Maria: Geen ding zal bij God onmogelijk zijn'. En Maria zei: Mij geschiede naar uw woord' (Luk. 1 : 37, 38). Juist in deze kersttijd beseffen we opnieuw, dat alle geloof leeft, niet van eigen mogelijkheden, maar van de daden Gods.
Waarom zou Gods arm dan vandaag verkort zijn? Wel kunnen wij blind zijn voor wat God doet en het eigenlijk ook helemaal niet willen. Eerlijk gezegd benauwt me dat altijd nog weer het meest. Wij roepen wel, dat we zo graag willen, dat God zelf zich openbaart, omdat het zo'n moeilijke tijd is, maar menen wij dat wel echt? Staan wij wel open? Het godsdienstige jodendom in Jezus' dagen verwachtte, dat deze openbaring geheel in hun straatje zou zijn. Toen dan niet zo was, hoefde het van hen niet. Willen wij in onze tijd tot het laatste toe ons eigen kerkelijk bedrijf voortzetten zo goed en zo kwaad als dat gaat, omdat wij er zo aan gehecht zijn, omdat dat iets is van ons of zitten we echt verlegen om een nieuw spreken van God zelf? Die vraag moeten we ons in de volle breedte van de kerken en het christendom heel eerlijk stellen. Echt verlegen zijn om het spreken van God zelf is zélf al een wonder van boven. Van nature zoekt ieder mens namelijk bevestiging in zijn godsdienst en wil hij absoluut niet gestoord worden.
2. Het kan opnieuw gaan lichten, niet alleen omdat we met de levende Christus te maken hebben, maar ook omdat mensen als schepselen van God blijven hunkeren naar het licht en het Licht. De symbolen van licht en donker als aanduidingen van leven en dood zijn zo oud als de mensheid zelf. Dat de kerstening van Europa indertijd kon plaatsvinden had alles te maken met het feit, dat rond 25 december het feest van de onoverwinnelijke zon gevierd werd. Dit feest ging al weer terug op een lichtfeest uit de Mithrasreligie zo'n 1500 jaar voor Christus.
Het evangelie is wel een ergernis voor de natuurlijke mens. Maar dat is slechts de ene kant. Het evangelie is ook vervulling van de diepste behoeften van het mensenhart, Jezus Christus, die als kind geboren wordt is Dezelfde, die reeds bij de schepping het licht der mensen was. Wanneer mensen Jezus Christus vinden, komen ze thuis, vinden ze de bestemming, die als schepselen bij hen past. Heel veel van het overgeleverde christendom staat thans onder kritiek, maar het verlangen naar het licht blijft. Daarom blijft het kerstfeest ook nu nog steeds zo'n belangrijk feest. Laten we er in deze dagen niet alleen op afgeven, maar er ook bij aansluiten.
3. Het kan opnieuw gaan lichten. Dat zeg ik ook, omdat het al gebeurt. Mensen, die alle traditionele vormen van christendom achter zich gelaten hadden en ook veel ervan nooit over zullen nemen, komen tot geloof in de levende Christus. Zij zijn niet de laatsten der Mohikanen, maar eerstelingen van een nieuwe schepping, wellicht ook van een nieuwe geboorte van Christus in Europa.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1996
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1996
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's